Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6132

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
AWB 14/2649
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De bestuursrechter wijst het verzoek tot een voorlopige voorziening voor de omgevingsvergunning van het bouwen van een varkensstal in Raalte af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2649

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2],

wonende te Raalte, verzoekers,

gemachtigde: mr. D. Pool,

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte,

verweerder,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Varkenshandel [varkenshandel] V.O.F., te Raalte.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2014 heeft verweerder aan Varkenshandel [varkenshandel] V.O.F. te Raalte een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een varkensstal met luchtwasser op het perceel [adres] te Raalte en ten behoeve van het wijzigen van de inrichting op dit perceel.

Bij uitspraak van 26 september 2014 (Awb 14/2124 en 14/2125) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Bij besluit van 30 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder wederom aan Varkenshandel [varkenshandel] V.O.F. te Raalte een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een varkensstal met luchtwasser op het perceel [adres] te Raalte en ten behoeve van het wijzigen van de inrichting op dit perceel. De omgevingsvergunning is ter inzage gelegd van 10 oktober 2014 tot en met 21 november 2014.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 14/2648. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft desgevraagd Varkenshandel [varkenshandel] V.O.F., hierna te noemen derde partij, in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan dit geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door mr. A.T. Onbelet, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.M. Legebeke en A.B. Willegenburg. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], bijgestaan door B.H. Wopereis.

Overwegingen

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Ter zitting is gebleken dat de derde partij voornemens is om zo spoedig mogelijk een begin te maken met de bouw van de varkensstal op het perceel [adres] te Raalte, zo de weersomstandigheden dit toelaten nog eind deze maand. Nu hiervan sprake is, is dan ook sprake van onverwijlde spoed, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de eerdere uitspraak van 26 september 2014 (Awb 14/2124 en 14/2125) reeds een oordeel is gegeven over dit bouwplan en over de beoogde wijziging van de inrichting van de derde partij. De voorzieningenrechter heeft bij deze uitspraak het beroep (Awb 14/2125) met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tegen de uitspraak van 26 september 2014 is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze onherroepelijk is geworden. De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling van dit verzoek dan ook uitgaan van hetgeen in voornoemde uitspraak van 26 september 2014 is overwogen.

Bij voornoemde uitspraak van 26 september 2014 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het besluit van 7 juli 2014, dat in die procedure ter toetsing voorlag, een aantal gebreken bevatte. Ten aanzien van een aantal gebreken heeft de voorzieningenrechter toen geoordeeld dat deze herstelbaar waren. Omdat, in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:12, eerste lid, en 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb in de publicatie van het voornemen om een omgevingsvergunning te verlenen, noch in de publicatie van het besluit waarbij de omgevingsvergunning was verleend, vermeld was dat de omgevingsvergunning tevens betrekking had op de activiteit ‘het afwijken van het bestemmingsplan’ en dit gebrek niet hangende beroep kon worden hersteld, heeft de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 juli 2014 vernietigd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat voorafgaand aan het thans bestreden besluit niet opnieuw toepassing is gegeven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in zoverre weliswaar sprake van een gebrek in de besluitvorming, maar dit gebrek kan, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1210), met toepassing van artikel 6:22 van de Awb buiten beschouwing worden gelaten indien aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Niet gebleken dat verzoekers door het niet opnieuw toepassing geven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb in hun belangen zijn geschaad. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat een volledige inhoudelijke afweging, van alle betrokken belangen, ook ten aanzien van de activiteit “het afwijken van het bestemmingsplan”, heeft plaatsgevonden en dat verzoekers ook reeds eerder, voorafgaand aan het nemen van het besluit van 7 juli 2014 en naar aanleiding van dat besluit, hun standpunt naar voren hebben kunnen brengen en zij van deze mogelijkheid ook daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt. Voor zover zij alsnog nieuwe gronden willen aanvoeren, is dat in het kader van het aan dit verzoek connexe beroep alsnog mogelijk.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat thans, anders dan bij het besluit van 7 juli 2014, wel moet worden aangenomen dat het ook andere belanghebbenden bekend kan zijn dat de verleende omgevingsvergunning ook betrekking heeft op de activiteit ‘het afwijken van het bestemmingplan’, aangezien hiervan thans wel melding is gemaakt in de publicatie van het bestreden besluit. Doordat het bestreden besluit op correcte wijze is gepubliceerd en ter inzage is gelegd, kunnen andere belanghebbenden weten dat beroep kan worden ingesteld tegen het bestreden besluit. De omstandigheid dat alleen aan eventuele belanghebbenden binnen een straal van 500 meter rondom de inrichting en niet aan anderen een brief is gestuurd waarin mededeling is gedaan van de verleende omgevingsvergunning, kan aan het voorgaande niet afdoen, aangezien deze brief een onverplichte extra service van verweerder is geweest, naast de wettelijk voorgeschreven publicatie en terinzagelegging van het bestreden besluit.

Bij de voorzieningenrechter noch bij partijen is bekend of anderen dan verzoekers beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit dan wel of anderen voornemens zijn om beroep in te stellen. Onder deze omstandigheden kan thans ook niet worden beoordeeld of andere belanghebbenden zijn benadeeld door het niet opnieuw toepassing geven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb. Eerst indien vaststaat dat andere belanghebbenden beroep hebben ingesteld kan worden nagegaan of hun belangen hierdoor zijn geschaad.

Verzoekers hebben in het kader van dit verzoek om een voorlopige voorziening geen andere gronden aangevoerd dan dat ten onrechte niet opnieuw toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Hierbij komt dat ter zitting namens verweerder is verklaard dat alle in de uitspraak van 26 september 2014 geconstateerde gebreken bij het thans bestreden besluit hersteld zijn.

Het verzoek om een voorlopige voorziening dient daarom te worden afgewezen.

Ter zitting is gebleken dat verzoekers voornemens zijn om de gronden van hun beroep nog nader aan te vullen. Reeds daarom bestaat voor het onmiddellijk doen van uitspraak in de hoofdzaak, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, geen aanleiding.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.