Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5829

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
08.955732-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een verkeersovertreding begaan ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een automobilist. Ten gevolge van de aanrijding heeft deze automobilist ernstig letsel opgelopen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van €250,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.955732-13 (P)

Datum vonnis: 4 november 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.J.H. Muurmans en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

schuldig is aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij lichamelijk letsel aan een ander is toegebracht dan wel dat zij geen gevolg heeft gegeven aan een voorrangsbord.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

zij op of omstreeks 16 april 2013 te Dalfsen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus, VW Transporter, kenteken [kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg, de Langsweg, ter hoogte van de kruising van deze weg met de Dalmsholterweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het uitzicht van verdachte op het (voor haar van rechts) naderende verkeer over de Dalmsholterweg (enigszins) werd belemmerd, beperkt en/of gehinderd door een langs de Dalmsholterweg staande bomenrij, en/of

terwijl op de Langsweg voor voormelde kruising een, in verdachtes rijrichting gekeerd, bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst en op het wegdek aldaar haaientanden als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement waren aangebracht, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor haar gelegen weggedeelte van die weg(en) en/of die kruising en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

bij het naderen van die kruising een op de Dalmsholterweg rijdende (voor haar van rechts naderende) personenauto niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of

(vervolgens) die kruising (zonder te stoppen) is opgereden zonder voorrang te verlenen aan een op de Dalmsholterweg rijdende personenauto, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die personenauto,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (mevrouw [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel (gebroken linker bovenbeen en/of gebroken linker knieschijf), althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 16 april 2013 te Dalfsen, als bestuurder/bestuurster van een bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Langsweg, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Dalmsholterweg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers de bestuurder van een op die kruisende weg rijdende personenauto niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn/haar weg te vervolgen, waarbij letsel aan personen ([slachtoffer]) is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

art 62 jo bord B6 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde tot een geldboete van € 350,-- en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

De feiten die niet ter discussie staan

De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.

Op 16 april 2014 heeft op de kruising van de Dalmsholterweg met de Langsweg buiten de bebouwde kom van Dalfsen een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval waren een bedrijfsauto, merk Volkswagen, type Transporter met kenteken [kenteken 1] en een personenauto, merk Opel, type Agila, met kenteken [kenteken 2] betrokken.

Verdachte reed als bestuurster van de Volkswagen over de Langsweg, in de richting van de kruising van deze weg met de Dalmsholterweg en was voornemens de Dalmsholterweg dwars over te steken.

Verdachte moest blijkens het vlak voor de kruising geplaatste bord model B6 en de, gezien de in haar richting vlak voor de Dalmsholterweg aangebrachte haaietanden, voorrang verlenen aan verkeer dat over de Dalmsholterweg reed.

Gekomen bij de kruising van de Langsweg met de Dalmsholterweg verleende verdachte geen voorrang aan de haar van rechts naderende Opel. De rechter voorzijde van haar Volkswagen botste vervolgens tegen de linker voorzijde van de Opel. Door de botskracht werd de voorzijde van de Volkswagen naar links weg gedrukt en draaide dit voertuig linksom. Na de botsing botste de voorzijde van de Opel tegen de metalen brugleuning waarna dit voertuig de, ten noorden van de Langsweg gelegen, Dalmsholter Waterleiding in gleed en op de bodem daarvan tot stilstand kwam. De auto van verdachte gleed met de achterzijde de Dalmsholter Waterleiding in en kwam gedeeltelijk in deze waterleiding en gedeeltelijk op het talud van deze watergang tot stilstand.

Bij de aanrijding raakte de bestuurster van de Opel gewond. Zij heeft haar linker bovenbeen en linker knieschijf gebroken. De breuk in het linker bovenbeen is operatief met een pen behandeld. De breuk in de linker knieschijf is met een loopkoker gefixeerd.

5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit de bewijsmiddelen kan volgens de officier van justitie worden afgeleid dat sprake is van aanmerkelijke onoplettendheid omdat verdachte de gevaarlijke voorrangskruising goed kende waardoor van haar mocht worden verwacht dat zij extra goed oplette, hetgeen zij heeft nagelaten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij wist dat zij een gevaarlijke voorrangsweg moest kruisen, dat zij daarom langzaam op de kruising is afgereden, vervolgens heeft gekeken of er verkeer naderde, maar desondanks de naderende auto niet heeft gezien.

De rechtbank ontwaart hierin het verweer dat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de door de verdachte bij de politie en ter terechtzitting afgelegde verklaringen blijkt dat verdachte over de Dalmsholterweg heeft gereden, dat zij voor de voorrangskruising haar snelheid heeft aangepast in die zin dat zij langzaam heeft gereden, dat zij heeft gekeken of er verkeer naderde en dat zij vervolgens de kruising is opgereden. Daar is verdachte in aanrijding gekomen met de auto van het slachtoffer die haar van rechts naderde.

De rechtbank acht deze door de verdachte afgelegde verklaring aannemelijk, nu er geen concrete aanknopingspunten zijn om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door haar afgelegde verklaring te twijfelen en haar verklaring, voor wat betreft de door haar gereden snelheid wordt ondersteund door de door de getuige [getuige] afgelegde verklaring die ten tijde van het ongeluk achter de auto van het slachtoffer reed.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met voornoemde handelwijze in onvoldoende mate de voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht die redelijkerwijs van de bestuurder van een motorrijtuig in bedoelde omstandigheden mag worden verwacht. Voor schuld in de zin van artikel 6 van de WVW, zoals primair ten laste is gelegd, is echter meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Er moet op zijn minst sprake zijn van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Een tijdelijk moment van onoplettendheid in het verkeer of een enkele verkeersfout zonder bijkomende bijzondere omstandigheden zijn voor het aannemen van schuld onvoldoende. De schuld moet blijken uit het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit enkel de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte ‘aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend’ heeft gereden. Vastgesteld kan worden dat verdachte vaart heeft geminderd bij het naderen van de kruising tot een snelheid van 20 a 30 kilometer per uur. Uit de enkele omstandigheid dat verdachte vervolgens de in de auto van rechts naderende [slachtoffer] over het hoofd heeft gezien bij het oversteken van de kruising kan aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid niet volgen. De omstandigheid dat verdachte goed bekend was met dit gevaarlijke punt maakt niet zonder meer dat dit zou moeten leiden tot de vaststelling van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder primair ten laste gelegde.

Het subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, bord B6, te weten de verkeersovertreding: het niet verlenen van voorrang.

Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een bedrijfsauto tegen een voor haar van rechts komende, over de Dalmsholterweg rijdende en voorrangsgerechtigde automobilist is aangereden en aldus geen gevolg heeft gegeven aan het voor haar op die plaats geldende gebod om die automobilist in staat te stellen ongehinderd zijn weg te vervolgen.

Omdat ten aanzien van dit feit sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering zal de rechtbank in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 16 april 2013 te Dalfsen, als bestuurster van een bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Langsweg, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Dalmsholterweg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers de bestuurder van een op die kruisende weg rijdende personenauto niet in staat heeft gesteld ongehinderd haar weg te vervolgen waarbij letsel aan personen ([slachtoffer]) is ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 62 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 Sr.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Subsidiair:

Overtreding van het bepaalde bij artikel 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 jo. bord B6 van bijlage I bij voornoemd Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft een verkeersovertreding begaan ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een automobilist. Ten gevolge van de aanrijding heeft [slachtoffer] ernstig letsel opgelopen.

Hoewel de bewezenverklaring niet verder gaat dan die enkele verkeersovertreding, dienen de gevolgen naar het oordeel van het rechtbank, als behorende tot de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, wel in de strafoplegging tot uitdrukking te komen.

De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat het ongeval en de gevolgen daarvan grote indruk op verdachte hebben gemaakt en dat zij contact met het slachtoffer heeft gezocht. De

rechtbank laat dat in positieve zin meewegen bij de strafoplegging. Voorst laat de rechtbank ten voordele van verdachte wegen dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Alles afwegend zal de rechtbank verdachte als straf opleggen een geldboete van € 250,--. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het subsidiair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    Overtreding van het bepaalde bij artikel 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 jo. bord B6 van bijlage I bij voornoemd Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 250,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Leentjes, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. L.J.C.

Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar

uitgesproken op 4 november 2014.

Mr. E. Leentjes voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland, team Dalfsen-Ommen met nummer PL04DO 2013030682. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

subsidiair: het niet verlenen van voorrang.

  • -

    De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 oktober 2014.

  • -

    Het proces-verbaal van verhoor benadeelde, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], pagina’s 6 en 7;

  • -

    Het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, BVH-Nummer 2013-030682, d.d. 6 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie.

  • -

    De letselrapportage van GGD IJsselland met betrekking tot [slachtoffer], pagina’s 16 tot en met 18.