Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6004

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
08/955360-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 61-jarige man uit Overdinkel voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval in Losser. De man verleende op een kruising geen voorrang aan een fietser. Het slachtoffer overleed aan de gevolgen van het ongeluk.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een aaneenschakeling van inschattingsfouten aan de zijde van verdachte. Hij was bekend met de situatie ter plaatse. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij de fietser twee keer heeft gezien. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gereden.

De rechtbank legt een taakstraf op van 80 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/955360-14

Datum vonnis: 12 november 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1953 in [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij de heer [slachtoffer] om het leven is gekomen, dan wel zich zodanig heeft gedragen dat er gevaar of hinder op de weg is ontstaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 16 mei 2014 te Overdinkel, gemeente Losser, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Drielandweg, ter hoogte van de kruising van de die weg met de Beerninksweg, roekeloos, in elk geval zeer althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,


terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd en/of

terwijl hij een voor hem, verdachte, van rechts komende fietser op de Beerninksweg had waargenomen, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op die fietser en/of het voor hem gelegen gedeelte van die weg en/of die kruising heef gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate en/of te laat heeft verminderd en/of aangepast aan die fietser en/of het overige verkeer, en/of

(vervolgens) de kruising is opgereden zonder daarbij voorrang te verlenen aan die op de Beerninksweg (voor verdachte van rechts komende) fietser, en/of

(daarbij) niet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg en/of kruising kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fietser, ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 16 mei 2014 te Overdinkel, gemeente Losser, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Drielandweg, ter hoogte van de kruising van die weg met de Beerninksweg,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of

terwijl hij een voor hem, verdachte, van rechts komende fietser op de Beerninksweg had waargenomen, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op die fietser en/of het voor hem gelegen gedeelte van die weg en/of die kruising heef gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate en/of te laat heeft verminderd en/of aangepast aan die fietser en/of het overige verkeer, en/of

(vervolgens) de kruising is opgereden zonder daarbij voorrang te verlenen aan die op de Beerninksweg (voor verdachte van rechts komende) fietser, en/of

(daarbij) niet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg en/of de kruising kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fietser, ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het primair tenlastegelegde te veroordelen tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De feiten die niet ter discussie staan

De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.

Op 16 mei 2014 reed verdachte in een Volkswagen Caddy op de Drielandweg in Overdinkel, terwijl op dat moment een fietser, de heer [slachtoffer], op de Beerninksweg te Overdinkel reed. Beiden naderden de kruising van genoemde wegen. Verdachte heeft geen voorrang verleend aan de van rechts komende fietser en heeft hem op de kruising van de Drielandweg met de Beerninksweg aangereden. De heer [slachtoffer], is op 16 mei 2014 dientengevolge overleden.

5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Daartoe heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte telkens verkeerde beslissingen heeft genomen, nu verdachte de van rechts komende fietser wel heeft gezien, maar vervolgens onvoldoende heeft afgeremd om op de verkeerssituatie te anticiperen en vervolgens nog eens onvoldoende heeft geremd om de aanrijding te voorkomen. Verdachte heeft aldus aanmerkelijk onvoorzichtig gereden, waardoor de heer [slachtoffer] is overleden.



Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte de snelheid van de fietser verkeerd heeft ingeschat en geen voorrang heeft verleend aan de fietser. Dergelijke verkeersgedragingen, neerkomend op een enkele inschattingsfout, dienen niet te worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), maar slechts als overtreding van artikel 5 WVW 1994.

5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Gelet op het bepaalde in artikel 6 WVW 1994 dient de rechtbank vast te stellen of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander is komen te overlijden. Daarvoor moet worden beoordeeld of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of één enkele verkeersovertreding voldoende is om een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid aan te nemen. Daarvoor dient te worden gekeken naar het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft geen voorrang verleend aan een van rechts komende verkeersdeelnemer. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte goed bekend was met de situatie ter plaatse, dat de verdachte de van rechts komende fietser heeft gezien, dat verdachte schat dat hij tussen de 30 en 40 kilometer per uur heeft gereden en dat hij op dat moment nog meende dat hij nog vóór de fietser de kruising van de Drielandweg met de Beerninksweg zou kunnen oversteken. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment snelheid verminderde. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de fietser daarna nogmaals heeft gezien, maar dat een aanrijding op dat moment al onvermijdelijk was. In de beleving van verdachte had de fietser zijn snelheid verhoogd, waarop verdachte nogmaals heeft geremd. Op het moment dat verdachte de kruising opreed, bevond de fietser zich op enkele meters van verdachte. Verdachte heeft toen nogmaals geremd en naar links gestuurd. Verdachte is met de rechter voorzijde van de auto tegen de fiets van de heer [slachtoffer] gebotst.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een aaneenschakeling van inschattingsfouten aan de zijde van verdachte, ten gevolge waarvan de aanrijding heeft plaatsgevonden en de heer [slachtoffer] is komen te overlijden. Verdachte was bekend met de situatie ter plaatse. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij de fietser twee keer heeft gezien. De eerste keer, terwijl de fietser zich nog op ruime afstand van de kruising bevond en de tweede keer toen een aanrijding niet meer te voorkomen was. Verdachte heeft, gelet op de situatie ter plaatse met vrij zicht op de kruising en het naderende verkeer, ruimschoots de gelegenheid gehad om zijn voertuig stil te zetten, althans in ieder geval zijn snelheid zodanig aan te passen dat hij niet in aanrijding zou komen met de hem kruisende fietser. Uit het vorenstaande blijkt dat verdachte niet op de fietser is blijven letten, nadat hij hem de eerste keer zag bij het naderen van de kruising. Daardoor heeft hij onvoldoende geanticipeerd op het naderen van de fietser, door niet tijdig zijn snelheid aan te passen en voorrang te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor geschilderde omstandigheden dat er, anders dan de raadsvrouw betoogde, geen sprake is van een moment van onachtzaamheid, maar van enkele forse verkeersfouten, te weten onvoldoende visuele nacontrole op de, op zichzelf tijdig waargenomen, fietser; het onvoldoende aanpassen van de snelheid bij het naderen van de gelijkwaardige kruising en het niet tijdig tot stilstand brengen van de auto. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gereden en daarmee schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 mei 2014 te Overdinkel, gemeente Losser, als verkeersdeelnemer, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Drielandweg, ter hoogte van de kruising van die weg met de Beerninksweg, aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd en terwijl hij een voor hem, verdachte, van rechts komende fietser op de Beerninksweg had waargenomen, daarbij niet op die fietser is blijven letten, en daarbij zijn snelheid in onvoldoende mate of te laat heeft verminderd of aangepast aan die fietser, en vervolgens de kruising is opgereden zonder daarbij voorrang te verlenen aan die op de Beerninksweg voor verdachte van rechts komende fietser, en

daarbij niet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg en kruising kon overzien en waarover deze vrij was, en vervolgens in aanrijding is gekomen met die fietser, ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] werd gedood.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 6 WVW 1994 in samenhang met artikel 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen zoals onder 3 is weergegeven.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte, in geval van bewezenverklaring, verweer gevoerd tegen het opleggen van een taakstraf. Daartoe heeft de raadsvrouw gesteld dat, hoewel verdachte bereid is een taakstraf te verrichten en hij zich graag nuttig maakt, hij niet in staat is om een taakstraf te verrichten omdat zijn ernstig zieke echtgenote niet alleen thuis kan zijn. De raadsvrouw acht een geldboete in de gegeven omstandigheden passender.

Overwegingen van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft als bestuurder van een auto een verkeersongeval veroorzaakt. Als gevolg van dat verkeersongeval is de heer [slachtoffer] komen te overlijden. Door verdachtes handelen is aan de nabestaanden van de heer [slachtoffer] onherstelbaar leed toegebracht. Een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, zal dit leed niet ongedaan kunnen maken. Strafoplegging dient bovendien te geschieden, niet alleen met inachtneming van de, in dit geval desastreuze, gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar ook en vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte.

Als uitgangspunt voor strafbare feiten als de onderhavige dient te worden gekeken naar hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank er, in het voordeel van verdachte, rekening mee dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie. De rechtbank acht, gelet op genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, een taakstraf van 80 uren passend en geboden. Indien verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Voorts acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, gelet op de ernst van het feit, in beginsel een ontzegging van de rijbevoegdheid van een (1) jaar passend en geboden. De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werkplek te kunnen bereiken en om zijn ernstig zieke vrouw van en naar doktersafspraken te vervoeren. De rechtbank zal de ontzegging van de rijbevoegdheid daarom geheel voorwaardelijk opleggen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr en artikel 179 WVW 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

    het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 80 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

  • -

    ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van één (1) jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M. Melaard en

mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL05YF-2014050171. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Proces-verbaal aanrijding misdrijf, pagina’s 3 tot en met 7, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 16 mei 2014 reed verdachte in zijn personenauto over de Drielandweg te Overdinkel. Datzelfde moment fietste het slachtoffer [slachtoffer] op zijn fiets over de Beerninksweg. Op de kruising van wegen gevormd door de Drielandweg met de Beerninksweg verleende verdachte geen vrije doorgang voor de voor hem van rechts komende fietser. Ondanks remmen en een uitwijkende beweging naar links volgde een aanrijding.

2.

Verslag van de ggd-arts betreffende een niet-natuurlijke dood, 17 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] is overleden door fors hersenletsel.

3.

Proces-verbaal van de Dienst VerkeersOngevalsAnalyse, BVH-nummer 2014050171, voor zover inhoudende:

Uit het door mij ingestelde onderzoek is komen vast te staan dat:

[…]

2. de bestuurder van de VW vlak voor het botspunt heeft geremd;

3. de bestuurder van de VW vlak voor het botspunt naar links is uitgeweken;

4. de bestuurder van de VW zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen;

5. de bestuurder van de VW geen voorrang heeft verleend aan de voor hem van rechts komende fietser;

6. de fietser ten gevolge van de verwondingen, opgelopen tijdens het ongeval, later die dag in het ziekenhuis is overleden

4.

Proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2014, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Het was een overzichtelijke kruising. Ik ken de situatie ter plaatse heel goed. Ik heb de van rechts komende fietser gezien. Ik heb toen geremd. Ik wilde eerst nog voor hem de kruising passeren. Daarna heb ik niet meer in de richting van de fietser gekeken. Toen ik op, of vlak voor, de kruising was, zag ik de fietser weer. Ik heb toen weer geremd. Het kan zijn dat ik daarbij naar links heb gestuurd.

5.

Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, pagina’s 16 tot en met 20, inhoudende, zakelijk weergegeven,:

Ik had goed zicht op de weg en werd niet belemmerd door de zon of afgeleid door iets anders.