Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6221

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
AWB 14/815
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat de vergunning voor een (onbemand) tankstation aan de Nieuwe Deventerweg te Zwolle terecht is afgegeven mits het navolgende voorschrift 1.8 aan het bestreden besluit wordt verbonden: “De bevoorrading door een tankwagen moet uitsluitend binnen de dagperiode (07.00 uur - 21.00 uur) plaatsvinden en er dient toezicht door de exploitant (niet zijnde de chauffeur) danwel personeel vanuit de aanpandige herstelinrichting te worden uitgeoefend op deze bevoorrading.”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0261
TGMA 2014/16 met annotatie van mr. dr. E.H. Hulst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/815

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te Zwolle, eiser

(gemachtigde: mr. A. Barada),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Salland Oil B.V. (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een (onbemand) tankstation voor het wegverkeer op het perceel Nieuwe Deventerweg 30 te Zwolle.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 4 april 2014 pro forma beroep ingesteld. De gronden zijn bij brief van 2 mei 2014 ingediend.

Verweerder heeft op 3 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.C.S. van Dop en K.A. Moeke, werkzaam bij de gemeente Zwolle, en J. Kloppenburg, werkzaam bij de Veiligheidsregio IJsselland.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen. Op 7 augustus 2014 zijn deze nadere stukken bij de rechtbank binnengekomen. Eiser heeft hierop bij fax van 22 augustus 2014 gereageerd. Op 27 augustus 2014 en 3 november 2014 hebben verweerder respectievelijk eiser de rechtbank toestemming verleend om uitspraak te doen zonder (tweede) zitting.

De rechtbank heeft op 3 november 2014 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De navolgende feiten zijn niet betwist en ook de rechtbank aanvaardt deze feiten.

Op het perceel is sinds 1970 een tankstation gevestigd. Dit tankstation vormde samen met de aanpandig gelegen (auto)herstelinrichting een inrichting en daarvoor gold één milieuvergunning. Sinds 1 januari 2005 is het tankstation verhuurd aan Firezone (Salland Oil B.V.) en is de milieuvergunning gesplitst. Door het personeel van de aanpandig gelegen herstelinrichting werd er toezicht uitgeoefend op het tankstation en waren de openingstijden van het tankstation daarom gekoppeld aan de openingstijden van de herstelinrichting.

Sinds 1 januari 2008 valt het tankstation van rechtswege onder het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Vergunninghoudster is voornemens het tankstation te wijzigen in een onbemand tankstation en wil daarbij tevens ruimere openingstijden dan de openingstijden van de herstelinrichting hanteren. De huidige openingstijden betreffen 08.00 uur - 19.00 uur (maandag t/m vrijdag) en 08.00 uur - 18.00 uur (zaterdag). De beoogde openingstijden betreffen 07.00 uur - 21.00 uur (maandag t/m zondag). Het tankstation zal tussen 21.00 uur - 07.00 uur gesloten zijn.

Het tankstation heeft één afleverzuil en twee afleverpunten.

De dichtstbijzijnde gevoelige objecten zijn de herstelinrichting en de woningen [adres]. De afstand van deze objecten tot de afleverzuil bedraagt circa 10 meter. De woning van eiser ligt aan de overzijde van de weg op een afstand van circa 33 meter van de afleverzuil.

2. Vergunninghoudster heeft op 15 februari 2013 een aanvraag om een

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene

bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bij verweerder ingediend. Deze aanvraag ziet op

het oprichten en in werking hebben van een onbemand verkooppunt van motorbrandstoffen.

Deze aanvraag is gewijzigd alsmede nader aangevuld. Deze wijziging/aanvulling is op

25 april 2013 bij verweerder binnengekomen.

De ontwerpbeschikking heeft met ingang van 6 juni 2013 gedurende zes weken ter inzage

gelegen. Onder meer eiser heeft een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het besluit is ten opzichte van het ontwerpbesluit gewijzigd in de zin dat aan de geluidsvoorschriften een voorschrift (voorschrift 2.3) is toegevoegd, inhoudende dat LAmax in de periode tussen 07.00 uur en 21.00 uur niet van toepassing is op de laad- en losactiviteiten.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en dat deze inrichting vergunningplichtig is op grond van bijlage I, onderdeel C, categorie 5.4, onder e, van het Besluit omgevingsrecht. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de inrichting een type C inrichting in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) is en dat dit betekent dat, naast de omgevingsvergunning, een aantal voorschriften van het Activiteitenbesluit rechtstreeks op de inrichting van toepassing is.

De rechtbank onderschrijft deze gedeelde standpunten.

4. Eiser verzoekt om de inhoud van zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit op eisers zienswijze is ingegaan en de daarin vervatte gronden heeft weerlegd. Enkel en alleen voor zover eiser in zijn beroepschrift nader in gaat op de weerlegging van zijn gronden in de zienswijze, zal de rechtbank de gronden uit de zienswijze bespreken. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1794.

4.1.

Eiser stelt dat door de verruimde openingstijden meer motorvoertuigen gebruik zullen maken van het tankstation, waardoor er sprake zal zijn van meer vervoersbewegingen van personenauto’s en van tankwagens die het tankstation bevoorraden. Een dergelijke toename van het verkeer zal gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid van, met name, fietsers.

De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt, zoals opgenomen in het verweerschrift, dat eiser geen belang heeft bij het aan de orde stellen van dit aspect. Gelet op het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), oordeelt de rechtbank dan ook dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Voor de volledigheid voegt de rechtbank hier het navolgende aan toe. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1796, onder verwijzing naar haar eerdere jurisprudentie, overwogen dat het belang van de verkeersveiligheid niet het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer (oud) betreft en dat er geen aanleiding is om ten aanzien van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo hierover anders te oordelen. Gelet hierop kunnen de gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de verkeersveiligheid voor verweerder geen aanleiding zijn de gevraagde vergunning voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting te weigeren.

4.2.

Met betrekking tot het aspect geluid heeft eiser het navolgende aangevoerd.

4.2.1.

Eiser stelt ten eerste dat betwijfeld kan worden of het akoestisch rapport van 25 april 2013 van Adviesburo Van der Boom B.V. te Zutphen (hierna: Van der Boom), zoals dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, wel juist is. Immers, in dit rapport wordt uitgegaan van een toename van het verkeer van (slechts) 15%, zonder dat dit nader is onderbouwd. Eiser heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat de openingstijden met 65% toenemen. Dit zal niet automatisch resulteren in een toename van het aantal personenauto’s met 65% maar deze toename zal in ieder geval meer zijn dan 15%, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat er sprake is van een zogenaamde prijsvechter. Voorts zal de tankwagen die het tankstation bevoorraadt vaker dan voorheen het tankstation aandoen, gelet op een toename van het aantal personenauto’s met (veel) meer dan 15%. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij zelf heeft geconstateerd dat minimaal drie tankwagens per week het tankstation bevoorraden.

De rechtbank overweegt als volgt.

In beginsel mag verweerder uitgaan van de juistheid van de gegevens, zoals die zijn aangeleverd in de aanvraag. Dit is eerst anders indien er sterke aanwijzingen zijn dat deze gegevens niet juist (kunnen) zijn.

In casu staat in de aanvraag vermeld dat, vanwege de verruimde openingstijden, het aantal personenauto’s dat per dag het tankstation bezoekt met 15% zal toenemen tot een totaal van 180 personenauto’s. Verweerder heeft in het verweerschrift, pagina 10, onderaan, onderbouwd waarom een verkeerstoename van 15% niet onaannemelijk is. De rechtbank onderschrijft dit betoog van verweerder. De rechtbank voegt hieraan toe dat eiser zijn stelling, dat de verkeerstoename (veel) groter zal zijn dan 15%, niet heeft onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dan ook dat in het akoestisch rapport terecht is gerekend met 180 personenauto’s per dag. De stelling van eiser dat minimaal drie tankwagens per week het tankstation bevoorraden, staat niet op gespannen voet met het akoestisch rapport. Immers, in dit rapport is gerekend met twee vrachtwagens per dag.

Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder het akoestisch rapport aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

Voor de volledigheid overweegt de rechtbank nog het volgende. Indien mocht blijken dat de verkeerstoename (veel) groter is dan de geschatte 15% waarvan in het bestreden besluit is uitgegaan, zal niet meer aan de geluidsvoorschriften kunnen worden voldaan. Alsdan is er sprake van een handhavingsaangelegenheid. Een geschil omtrent handhaving ligt thans niet voor.

4.2.2.

Eiser stelt ten tweede dat niet kan worden voldaan aan geluidsvoorschrift 2.2 van de omgevingsvergunning omdat er overschrijdingen zijn geconstateerd in het akoestisch rapport van Van der Boom (78 dB(A) en 79 dB(A)). Verweerder heeft volstaan met het verwijzen naar dit akoestisch rapport, zonder expliciet in te gaan op deze grond.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de bespreking van eisers zienswijze is verweerder op pagina’s 19 en 20 van het bestreden besluit expliciet ingegaan op de twee door eiser genoemde overschrijdingen. Hierbij is aangegeven dat deze overschrijdingen worden veroorzaakt door laad- en losactiviteiten van de tankwagen. Verweerder heeft vervolgens geluidsvoorschrift 2.3 aan de omgevingsvergunning verbonden en gemotiveerd waarom hij daartoe is overgegaan. De stelling van eiser dat verweerder niet is ingegaan op deze grond mist dan ook feitelijke grondslag.

De rechtbank constateert dat eiser geen beroepsgronden heeft ingebracht die zien op voorschrift 2.3.

4.2.3.

Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden, gericht tegen het aspect ‘geluid’, niet slagen.

4.3.

Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgrond met betrekking tot de luchtkwaliteit ingetrokken.

4.4.

Wat de externe veiligheid betreft stelt eiser dat bij de beoordeling van de vergunningaanvraag ten onrechte slechts het scenario van een ongeval van een tankende bezoeker bij een afleverzuil is onderzocht. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:882, blijkt dat verweerder tevens het scenario van een incident met een tankwagen had moeten onderzoeken. Verder heeft verweerder de situering van de aanpandig gelegen herstelinrichting niet bij dit veiligheidsonderzoek betrokken, aldus eiser.

Verweerder stelt dat in de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling aansluiting werd gezocht bij de vorige versie van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS-28). Op de thans in rechte voorliggende omgevingsvergunning is daarentegen de PGS-28 van december 2011 van toepassing. Dit heeft tot gevolg dat de minimale afstanden en warmtestralingsactiviteiten tot objecten zijn komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is de plicht tot het hebben van een noodplan op grond van artikel 3:38, derde lid, van de Activiteitenregeling juncto voorschriften 6.2.2 en 6.2.3 van PGS-28 (versie december 2011) gekomen. Verweerder heeft niettemin hangende beroep alsnog een ongevalsscenario met een lekkende tankwagen bezien. Hierbij is gerekend met een hoeveelheid ‘gemorste’ benzine van 825 liter. De brandwerendheid van de herstelinrichting is hierbij tevens bezien.

Alhoewel op basis van de toepasselijke regelgeving kan worden volstaan met het hebben van een noodplan, heeft verweerder de rechtbank verzocht om, ter verhoging van de veiligheid met betrekking tot plasbranden, het beroep gegrond te verklaren en, zelf in de zaak voorziend, een extra voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. Dit voorschrift dient in te houden dat de bevoorrading door een tankwagen tenminste binnen de dagperiode (07.00 uur - 21.00 uur) moet plaatsvinden en mits er toezicht vanuit de herstelinrichting kan worden uitgeoefend.

Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat hij instemt met een dergelijk voorschrift.

Uit de op 7 augustus 2014 door verweerder ingebrachte stukken blijkt dat zowel vergunninghoudster als de drijver van de herstelinrichting instemmen met het verbinden van een dergelijk voorschrift aan de omgevingsvergunning.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dat op basis van de toepasselijke regelgeving kan worden volstaan met het hebben van een noodplan. Dit betekent dat er geen rechtsgrond is om de bestreden omgevingsvergunning (gedeeltelijk) te vernietigen. Nu zowel eiser, verweerder, vergunninghoudster als de drijver van de herstelinrichting instemmen met het verbinden van dit voorschrift aan de omgevingsvergunning, zal de rechtbank de bestreden omgevingsvergunning wegens een zorgvuldigheidsgebrek vernietigen. Dit zorgvuldigheidsgebrek betreft het niet verbinden van het bewuste voorschrift aan de omgevingsvergunning. De rechtbank zal, zelf in de zaak voorziend, alsnog dit voorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden.

4.5.

Eiser heeft aangevoerd dat de aanrijdbeveiliging niet doelmatig is omdat deze achter de vulpunten is aangebracht. Ter zitting heeft eiser desgevraagd meegedeeld dat de gekozen wijze van beveiliging er in resulteert dat bezoekende personenauto’s de vulputten raken, wat kan resulteren in blikschade aan deze auto’s.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang heeft bij het aan de orde stellen van dit aspect. Gelet op het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, oordeelt de rechtbank dan ook dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

4.6.

Eiser heeft ten slotte in zijn beroepschrift verwezen naar stankoverlast vanwege personenauto’s en tankwagens. Ter zitting heeft eiser desgevraagd meegedeeld dat deze stelling niet moet worden geduid als een beroepsgrond met betrekking tot het aspect geur. De reden daarvoor is dat deze stelling slechts is geponeerd en niet juridisch onderbouwd.

Nu er geen sprake is van een gemotiveerde beroepsgrond, zal de rechtbank deze stelling niet bespreken.

5. Samenvattend oordeelt de rechtbank het volgende. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is verzuimd een voorschrift met betrekking tot het tijdstip van bevoorrading door een tankwagen en het toezicht daarop vanuit de herstelinrichting te verbinden aan de omgevingsvergunning. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de rechtbank beslist dat aan de omgevingsvergunning een (nieuw) voorschrift 1.8 wordt verbonden dat als volgt luidt:

De bevoorrading door een tankwagen moet uitsluitend binnen de dagperiode

(07.00 uur - 21.00 uur) plaatsvinden en er dient toezicht door de exploitant (niet zijnde de chauffeur) danwel personeel vanuit de aanpandige herstelinrichting te worden uitgeoefend op deze bevoorrading.

Om misverstanden te voorkomen wijst de rechtbank partijen op het feit dat er sprake is van een gedeeltelijke vernietiging. Enkel en alleen voor zover verweerder heeft verzuimd voorschrift 1.8 aan de omgevingsvergunning te verbinden wordt de bestreden omgevingsvergunning vernietigd. Voor het overige blijft de bestreden omgevingsvergunning in stand.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 165,- vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 487,- en een wegingsfactor 1).  

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is verzuimd het navolgende voorschrift 1.8 aan het bestreden besluit te verbinden: “De bevoorrading door een tankwagen moet uitsluitend binnen de dagperiode (07.00 uur - 21.00 uur) plaatsvinden en er dient toezicht door de exploitant (niet zijnde de chauffeur) danwel personeel vanuit de aanpandige herstelinrichting te worden uitgeoefend op deze bevoorrading.”;

- bepaalt dat voorschrift 1.8, zoals hiervoor geredigeerd, aan het bestreden besluit wordt verbonden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. J.W.M. Bunt en

mr. M.A. Heldeweg, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.