Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6155

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
08/760141-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man uit Oldenzaal is veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 272 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Ook moet de man een schadevergoeding betalen van 837,20 euro.

Op 27 juli 2014 vond er in Oldenzaal een worsteling plaats tussen de man en het slachtoffer, waarbij de man een mes in zijn hand had. Het slachtoffer liep snijwonden op. De man is in het verleden vaker veroordeeld voor onder meer agressiedelicten. Toch heeft hij zich weer aan een dergelijk feit schuldig gemaakt. De rechtbank rekent het hem ernstig aan dat hij tijdens de worsteling, die hij zelf opzocht en aanging, een mes gebruikte. Dat het bij relatief gering letsel is gebleven is niet de verdienste van verdachte geweest. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer.

Uit rapportages blijkt dat de Oldenzaler veelal tot het plegen van strafbare feiten komt onder invloed van alcohol. Hij onderkent de bij hem aanwezige (alcohol)problematiek en zegt gemotiveerd te zijn voor een behandeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij een strafoplegging het accent dient te liggen op een behandeling zoals door de reclassering voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760141-14

Datum vonnis: 21 november 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 november 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van Zwol en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) geprobeerd heeft om [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel (subsidiair) die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel (meer subsidiair) geprobeerd heeft die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te Oldenzaal

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] voornoemd

meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een soortgelijk scherp

voorwerp, in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te Oldenzaal,

aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(meerdere steek-/snijwonden in handen, arm, nek, rug en buik), heeft

toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal met een mes,

althans een soortgelijk scherp voorwerp, in het lichaam te steken en/of te

snijden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te Oldenzaal,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een soortgelijk

scherp voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer] voornoemd heeft gestoken

en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het subsidiair tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met reclasseringstoezicht en nakoming van de in het reclasseringsadvies van 19 september 2014 opgenomen meldplicht en behandelverplichting, als bijzondere voorwaarden.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het primair tenlastegelegde feit niet bewezen.

5.1

De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen1.

Op 27 juli 2014 heeft er in Oldenzaal een worsteling plaatsgevonden tussen verdachte en

[slachtoffer]. Tijdens deze worsteling heeft verdachte een mes in zijn hand gehad. Ten gevolge van de worsteling heeft [slachtoffer] snijwonden opgelopen 2,3,4.

5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie is van oordeel dat het subsidiair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft tijdens een worsteling welbewust wild met het mes om zich heen geslagen en daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer ernstig zou verwonden. Het bij het slachtoffer ontstane letsel, te weten blijvende littekens en een, naar het zich laat aanzien permanent, verminderde handfunctie, leveren volgens de officier van justitie zwaar lichamelijk letsel op.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij [slachtoffer] ontstane verwondingen geen zwaar lichamelijk letsel opleveren, zodat verdachte ook voor het subsidiaire feit dient te worden vrijgesproken. Het meer subsidiair ten laste gelegde feit (poging tot het toebrengen zwaar lichamelijk letsel) kan volgens de raadsman wel bewezen worden verklaard, mits de rechtbank van oordeel zou zijn dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. Van bloot opzet (in de zin van willens en wetens) op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is volgens de raadsman zeker geen sprake geweest.

5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, met de verdediging van oordeel, dat ter zake het subsidiair ten laste gelegde feit, een vrijspraak dient te volgen nu het letsel dat [slachtoffer] door toedoen van verdachte heeft opgelopen, blijkens de door de GGD Twente opgemaakte geneeskundige verklaring, geen zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank is, onder meer op basis van de verklaring van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], van oordeel, dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor de vaststelling van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Verdachte heeft door, tijdens de worsteling met [slachtoffer], een mes ter hand te nemen en daarmee zwaaiende, slaande en stekende bewegingen te maken, zich naar het oordeel van de rechtbank bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij die [slachtoffer] met dat mes zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen.Te denken valt bijvoorbeeld aan oogletsel, het raken van een slagader of het aanprikken van een vitaal orgaan. Dat zodanig letsel in dit geval niet is opgetreden berust op toeval en is niet aan het gedrag van verdachte te danken.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 juli 2014 te Oldenzaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] voornoemd heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder het meer subsidiair tenlastegelegde meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 302 jo artikel 45 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op het misdrijf: poging tot zware mishandeling.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde, verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld in een situatie van noodweer(exces). De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verweten handeling noodzakelijk was ter verdediging van zijn eigen of andermans lijf of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of de dreiging daarvan. Voor noodweerexces is vereist dat de grenzen van die noodzakelijke verdediging zijn overschreden door een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank stelt op basis van het dossier, in het bijzonder de daarin opgenomen getuigenverklaringen vast dat verdachte bewust de confrontatie met het slachtoffer is aangegaan door rechtstreeks, doelbewust en op agressieve wijze op het slachtoffer af te lopen. Verdachte had een mes bij zich en heeft dat mes vervolgens tijdens de worsteling met [slachtoffer] ter hand genomen en daarmee zwaaiende, slaande en stekende bewegingen gemaakt, waardoor [slachtoffer] gewond is geraakt aan zijn hoofd, buik, rug, schouderbladen elleboog en handen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden geen geslaagd beroep kan doen op noodweer/-exces. Met zijn hierboven beschreven gedragingen - het rechtstreeks, doelbewust en op agressieve wijze op het slachtoffer aflopen en het ter hand nemen van het mes - heeft verdachte de situatie waarin hij is terechtgekomen, bewust opgezocht. Er was daardoor geen sprake van een situatie waarin de verdediging noodzakelijk was. Verdachte was bovendien degene die direct in de aanval ging, zodat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn persoon, waartegen verdediging geboden was.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer.

Ook het namens verdachte gedane beroep op noodweerexces dient te worden verworpen nu er, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, geen sprake was van een noodweersituatie.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte is in het verleden herhaaldelijk ter zake onder meer agressiedelicten veroordeeld. Desondanks heeft hij zich andermaal aan een dergelijk feit schuldig gemaakt. Het dient verdachte ernstig te worden aangerekend dat hij tijdens de worsteling, die hij zelf opzocht en aanging, gebruik heeft gemaakt van een mes en daarmee het slachtoffer diverse verwondingen heeft toegebracht. Dat het bij relatief gering letsel is gebleven is niet de verdienste van verdachte geweest.

Uit de over verdachte opgemaakte rapportages blijkt hij veelal tot het plegen van strafbare feiten komt onder invloed van alcohol. Verdachte onderkent de bij hem aanwezige (alcohol)problematiek en zegt gemotiveerd te zijn voor een behandeling.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij een strafoplegging het accent dient te liggen op een behandeling zoals door de reclassering voorgesteld. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met verdachtes verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het bewezenverklaarde, zoals blijkt uit de door de GZ-psycholoog, H.R.J. ter Borg opgemaakte psychologische rapportage van 22 september 2014, alsmede met verdachtes overige ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden en hetgeen daarover is vermeld in de door de reclasseringswerker B.C. Bast opgemaakte rapportage van 19 september 2014.

Verder heeft de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met een vonnis van de politierechter te Zwolle van 13 augustus 2014, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een straf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Verder zal de rechtbank een flink deel van de straf voorwaardelijk opleggen om een reclasseringstoezicht en behandeling van verdachte mogelijk te maken en om hem ervan te weerhouden in de toekomst andermaal feiten als deze te plegen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], wonende te [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.767,89 (éénduizend zevenhonderd en zevenenzestig euro en negenentachtig eurocent), Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    T-shirt € 24,95;

  • -

    broek € 89,95;

  • -

    schoenen € 139,95;

  • -

    eigen risico zorgverzekering € 360,--;

  • -

    reiskosten € 53,19;

  • -

    Biodermal litteken crème € 82,35

  • -

    contributie fitness p.m.

  • -

    parkeerkosten € 17,50

  • -

    immateriële schade € 1000,--.

De immateriële schade is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het meer subsidiair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn tot na te melden bedragen voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 254,85 (kleding en schoenen) en

€ 82,35 ( Biodermal litteken crème). De immateriële schade wijst de rechtbank toe tot een bedrag van € 500,--. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde immateriële schade is door de benadeelde partij voor een gedeelte van € 500,-- en de materiële schade voor een gedeelte van € 430,69 telkens niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn vordering op die punten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de rechtbank de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat gedeelte slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door voormeld feit is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 27 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    meer subsidiair: poging tot zware mishandeling;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het meer subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 272 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd (één van) de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen na deze uitspraak meldt bij de reclassering Nederland op het adres Schouwburgplein 15 te Almelo en dat hij zich hierna zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd voor agressieregulatieproblematiek in combinatie met alcoholgebruik, onder behandeling zal stellen van JusTact of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling, aan de benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd, van een bedrag van € 837,20;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake het meer subsidiair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 837,20 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 16 (zestien) dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 930,69 niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. M. Melaard en

mr. C.C.S Koppes, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL05QB-2014076387 van 2 september 2014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2014, inhoudende de verklaring van verdachte.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 29 juli 2014, pagina’s 28 t/m 31.

4 Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van verhoor van getuige [getuige 2], van 5 november 2014.