Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6196

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
24-11-2014
Zaaknummer
C/08/144974 / ES RK 13-1955
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank deelt een stamrecht BV toe aan de man tegen een waarde van nihil, nu aan de stamrecht BV geen zelfstandige waarde kan worden toegekend. De stamrecht BV voorziet in inkomensvoorziening voor later. Het in de BV aanwezige vermogen is noodzakelijk om tot dit doelvermogen te kunnen geraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/144974 / ES RK 13-1955 (TB)

beschikking van 29 oktober 2014.

In de zaak van:

[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats 1], [adres 1],

verzoekster,

advocaat: mr. S.L. Geeraths te Almelo,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats 2],[adres 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. M.A. Schuring te Almelo.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit de tussenbeschikking van deze rechtbank van 24 maart 2014.

De vrouw heeft de rechtbank op 19 april 2014 een reactie doen toekomen.

Op 8 juli 2014 is het rapport van de deskundige ter griffie ingekomen.

De man heeft op 26 augustus 2014 een conclusie na deskundigenbericht genomen en de vrouw heeft dit op 30 september 2014 gedaan. De man heeft vervolgens op 14 oktober 2014 een antwoordakte deskundigenbericht genomen.

De beschikking is bepaald op heden.

De beoordeling

1. De rechtbank neemt over hetgeen zij in haar tussenbeschikking van 24 maart 2014 heeft vastgesteld, overwogen en beslist.

2. In genoemde beschikking heeft de rechtbank een deskundige benoemd om de waarde van de besloten vennootschap [bedrijf belanghebbende] te bepalen en om te bepalen welk vermogen, dat moet worden beschouwd als niet uitgekeerde winst, is opgebouwd in de eenmanszaak [bedrijf verzoekster].

3. [bedrijf belanghebbende]

De deskundige heeft in zijn rapportage overwogen dat [bedrijf belanghebbende] een stamrecht B.V. is, welke zich niet laat vergelijken met een gewone onderneming.

Bij de waardering heeft de deskundige gebruik gemaakt van de intrinsieke waardemethode.

Kenmerkend voor een stamrecht B.V. is dat deze voorziet in een inkomensvoorziening voor later en dit is geregeld in de stamrechtovereenkomst. Op basis van de stamrechtovereenkomst moet er een bepaald bedrag beschikbaar zijn op het moment dat de man 65 jaar wordt.

De intrinsieke waarde wordt gevormd door het zichtbaar eigen vermogen van de onderneming, gecorrigeerd met balansaanpassingen. Alle balansposten worden derhalve in ogenschouw genomen en hier vormt de stamrechtverplichting de belangrijkste waardebepaler.

Volgens de deskundige kan het doelrendement van de stamrechtovereenkomst behaald worden en zal de waarde van [bedrijf belanghebbende] bij het bereiken van het doelkapitaal nihil zijn.

3.1

De vrouw kan zich niet vinden in de rapportage van de deskundige. Zij stelt ook dat zij vindt dat aanvullende vragen hadden moeten worden gesteld aan de deskundige, dat de rechtbank van oordeel was dat dit niet moest gebeuren, maar dat de vrouw toch de deskundige heeft benaderd met deze vragen. Helaas heeft de deskundige geweigerd de vragen te beantwoorden.

Volgens de vrouw heeft de deskundige er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat ook de vrouw een aandeel heeft in de algemene reserve van de onderneming, nu zij heeft meegewerkt. Ook is niet benoemd in de rapportage dat ieder van partijen een gelijk bedrag heeft gestort in het aandelenkapitaal.

Tenslotte had de deskundige er rekening mee moeten houden dat de stamrechtverplichting afgekocht kan worden. Hierbij wijst de vrouw op een arrest van het Hof Den Haag van 30 augustus 2010.

3.2

De man kan zich vinden in de rapportage van de deskundige.

Hij meldt dat het niet van belang is of partijen in het verleden samen werkzaamheden vanuit de BV hebben verricht en of er daardoor algemene reserve is opgebouwd. Van belang is dat de BV een verplichting heeft jegens de man en dat het vermogen in de BV noodzakelijk is om aan deze verplichting te voldoen. Het aanwezige vermogen is volgens de deskundige noodzakelijk om tot dit doelvermogen te kunnen geraken.

Ook is een afkopen van het stamrecht niet aan de orde, nu de BV een verplichting heeft jegens de man.

3.3

De rechtbank stelt voorop dat zij het processueel onjuist en zéér ongebruikelijk acht dat de vrouw, ondanks het oordeel van de rechtbank over de aan de deskundige te stellen vragen, de deskundige zelfstandig heeft benaderd met het verzoek aanvullende vragen te beantwoorden.

Juist om dergelijke processueel foutieve benaderingen te voorkomen is de verplichte procesvertegenwoordiging in deze procedure voorgeschreven.

De rechtbank is van oordeel dat de deskundige zijn benadering van de waarde van de stamrecht B.V. juist heeft gemotiveerd en heeft onderbouwd.

De rechtbank zal deze benadering dan ook tot de hare maken.

Dit betekent dat aan de stamrecht B.V. geen zelfstandige waarde wordt toegekend.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat het niet aan de orde is om de mogelijkheid van afkoop van het stamrecht te bekijken. Er is immers een verplichting van de B.V. jegens de man. Aan de jurisprudentieverwijzing door de vrouw moet de rechtbank voorbijgaan, nu zij heeft verzuimd hier een juiste vindplaats te vermelden.

De (aandelen in de) onderneming zullen/zal dan ook worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van nihil.

Dit laat onverlet dat de man als standpunt in deze procedure - expliciet en schriftelijk - heeft ingenomen en niet duidelijk heeft ingetrokken, dat de vrouw recht heeft op de helft van het door hen beide gestorte bedrag op de aandelen van € 18.000,-.

De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw recht heeft op betaling door de man aan haar van dit bedrag als een vergoeding van door haar ingebracht geld in een in het vermogen van de man terechtkomend eigendom.

4. De eenmanszaak [bedrijf verzoekster]

Ten aanzien van de eenmanszaak [bedrijf verzoekster] heeft de deskundige geoordeeld dat er per 1 oktober 2012 een vermogen, dat moet worden beschouwd als niet uitgekeerde winst, ad € 27.037,38 is opgebouwd in de eenmanszaak.

4.1

De vrouw meent dat de bepaling van de niet-uitgekeerde winst door de deskundige niet moet worden gevolgd. Zij stelt dat zij geen reëel inkomen heeft genoten uit de eenmanszaak en dat zij geen huurkosten heeft doorberekend.

Voorts is ten onrechte bij de berekening van de niet-uitgekeerde winst geen rekening gehouden met kosten aan arbeidsongeschiktheidsverzekering, pensioenpremie, inkomstenbelasting, bijdrage ZVB en een door de vrouw in 2011 gedane storting.

4.2

De man kan zich vinden in de rapportage van de deskundige.

Hij stelt dat de vrouw ten onrechte opmerkt dat met allerlei kosten rekening moet worden gehouden, terwijl zij in feite die kosten niet heeft gemaakt.

Voorts is niet van belang dat de vrouw geen reëel inkomen heeft genoten vanuit [bedrijf verzoekster], nu zij, als zij dit wel had genoten, meer had moeten bijdrage aan de gezamenlijke kosten van de huishouding.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat de deskundige op de juiste wijze en voldoende onderbouwd heeft geoordeeld dat zich in [bedrijf verzoekster] per de peildatum een bedrag ad € 27.037,38 aan niet –uitgekeerde winst bevond.

De rechtbank oordeelt ook dat niet aan de orde is dit gevonden bedrag thans te verminderen met salaris dat genoten had kunnen/mogen/moeten worden of met kosten die gemaakt hadden kunnen worden.

De rechtbank zal dan ook genoemd bedrag aanmerken als te verrekenen inkomsten vallend onder het verrekenbeding - weliswaar periodiek, maar nu met finale werking - zoals partijen dat in hun huwelijkse voorwaarden hebben opgenomen.

4.4

Een vergoedingsrecht ter zake door de man ingebracht vermogen en/of klanten?

De man is bij beschikking van 22 januari 2014 in de gelegenheid gesteld nader te concretiseren op welke vergoeding hij recht meent te hebben ter zake door hem in [bedrijf verzoekster] ingebracht vermogen, dan wel door hem bij [bedrijf verzoekster] aangebrachte klanten.

De man heeft hierop in zijn schrijven van 6 maart 2014 in een korte alinea opgemerkt dat de deskundige zich kan uitlaten over de waardering van de door de man ingebrachte klanten. Hierbij noemt de man als klanten: [naam 1] met jaaromzet € 5.000,-, [naam 2] met jaaromzet € 750,- en [naam 3] met jaaromzet € 750,-.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 24 maart 2014 besloten deze vraag niet aan de deskundige voor te leggen, dit omdat het partijdebat nog niet voldoende was gevoerd over de aangebrachte klanten.

De vrouw heeft vervolgens bij schrijven van 19 april 2014 betwist dat de man genoemde klanten heeft aangebracht.

De firmanten van [naam 1] zijn de zus en de zwager van de vrouw, [naam 2] is klant geworden via een kennis van de vrouw en de firmanten van [naam 3] heeft de vrouw ergens ontmoet.

De rechtbank stelt vast dat door de man tegen deze laatste stelling van de vrouw geen, dan wel geen voldoende onderbouwd, verweer is gevoerd.

De rechtbank oordeelt dan ook dat de man geen vergoeding toekomt ter zake ingebrachte klanten of ingebracht vermogen.

5. Een gebruiksvergoeding ter zake door de vrouw gebruikt spaarsaldo

Door de man is ter zitting van 13 december 2013 als vermeerdering van zijn zelfstandig verzoek een beroep gedaan op een vergoeding ter zake het feit dat de vrouw vanaf maart 2013 heeft beschikt over het gehele saldo van de spaarrekening met nummer [0] ad € 157.500,-.

De man wenst ter zake een vergoeding te ontvangen ad 4%.

De man wijst er op dat dit ook redelijk is, nu hij immers ook een gebruiksvergoeding aan de vrouw moet betalen voor het gebruik van de echtelijke woning.

De vrouw betwist dat zij een gebruiksvergoeding aan de man moet betalen.

Zij heeft weliswaar dit geld gebruikt vanaf 25 maart 2013 en aangewend voor de aankoop van een woning, maar zij heeft in de periode vanaf het feitelijk uiteengaan zoveel andere kosten moeten maken, dat het onredelijk zou zijn als zij de gebruikersvergoeding moet betalen.

Tenslotte stelt de vrouw dat een percentage van 4% buitensporig is, en dat een rente van 1,7% veel redelijker zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het alleszins redelijk is dat de vrouw aan de man een gebruikersvergoeding betaalt voor het genot dat zij, met uitsluiting van de man, heeft gehad van het gezamenlijke spaarsaldo.

De man kan hier immers niet over beschikken en de vrouw heeft het geld gebruikt voor aankoop van een woning.

Nu de man ook een gebruikersvergoeding moet betalen aan de vrouw ter zake het gebruik door hem van de gezamenlijk woning, komt het zeer redelijk voor dat de vrouw een gebruikersvergoeding betaalt ter zake het gebruik van het spaarsaldo.

De rechtbank oordeelt een vergoeding van 4% wel te hoog en zal dan ook van het door de vrouw genoemde - en niet meer door de man betwiste - percentage van 1,7% uit gaan.

Deze vergoeding zal aan de vrouw worden opgelegd voor de periode van 25 maart 2013 tot heden, zijnde de datum van de gerechtelijke afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

6. Résumé

De rechtbank zal hieronder samenvatten hetgeen in voorgaande en in de huidige beschikking is geoordeeld ten aanzien van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden, verdeling eenvoudige gemeenschappen en vergoedingsrechten over en weer.

Verdeling

Aan de man wordt toebedeeld:

- de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] € 240.000,-

- de inboedel zoals verdeeld ( zie r.o. 4.3 beschikking 22/01/2014) 0

- de Ford Mondeo € 2.900,-

- de Raborekening [1] € 4.087,81

- de Raborekening [0] met de rente € 2.032,90

- de helft van de waarde van de Robeco beleggersrekening PM

- [bedrijf belanghebbende] 0

Totaal € 249.020,71 + PM

Aan de vrouw wordt toebedeeld:

- de inboedel zoals verdeeld ( zie r.o. 4.3 beschikking 22/01/2014) 0

- de Citroën 0

- het saldo van de Raborekening [0] € 157.500,-

- de helft van de waarde van de Robeco beleggersrekening PM

Totaal € 157.500 + PM

Gelet op boven weergegeven verdeling van de eenvoudige gemeenschappen dient de man aan de vrouw een overbedelingsvergoeding te betalen ad € 45.760,35.

Verrekening overgespaarde inkomsten

De vrouw dient de man de helft van het bedrag ad € 27.037,38 te betalen wegens te verrekenen overgespaarde inkomsten, dus per saldo € 13.518,69.

Vergoedingsrecht

De man dient de vrouw het door haar in [bedrijf belanghebbende] geïnvesteerde geld ad

€ 9.000,- te vergoeden.

Gebruikersvergoeding

De vrouw dient de man een bedrag ad € 2.145,72 te betalen als gebruiksvergoeding voor het bedrag ad € 157.500,-, dat zij vanaf 25 maart 2013 in bezit heeft.

( 1.7% over €157.500 van 25 maart 2013 tot heden : 2)

7. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren omdat zij echtelieden zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat ook de kosten van de deskundige door beide partijen gelijkelijk dienen te worden gedragen in dit verband.

Deze kosten waren begroot op € 1.500,- totaal en zijn uiteindelijk, nadat ieder van partijen had bijgestort, gekomen op € 2.500,-.

De beslissing

De rechtbank:

I. Stelt de afwikkeling huwelijkse voorwaarden, verdeling eenvoudige gemeenschappen en betaling van onderlinge vergoeding als volgt vast:

I.I Aan de man wordt toebedeeld:

- de woning aan de[adres 2] te [woonplaats 2] € 240.000,-

- de inboedel zoals verdeeld ( zie r.o. 4.3 beschikking 22/01/2014) 0

- de Ford Mondeo € 2.900,-

- de Raborekening [1] € 4.087,81

- de Raborekening [0] met de rente € 2.032,90

- de helft van de waarde van de Robeco beleggersrekening PM

- [bedrijf belanghebbende] 0

Totaal € 249.020,71 + PM

Aan de vrouw wordt toebedeeld:

- de inboedel zoals verdeeld ( zie r.o. 4.3 beschikking 22/01/2014) 0

- de Citroen 0

- het saldo van de Raborekening [0] € 157.500,-

- de helft van de waarde van de Robeco beleggersrekening PM

Totaal € 157.500 + PM

I.II. Bepaalt dat de man aan de vrouw een overbedelingsvergoeding dient te betalen ad € 45.760,35.

I. III Bepaalt dat de vrouw aan de man wegens te verrekenen overgespaarde inkomsten een bedrag dient te betalen ad € 13.518,69.

I. IV Bepaalt dat de man aan de vrouw wegens een vergoedingsrecht een bedrag ad € 9.000,- dient te betalen.

II. Bepaalt dat de vrouw aan de man een bedrag ad € 2.145,72 dient te betalen als gebruiksvergoeding.

III. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Compenseert de proceskosten tussen partijen, met inbegrip van de kosten van de deskundige.

V. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Blankestijn, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2014.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.