Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:626

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
07/663315-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende meerdere jaren grote geldbedragen verduisterd die toebehoorden aan een vereniging en een stichting die de gelden beheerden t.b.v. 14 basisscholen in de gemeente Kampen. In totaal gaat het om € 3.571.920,--. Vanwege de ernst en omvang van de feiten, de lange periode waarin de feiten gepleegd zijn en het feit dat verdachte reciviveert acht de rechtbank een substantiële vrijheidsstraf gepast en geboden. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Locatie Zwolle

Parketnummer: 07/663315-12 (P)

Uitspraak: 11 februari 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2013 en 28 januari 2014.

De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. J.P. van Barneveld, advocaat te Arnhem.

Als officier van justitie was telkens aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 8

januari 2007 tot en met 23 oktober 2012 te Kampen en/of IJsselmuiden en/of

Wilsum, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een

ander of ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer

geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 3.571.920 euro), in elk geval (telkens)

enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan de [vereniging]

[vereniging] en/of de [stichting], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e)

geldbedrag(en) verdachte en/of mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten

als penningmeester en/of administratiekantoor, onder zich had(den),

wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

2.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1

november 2010 tot en met 30 juni 201112 te IJsselmuiden en/of Wilsum en/of

elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (een) geschrift(en) te weten

A. een brief van [B.V. 1] (blz 142,

ordner 1), en/of

B. een aan [B.V. 1] gerichte brief

(blz 143, ordner 1),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte

(telkens) valselijk

A. die brief voor akkoord getekend als ware die brief door de belastingdienst

voor akkoord getekend, en/of

B. die brief opgesteld als ware die brief door de belastingdienst opgesteld en

verzonden,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[B.V. 2] en/of [B.V. 3]en/of [B.V. 1]

[B.V. 1] op een of meer verschillende

tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2010 tot en met 30 juni

201112 te IJsselmuiden en/of Wilsum en/of elders in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, (een) geschrift(en) te weten

A. een brief van [B.V. 1] (blz 142,

ordner 1), en/of

B. een aan [B.V. 1] gerichte brief

(blz 143, ordner 1),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben [B.V. 2]

[B.V. 2] en/of [B.V. 3]en/of [B.V. 1]

[B.V. 1] (telkens) valselijk

A. die brief voor akkoord getekend als ware die brief door de belastingdienst

voor akkoord getekend, en/of

B. die brief opgesteld als ware die brief door de belastingdienst opgesteld en

verzonden,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

tot welke feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke

gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging enkele kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen ter zake van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd dat ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde een bewezenverklaring kan volgen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen1, het navolgende.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde in het bijzonder

het navolgende. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van de

bewijsmiddelen komen vast te staan dat verdachte zelfstandig en zonder daarbij op enige

wijze anderen te betrekken deze feiten heeft gepleegd.

Van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat de vervalste geschriften weliswaar zijn gericht aan en zijn geschreven door de rechtspersoon [B.V. 1], maar vast is komen te staan dat de op dit feit betrekking hebbende gedragingen - in ieder geval ook - zijn toe te rekenen aan verdachte persoonlijk, zodat voor het onder 2 primair ten laste gelegde een bewezenverklaring kan volgen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 primair ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal aangifte van [aangever 1] namens de [vereniging] en de [stichting]2;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 20123;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 november 20124;

- het proces-verbaal aangifte van [aangever 2] namens de Belastingdienst Randmeren5;

- een brief van [B.V. 1]6;

- een aan [B.V. 1] gerichte brief7;

- de bekennende verklaringen van verdachte8;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 januari 20149.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 8 januari 2007 tot en met 22 juni 2012 te Kampen en/of IJsselmuiden en/of Wilsum, en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal ongeveer 3.571.920 euro), toebehorende aan de [vereniging] en/of de [stichting], welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 november 2010 tot en met 30 juni 2012 te IJsselmuiden en/of Wilsum en/of elders in Nederland, geschriften te weten:

A. een brief van [B.V. 1] (blz 142,

ordner 1), en

B. een aan [B.V. 1] gerichte brief

(blz 143, ordner 1)

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk

A. die brief voor akkoord getekend als ware die brief door de belastingdienst

voor akkoord getekend, en

B. die brief opgesteld als ware die brief door de belastingdienst opgesteld en

verzonden,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Van het onder 1 en 2 primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID van het feit

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Verduistering, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte een werkstraf in combinatie met een lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde voortzetting van de verplichting tot terugbetaling aan Iris overeenkomstig de tussen Iris en verdachte gesloten vaststellingsovereenkomst.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Verdachte heeft als penningmeester van de [vereniging] (de Vereniging) en de [stichting] ([de Stichting]) gedurende meerdere jaren opzettelijk op stelselmatige wijze grote geldbedragen verduisterd die toebehoorden aan de vereniging en [de Stichting]. Door de handelwijze van verdachte is zowel de Vereniging als [de Stichting], die de gelden voor 14 basisscholen in de gemeente Kampen beheert, benadeeld voor een totaalbedrag van € 3.571.920,--. Het gaat hier om gemeenschapsgeld, te weten gelden die van overheidswege ten algemenen nutte waren uitgekeerd aan [de Stichting] en die in het bijzonder bestemd waren om de kwaliteit van het basisonderwijs te waarborgen en, mocht dat nodig zijn, te verbeteren. Ten gevolge van de verduistering van die gelden door verdachte zijn niet slechts de Vereniging en [de Stichting] als zodanig gedupeerd, maar ook een groot aantal particulieren, in het bijzonder de kinderen die naar de betreffende scholen gaan, omdat de beschikbaar gestelde gelden niet aan hen ten goede zijn gekomen. Verdachte heeft zich daarvan ten tijde van het plegen van de strafbare feiten geen enkele rekenschap gegeven.
Een en ander klemt temeer nu verdachte geen first-offender is. Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 16 juli 2010 veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt onder meer dat verdachte zich ten tijde van die eerdere veroordeling reeds gedurende ruim drie jaren op stelselmatige en zeer omvangrijke wijze schuldig maakte aan verduistering van grote geldbedragen van de Vereniging en [de Stichting] en ook nadien daarmee is doorgegaan. De aan verdachte bij voornoemd vonnis opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren, welke naast de maximale werkstraf van 240 uren is opgelegd, heeft hem er evenmin toe gebracht te stoppen met het verduisteren van gelden. Verdachte heeft in totaal 68 maal geldbedragen onttrokken aan de Vereniging en [de Stichting], terwijl hij evenzovele malen telkens de keuze had om daarvan af te zien. Zelfs een faillissement van een zakelijke relatie van verdachte, aan wie verdachte voorafgaand aan dat faillissement grote geldbedragen, afkomstig van de Vereniging en [de Stichting], heeft geleend, heeft verdachte niet tot inkeer gebracht, terwijl voor verdachte zonder meer duidelijk had moeten zijn dat het door hem gebezigde argument om gelden te (blijven) onttrekken aan de Vereniging en [de Stichting], namelijk dat hij dacht dat men hem wel zou terugbetalen, gelet op het faillissement van die zakelijke relatie zeker niet meer aan de orde kon zijn.
Verdachte heeft zich daarnaast, nog geen vier maanden na bovengenoemde veroordeling voor valsheid in geschrift, opnieuw schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van twee geschriften, deze keer een brief van en aan de Belastingdienst, teneinde een zakelijke relatie ter wille te zijn.
De gedragingen van verdachte getuigen naar het oordeel van de rechtbank van een handelwijze die uitsluitend gericht was op het oplossen van zijn eigen problemen en de problemen van zijn zakelijke relaties, terwijl verdachte geen oog heeft gehad voor de belangen van de Vereniging en [de Stichting]. De rechtbank neemt dit de verdachte uiterst kwalijk en rekent hem zijn frauduleuze handelen zeer zwaar aan, in het bijzonder gelet op zijn positie/functie als penningmeester en de daaruit voortvloeiende vertrouwensrelatie die hij op deze wijze ernstig en blijvend heeft geschaad. Bovendien straalt het handelen van verdachte in negatieve zin af op de overige bestuursleden die zijn betrokken bij de Vereniging en [de Stichting]. De omstandigheid dat verdachte het merendeel van de door hem verduisterde gelden grotendeels niet ten eigen voordele heeft aangewend, maar met name heeft gebruikt om zakelijke relaties financieel te helpen, doet niet af aan de verwerpelijke handelwijze van verdachte. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de Vereniging en [de Stichting] in hem hadden gesteld.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ten voordele van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte veel berouw toont en inmiddels (op grond van de notariële vaststellingsovereenkomst tussen de Vereniging en [de Stichting] en verdachte) een aanzienlijk deel van zijn maandelijkse inkomen besteedt aan het terugbetalen van de verduisterde gelden. Ook vindt de rechtbank dat het verdachte siert dat hij, hoewel hij als volledig toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, hulp heeft gezocht om inzicht te krijgen in zijn persoon, om te achterhalen waarom hij tot zijn daden is gekomen en dat hij bereid is zich te laten behandelen.

De omstandigheid dat verdachte volledig openheid van zaken heeft gegeven omtrent zijn gedragingen zal naar het oordeel van de rechtbank niet als strafmatigend worden aangemerkt, aangezien verdachte dit niet uit eigen initiatief heeft gedaan, maar daartoe is gedwongen door de feitelijke situatie, namelijk nadat door de Vereniging en [de Stichting] aangifte was gedaan.

Gelet op de aard en ernst van de feiten, de omvang van het nadeel, de zeer lange periode waarin de feiten zijn gepleegd, het stelselmatige karakter ervan en de recidive van verdachte is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een substantiële vrijheidsstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, passend en geboden is.
De rechtbank realiseert zich dat door de oplegging van na te noemen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf de continuïteit van verdachtes bedrijf in gevaar zal komen, dat dit de voortzetting van de terugbetalingsovereenkomst zal bemoeilijken of zelfs zal beletten, alsmede dat een en ander grote persoonlijke consequenties zal hebben voor verdachte en zijn gezin. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende reden om een andere dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het voorwaardelijk deel van de na te noemen op te leggen gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde een terugbetalingsverplichting van verdachte aan de Vereniging en [de Stichting] te verbinden nu die terugbetalingsverplichting reeds voortvloeit uit de notariële vaststellingsovereenkomst.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op:

  • -

    een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 november 2013;

  • -

    een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 5 juni 2013, uitgebracht door de stichting Reclassering Nederland;

  • -

    een de verdachte betreffend psychologisch onderzoeksrapport d.d. 21 december 2013, uitgebracht door drs. M.G.J. Nijhuis-Quanjel, GZ-psycholoog.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 12 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en
M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van Politie IJsselland, onder dossiernummer PL04KA 2012097178, opgemaakt en gesloten op 12 december 2012

2 Proces-verbaal aangifte d.d. 16 juli 2012, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 70-74

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2012, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], dossierpagina 81-82, met de daarbij behorende bijlagen, dossierpagina 83-129

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 november 2012, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], dossierpagina 130-131, met de daarbij behorende bijlagen, dossierpagina 132-136

5 Proces-verbaal aangifte d.d. 12 november 2012, opgemaakte door verbalisant [verbalisant 1], dossierpagina 138-139

6 Een brief van [B.V. 1] aan de Belastingdienst Randmeren d.d. 24 november 2010, dossierpagina 142

7 Een aan [B.V. 1] gerichte briefd.d. 8 juni 2011, dossierpagina 143

8 ordner 2 van proces-verbaal van Politie IJsselland, dossierpagina 002 t/m 358

9 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 28 januari 2014