Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5810

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-11-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
08/996005-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte jarenlang schuldig gemaakt aan belastingfraude. Daardoor is voor de Belastingdienst een financieel nadeel van € 235.565,- ontstaan. De rechtbank veroordeelt hen tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2616

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996005-12

Datum vonnis: 3 november 2014

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Bollen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo bijgestaan door haar kantoorgenoot mr. J.W. Bosman, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 12 februari 2009 tot en met 25 mei 2011 als feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd mb.t. koopovereenkomsten, montage- opleverbonnen en facturen;

feit 2: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2011 als feitelijke leidinggevende van [bedrijf 1] BV samen met anderen opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan;

feit 3: in de periode van 1 maart 2009 tot en met 28 januari 2011 als feitelijk leidinggevende van [bedrijf 2] BV samen met anderen opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan;

feit 4: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 januari 2011 als feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] BV samen met anderen opzettelijk onjuiste aangiften loonbelasting heeft gedaan;

feit 5: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 als feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV samen met anderen opzettelijk geen juiste administratie heeft gevoerd als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

[bedrijf 1] B.V. en/of De [bedrijf 2] B.V. op een of meer verschillende

tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 februari 2009 tot en met 25 mei

2011 te Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een

of meer ander(e) rechtsperso(o)nen en/of een of meer ander(en), althans samen

en/of alleen, (onder meer) koopovereenkomst(en) en/of montage opleverbon(nen)

en/of een factuur (D-068 en/of D-092 en/of D-029-2/2 en/of D-164 en/of Dl62

en/of D-232-7/7 en/of D-022 en/of D-056-2/6), elk zijnde een geschrift dat

bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft

opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of vervalst en/of doen

vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben die rechtspersoon [bedrijf 1]

[bedrijf 1] B.V. en/of De [bedrijf 2] B.V. en/of haar mededader(s) valselijk en/of

in strijd met de waarheid:

- op de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] 3.V. en [naam 1] d.d. 12 februari

2009 (D-068), vermeld dat de totaalprijs 2.640,00 euro is, terwijl in

werkelijkheid de totaalprijs 5.040,00 euro is (D-069) en/of

- op de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] B.V. en [naam 2] d.d. 7

december 2009 (D-092), vermeld dat de totaalprijs 2.000,00 euro is, terwijl

in werkelijkheid de totaalprijs 3.000,00 euro is (D-084) en/of

- op de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] B.V. en [naam 3] d.d. 13

februari 2010 (D-029-2/2), vermeld dat de totaalprijs (incl. BTW) 2.200,00

euro is, terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 3.600,00 euro is en/of

- op de montage opleverbon van [bedrijf 1] B.V. aan [naam 4] d.d. 13 maart 2010

(D-l64), vermeld dat er 1.000,00 euro is voldaan, terwijl er in

werkelijkheid 3.400,00 euro is betaald (D-124) en/of

- op de montage opleverbon van [bedrijf 1] BV aan [naam 5] d.d. 29 mei 2010

(D-162), vermeld dat er 2.100,00 euro is bezahlt, terwijl er in

werkelijkheid 3.900,00 euro is betaald en/of

- op de koopovereenkomst tussen De [bedrijf 2] BV en [naam 6] d.d. 10

augustus 2010 (D-232-7/7), vermeld dat de totaalprijs (incl. BTW) 3.900,00

euro is, terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 5.000,00 euro (+ 1.500,00

euro) is en/of

- op de factuur ten name van [naam 7] d.d. 17 september 2010 (D-022),

vermeld dat totaal inclusief BTW 1.500,00 euro is, terwijl in werkelijkheid

de totaalprijs 3.500,00 euro is (D-057) en/of

- op de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] BV en [naam 8] d.d. 24 september

2010 (D-056-2/6), vermeld dat de totaalprijs (incl. BTW) 6.250,00 euro is,

terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 11.250,00 euro is (D-048-2/3)

zulks (telkens) met het oogmerk om die koopovereenkomst(en) en/of montage

opleverbon(nen) en/of factuur, als echt en onvervalst te gebruiken en/of door

anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten (telkens)

opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en);

Artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

[bedrijf 1] B.V. op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de

periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2011, te Apeldoorn en/of

Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met De

[bedrijf 2] B.V. en/of een of meer ander(e) rechtsperso(o)n(en) en/of een

of meer ander(en) , althans alleen, (telkens) opzettelijk als ondernemer, in de

zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, (een) bij de belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, over de

maanden januari 2009 tot en met juni 2009 en/of het derde kwartaal 2009 tot en

met het vierde kwartaal 2010, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de

Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst Enschede, terwijl die feiten/dat

feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in de

(elektronische) aangifte(n) betreffende die maand(en) en/of kwarta(a)len

gelegen in de jaren 2009 en 2010 (telkens) een te laag bedrag aan omzet en/of

een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting was vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten (telkens)

opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en);

Artikel 69 lid 2 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

Artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

3.

De [bedrijf 2] B.V. op een of meer verschillende tijdstippen in of

omstreeks de periode vanaf 1 maart 2009 tot en met 28 januari 2011, te

Apeldoorn en/of Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met [bedrijf 1] B.V. en/of een of meer ander(e) rechtsperso(o)n(en) en/of een

of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk als ondernemer, in de

zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, (een) bij de belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, over de

maanden maart 2009 en/of juni 2009 en/of het derde kwartaal 2009 en/of het

eerste kwartaal 2010 en/of het vierde kwartaal 2010, onjuist of onvolledig

heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst Enschede,

terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig

belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in de

(elektronische) aangifte(n) betreffende die maand(en) en/of kwarta(a)l(en)

gelegen in de jaren 2009 en 2010 (telkens) een te laag bedrag aan omzet en/of

een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting was vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten (telkens)

opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en)

Artikel 69 lid 2 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

Artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

4.

[bedrijf 1] B.V. op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de

periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 27 januari 2011, te Apeldoorn en/of

Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met De

[bedrijf 2] B.V. en/of een of meer ander(e) rechtsperso(o)n(en) en/of een

of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk als

inhoudingsplichtige, in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, (een) bij

de belastingwet voorziene aangifte (n), als bedoeld in de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, te weten de aangifte(n) loonheffing(en), over de maanden

januari 2009 tot en met december 2010, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij

de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst Enschede, terwijl die

feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd

geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in de

(elektronische) aangifte(n) betreffende die maand(en) gelegen in de jaren 2009

en 2010 (telkens) een te laag bedrag aan lo(o)n(en) en/of een lager bedrag aan

af te dragen loonheffing was vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten (telkens)

opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en)

Artikel 69 lid 2 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

Artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

5.

[bedrijf 1] B.V. en/of De [bedrijf 2] B.V. in de periode van 1 januari 2009

tot en met 31 december 2010 te Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met een of meer ander(e) rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer

ander(en), althans samen en/of alleen, (telkens) opzettelijk, als

administratieplichtige(n) als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, verplicht waren/was tot het voeren van een administratie

overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen,

opzettelijk (een) zodanige administratie(s) niet overeenkomstig die eisen

heeft gevoerd, terwijl die feiten/dat feit ertoe strekt dat te weinig

belasting werd geheven,

hebbende het niet voeren van (een) zodanige administratie(s) (in ieder geval)

hierin bestaan dat er geen volledige en/of gescheiden en/of gespecificeerde

kasadministratie per administratieplichtige en/of geen volledig(e) en/of

gescheiden en/of gespecificeerde loonadministratie per administratieplichtige

werd(en) bijgehouden en/of klus(sen) niet en/of niet voor het volledige bedrag

werden opgenomen in de administratie(s) en/of geen omzet van een of meer

klant(en) in de adminstratie(s) werden opgenomen en/of geen (sluitende)

kilometeradministratie(s) van een of meer auto(’s) (58-XH-HL en/of 03-KVD-l)

werd (en) bij gehouden,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten (telkens)

opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en)

Artikel 68 lid 2 ahf/ond d Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond d Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

4 De voorvragen

4.1

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging, omdat er sprake is geweest van détournement de pouvoir. De raadsvrouw voert daartoe, in meer algemene bewoordingen samengevat, aan dat tijdens het strafrechtelijk onderzoek jegens verdachte de controlebevoegdheden van de Belastingdienst zijn gebruikt ten behoeve van de opsporing. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat de controlerende ambtenaar reeds vóór de start van het boekenonderzoek beschikte over CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid) informatie, een klikbrief en over informatie dat men vermoedde dat er op zaterdag werd gewerkt en dat er derhalve reeds sprake was van een verdenking van een strafbaar feit. In elk geval, zo stelt de raadsvrouw, heeft de controlerende ambtenaar van de Belastingdienst nagelaten zijn onderzoek tijdig te staken, namelijk op het moment waarop hij over dusdanige informatie beschikte dat moest worden geconcludeerd dat er sprake was van een redelijk vermoeden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan strafbare feiten. Meer concreet heeft de raadsvrouw, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat vanaf juni 2010 via de CIE van de Belastingdienst/FIOD vijf tips zijn binnen gekomen waarbij melding werd gemaakt van zwarte omzet bij de bedrijven van verdachte. Deze tips zijn besproken in het selectieoverleg van 7 september 2010 waarin werd geconcludeerd dat de informatie te weinig specifiek was om een redelijk vermoeden van schuld op te leveren. Deze conclusie zou zijn getrokken ondanks dat de informatie destijds is verstrekt vanuit de overtuiging dat deze voldoende was voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek.

Op basis van deze CIE info is de Belastingdienst later het boekenonderzoek gestart bij [bedrijf 1] BV, waarbij alsnog de verdenking is gerezen dat verdachte (en zijn bedrijf) zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan valsheid in geschrift en het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van bij de belastingwet voorziene aangifte(n). Genoemde CIE informatie heeft de controlerend ambtenaar van de Belastingdienst echter in strijd met de Wet Politiegegevens bereikt en had derhalve helemaal niet door hem gebruikt mogen worden. Vervolgens zijn er, aldus de raadsvrouw, tijdens het boekenonderzoek diverse momenten geweest waarop de controlerende ambtenaar had moeten besluiten om met het boekenonderzoek te stoppen: op het moment dat de informatie uit de klikbrief bekend werd, of toch in elk geval op het moment waarop de medeverdachte [medeverdachte 1] de inlichting verschafte dat er amper op zaterdagen werd gewerkt, terwijl uit de black box-info van de bedrijfsbusjes bleek dat deze busjes met grote regelmaat op zaterdag reden. Ook toen is het boekenonderzoek niet stopgezet, men is informatie blijven opvragen. (Mede) op basis van deze informatie en nieuwe CIE informatie heeft de FIOD geconcludeerd tot een redelijk vermoeden van schuld op basis waarvan de FIOD in mei 2011 een strafrechtelijk onderzoek is gestart. Er is sprake geweest van een sfeercumulatie, waarbij zowel bestuursrechtelijk toezicht als strafrechtelijk optreden heeft plaatsgevonden. Dat is, aldus de raadsvrouw, niet geoorloofd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van détournement de pouvoir en dat ook overigens niet is gebleken van schending van de beginselen van een goede procesorde. Volgens de officier van justitie is er louter gevraagd om inlichtingen over materiaal dat onafhankelijk van de wil van de verdachte bestond. Het is vaste jurisprudentie dat controlebevoegdheden – voor zover deze niet de verklaringsplicht van verdachte betreffen – ook tijdens het opsporingsonderzoek gebruikt mogen worden. De officier van justitie is van mening dat het verweer, inhoudende dat sfeerovergang eerder had dienen plaats te vinden, moet worden verworpen. De verdachte is door de handelingen die voortvloeien uit het boekenonderzoek niet in zijn belangen geschaad, omdat het resultaat daarvan geen afgedwongen bewijsmateriaal betreft.

Overwegingen van de rechtbank

Voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie is volgens vaste jurisprudentie slechts plaats indien sprake is geweest van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Aan artikel 29 Sv ligt het belangrijke beginsel ten grondslag dat niemand verplicht kan worden of gedwongen kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Het nemo tenetur beginsel houdt in dat een verdachte geen bewijs tegen zichzelf hoeft te leveren, maar volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is in het Nederlandse recht niet het beginsel of recht verankerd dat de verdachte op generlei wijze zou mogen worden verplicht tot medewerking aan het verkrijgen van mogelijk belastend bewijsmateriaal.

Het nemo tenetur beginsel is in zijn algemeenheid niet van toepassing op stukken die onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaan. Daarover bestaat, zo begrijpt de rechtbank de verweren, ook geen discussie. Het verweer ziet slechts op de stukken die verdachte, al dan niet op verzoek van de controlerende ambtenaren van de Belastingdienst, tijdens het door hen ingestelde boekenonderzoek bij zijn bedrijven heeft moeten produceren.

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 21 december 2010 (ECLI:NL:HR:201:BL0666) overwogen dat in geval van het gedwongen afgeven van stukken voor de vraag of het nemo tenetur beginsel geschonden is, beslissend is: “of het gebruik tot het bewijs van een in een document vervatte verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen”.

In zijn arrest van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640) heeft de Hoge Raad nog overwogen dat voor zover sprake is van afgedwongen bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige, verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Dergelijk materiaal dat door de belastingplichtige moet worden verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.

In de verklaring die de getuige [getuige] van de Belastingdienst tegenover de rechter commissaris belast met de behandeling van strafzaken heeft afgelegd geeft de getuige aan dat er drie redenen waren voor het boekenonderzoek door de Belastingdienst, te weten:

- er was uit een eerder onderzoek gebleken dat niet voldaan was aan de bewaarplicht;

- er waren klikbrieven;

- er was CIE informatie.

Daarbij heeft de getuige ook aangegeven dat hij tijdens een boekenonderzoek altijd bestanden van blackboxen, plannings-, financiële- overzichten, urenroosters opvraagt.

De rechtbank constateert dat het zo verkregen materiaal niet afhankelijk is van de wil van de verdachte en mag worden gebruikt als bewijsmiddel in de strafvervolging tegen verdachte. Dat er bewijsmateriaal is afgedwongen waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige is niet gebleken.

In dat verband kan hooguit de verklaring van de controller [medeverdachte 1], in het kader van het boekenonderzoek tegenover de controlerend ambtenaar afgelegd – voor zover die verklaring moet worden gezien als een namens de belastingplichtige rechtspersonen afgelegde verklaring –, waarin [medeverdachte 1] verklaart dat er in de bedrijven zelden op zaterdag wordt gewerkt, worden aangemerkt als een verklaring waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige. [medeverdachte 1] had op dat moment de cautie moeten worden gegeven. Gelet op de hiervoor vermelde jurisprudentie moet een dergelijke verklaring van het bewijs worden uitgesloten. Tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leidt dit niet.

Sfeerovergang van bestuursrechtelijk toezicht naar strafrechtelijk optreden

De verdediging is van mening dat een keuze had moeten worden gemaakt tussen bestuursrecht en strafrecht en dat sfeercumulatie, waarbij sprake is van zowel bestuursrechtelijk toezicht als strafrechtelijk optreden, niet geoorloofd is. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Recentelijk heeft de Hoge Raad nog geoordeeld (ECLI:NL:HR:2014:135) dat het bestaan van een verdenking niet in de weg staat aan het uitoefenen van controlebevoegdheden, mits daarbij de aan verdachte als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat niet is gebleken van ongeoorloofde sfeerovergang of sfeercumulatie. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek (opsporing) kan het toezicht (controle) gewoon doorgaan en blijven de bevoegdheden van de toezichthouder bestaan.

Voorts concludeert de rechtbank dat – behoudens het hiervoor overwogene met betrekking tot de in het kader van het boekenonderzoek afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] – niet is gebleken van strijd met het in aan artikel 29 Sv ten grondslag liggend beginsel dat een verdachte niet kan worden verplicht tot het afleggen van een verklaring omtrent betrokkenheid bij een strafbaar feit.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van détournement de pouvoir. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan vervolging van de verdachte in de weg staan, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging.

4.2

De overige voorvragen

De rechtbank heeft overigens vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten

bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte van feit 5 op het onderdeel niet bijhouden van een sluitende kilometer administratie moet worden vrijgesproken nu nergens uit blijkt dat deze niet juist zouden zijn bijgehouden en het bewijs alleen op vermoedens is gebaseerd en niet op feitelijkheden.

Voorts stelt de raadsvrouw dat het benadelingsbedrag fors lager is geweest dan door de FIOD is berekend. Daarnaast heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte geen persoonlijk gewin heeft gehad maar dat men juist zo heeft gehandeld om het bedrijf in zware economische tijden overeind te houden.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat zij de overige tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen acht.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Algemeen

[bedrijf 1] BV is een bedrijf dat zich bezig houdt met de handel en verkoop in kunststof kozijnen. Volgens de Kamer van Koophandel voor Oost Nederland is de enige aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] BV de vennootschap [bedrijf 3] BV.

De bestuurders en aandeelhouders van [bedrijf 3] BV zijn de vennootschappen

[bedrijf 4] BV en [bedrijf 5] BV. Dit zijn de persoonlijke

vennootschappen van respectievelijk de verdachte [verdachte 1] en medeverdachte [verdachte 2].

De [bedrijf 2] BV houdt zich eveneens bezig met de handel en verkoop van kunststof kozijnen. De verdachte en medeverdachte [verdachte 2] zijn via hun persoonlijke vennootschappen tevens de mede-eigenaren en bestuurders van het bedrijf De [bedrijf 2] BV. Tevens treedt vanaf 23-07-2010 [bedrijf 6] BV op als bestuurder met de titel vennootschapsdirecteur voor de vennootschap.

Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 6] BV is de medeverdachte [medeverdachte 2]. In de periode van 31-08-2006 tot en met 23-07-2010 was [bedrijf 7] Beheer BV bestuurder en medeaandeelhouder van de vennootschap De [bedrijf 2] BV.

Dit betreft de persoonlijke vennootschap van de medeverdachte [verdachte 3].

Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat de ondernemingen [bedrijf 1] BV

en De [bedrijf 2] BV niet alleen in de aandeelhouderssfeer, maar ook zakelijk

gezien, in elkaar overlopen.

Dat de bedrijfsvoering van beide ondernemingen door de directie van [bedrijf 1] BV

en De [bedrijf 2] BV niet strikt gescheiden is gehouden komt o.a. naar voren bij:

- koopovereenkomsten die zijn opgemaakt op naam van De [bedrijf 2] BV maar

worden verantwoord bij [bedrijf 1] BV:

- betalingen uit de ‘zwarte kas [medeverdachte 1]” welke betrekking hebben op werknemers

van zowel [bedrijf 1] BV als De [bedrijf 2] BV;

- betalingen uit de “zwarte kas [verdachte 2]” welke betrekking hebben op werknemers

van zowel [bedrijf 1] BV als De [bedrijf 2] BV;

- verkopers en monteurs in dienst van De [bedrijf 2] BV die ook voor [bedrijf 1]

[bedrijf 1] BV werken (en omgekeerd)

- de vestiging van beide bedrijven op hetzelfde adres. Het adres van De [bedrijf 2] BV betreft enkel een postadres;

- de verklaringen van de controller [medeverdachte 1] en assistent-controller [naam 9] waaruit

naar voren komt dat de administratieve organisatie van beide bedrijven door dezelfde personen wordt verricht en op dezelfde wijze is ingericht.

Volgens diverse verklaringen is De [bedrijf 2] BV alleen opgericht om klanten tebenaderen die niet kochten bij [bedrijf 1] BV. Vervolgens werden deze klanten met een lagere offerte opnieuw benaderd via De [bedrijf 2] BV.

Werkwijze

Uit het strafrechtelijk onderzoek komt voorts naar voren dat op initiatief van de medeverdachte [verdachte 2] en verdachte dat naast de reguliere werkwijze, dat is de binnen de ondernemingen met het personeel afgesproken werkwijze, een afwijkende stroom aan koopovereenkomsten is ontstaan.

Door de verkopers van [bedrijf 1] BV en De [bedrijf 2] BV worden klussen

aangenomen bij klanten. Van de klussen wordt een verkoopovereenkomst gemaakt tussen [bedrijf 1] BV. of De [bedrijf 2] B.V en de klant. In deze verkoopovereenkomst wordt onder meer aangegeven hoeveel kozijnen geplaatst gaan worden. Tevens wordt een totaalprijs voor de klus vermeld en de wijze van betaling/financiering. Van de verkoopovereenkomst blijft een doordruk achter bij de klant. Tevens wordt door de verkoper een afschrift van de verkoopovereenkomst aan de administratie van [bedrijf 1] BV/ De

[bedrijf 2] BV verstrekt. Deze werkwijze wordt door de werknemers aangemerkt

als de reguliere werkwijze.

Uit het onderzoek komt naar voren dat er ook wordt afgeweken van de hierboven beschreven reguliere werkwijze. Dit doet zich voor bij die orders welke (gedeeltelijk) buiten de administratie blijven. Bij deze orders gaan de verkoopovereenkomsten volgens de verkopers niet naar de administratie, maar gaan de orders naar medeverdachte [verdachte 2]. Het personeel van [bedrijf 1] BV/De [bedrijf 2] BV heeft verklaard dat de afwijkende werkwijze op initiatief van de directeuren [verdachte 1] en [verdachte 2] is ontstaan.

Alle klussen worden ter vastlegging van de juiste afmetingen ingemeten door de inmeter. Na inmeting krijgt de werkvoorbereiding vervolgens door welke klussen ingepland en geproduceerd moeten worden. Bij de reguliere klussen komt de order via de route administratie, inmeter, administratie, terecht bij de werkvoorbereiding.

Als er sprake is van de afwijkende werkwijze dan komen de klussen via de route medeverdachte [verdachte 2], inmeter, [verdachte 2] terecht bij de werkvoorbereiding. In opdracht van medeverdachte [verdachte 2] worden deze klussen voornamelijk op zaterdag uitgevoerd.

De reguliere werkwijze is dat bij de tekening het debiteurnummer van de klant wordt vermeld. Dit debiteurnummer is door de administratie aan de order meegegeven. Tevens

wordt bij alle inkopen, welke voor deze order benodigd zijn, het debiteurnummer

meegegeven als kenmerk. Dit om achteraf op klantniveau na te kunnen calculeren.

Bij de klussen welke via verdachte bij de werkvoorbereiding worden aangeleverd is dit

niet mogelijk omdat deze orders geen debiteurnummer hebben. Bij deze klussen wordt

daarom een aparte nummering gehanteerd of worden inkopen onder de naam showroom

verricht.

Door de werkvoorbereiding worden de klussen welke via medeverdachte [verdachte 2] worden aangeleverd niet in de normale planning meegenomen. Deze klussen worden voornamelijk op zaterdag ingepland of op een moment dat er doordeweeks ruimte ontstaat omdat een

andere klus eerder klaar is.

Voor de loonbetalingen binnen [bedrijf 1] BV en De [bedrijf 2] BV wordt

normaal gesproken steeds gebruik gemaakt van overschrijvingen naar bank- en

girorekeningen van de werknemers.

Voor de klussen op zaterdag is dat anders. De monteurs krijgen de klussen, welke zij op

zaterdag uitvoeren, contant uitbetaald. Deze betalingen blijven volgens de verklaring van controller [medeverdachte 1] buiten de administratie van [bedrijf 1] BV en De [bedrijf 2] BV. Van een gedeelte van deze betalingen is door de controller een handgeschreven zwarte kas bijgehouden. In deze kas wordt volgens de controller geld gestort door met name medeverdachte [verdachte 2].

Dit alles heeft geresulteerd in valsheid in geschrift met betrekking tot koopovereenkomsten, montage-opleverbonnen en facturen, onjuiste aangiften omzetbelasting, onjuiste aangiften loonbelasting en schending van de administratieplicht.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, behoudens het verwijt omtrent onvolledige kilometeradministratie.

Het verweer ten aanzien van feit 5, inhoudende dat verdachte moet worden vrijgesproken van een niet sluitende kilometer administratie wordt verworpen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich hier aan wel schuldig heeft gemaakt.

Uit de verklaring van de controle ambtenaar [naam 10] van de Belastingdienst valt op te maken dat verdachte en zijn medeverdachte [verdachte 2] tijdens de boekencontrole niet gevraagde stukken betreffende de rittenadministratie hebben aangeleverd.

Uit de verklaring van de assistent controller [naam 9] blijkt dat verdachte en de medeverdachte [verdachte 2] een beperkte rittenadministratie bij hem hebben ingeleverd die niet correspondeerde met de werkelijkheid. [naam 9] moest deze rittenadministratie controleren op de punten waarop de fiscus dat ook zou doen. Toen [naam 9] onregelmatigheden constateerde moest hij in de rittenadministratie de aangepaste agenda’s van verdachte en de medeverdachte [verdachte 2] verwerken. Mede gelet ook op de tijdens de doorzoeking aangetroffen rittenstaten en mailberichten is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de medeverdachte [verdachte 2] opzettelijk niet aan de administratieplicht als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hebben voldaan, door geen deugdelijke en juiste rittenadministratie bij te houden, waardoor te weinig belasting is geheven.

De rechtbank acht evenals de officier van justitie alle vijf ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[bedrijf 1] BV en De [bedrijf 2] BV in periode van 12 februari 2009 tot en met 25 mei 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, onder meer koopovereenkomsten en montage opleverbonnen en een factuur, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft

opgemaakt, immers hebben die rechtspersoon [bedrijf 1] BV en De [bedrijf 2] BV en haar mededaders valselijk en in strijd met de waarheid:

- op de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] BV en [naam 1] d.d. 12 februari 2009 vermeld dat de totaalprijs 2.640,00 euro is, terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 5.040,00 euro is en

- op de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] BV en [naam 2] d.d. 7 december 2009 vermeld dat de totaalprijs 2.000,00 euro is, terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 3.000,00 euro is en

- op de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] BV en [naam 3] d.d. 13 februari 2010 vermeld dat de totaalprijs (incl. BTW) 2.200,00 euro is, terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 3.600,00 euro is en

- op de montage opleverbon van [bedrijf 1] BV aan [naam 4] d.d. 13 maart 2010 vermeld dat er 1.000,00 euro is voldaan, terwijl er in werkelijkheid 3.400,00 euro is betaald en

- op de montage opleverbon van [bedrijf 1] BV aan [naam 5] d.d. 29 mei 2010 vermeld dat er 2.100,00 euro is bezahlt, terwijl er in werkelijkheid 3.900,00 euro is betaald en

- op de koopovereenkomst tussen De [bedrijf 2] BV en [naam 6] d.d. 10 augustus 2010 vermeld dat de totaalprijs (incl. BTW) 3.900,00 euro is, terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 5.000,00 euro (+ 1.500,00 euro) is en

- op de factuur ten name van [naam 7] d.d. 17 september 2010 vermeld dat totaal inclusief BTW 1.500,00 euro is, terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 3.500,00 euro is en

- op de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] BV en [naam 8] d.d. 24 september

2010 vermeld dat de totaalprijs (incl. BTW) 6.250,00 euro is, terwijl in werkelijkheid de totaalprijs 11.250,00 euro is zulks telkens met het oogmerk om die koopovereenkomsten en montage opleverbonnen en factuur, als echt en onvervalst te gebruiken,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

2.

[bedrijf 1] BV in de periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met De [bedrijf 2] BV en anderen, telkens opzettelijk als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, over de maanden januari 2009 tot en met juni 2009 en het derde kwartaal 2009 tot en met het vierde kwartaal 2010, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst Enschede, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende die maanden en kwartalen gelegen in de jaren 2009 en 2010 telkens een te laag bedrag aan omzet en een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting was vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

3.

De [bedrijf 2] BV in de periode vanaf 1 maart 2009 tot en met 28 januari 2011

in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] BV en anderen, telkens opzettelijk als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, over de maanden maart 2009 en juni 2009 en het derde kwartaal 2009 en het eerste kwartaal 2010 en het vierde kwartaal 2010, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst Enschede, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende die maanden en kwartalen gelegen in de jaren 2009 en 2010 telkens een te laag bedrag aan omzet en een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting was vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

4.

[bedrijf 1] BV in de periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 27 januari 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met De [bedrijf 2] BV en anderen, telkens opzettelijk als inhoudingsplichtige, in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, bij

de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, te weten de aangiften loonheffing over de maanden januari 2009 tot en met december 2010, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst Enschede, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangiften betreffende die maanden gelegen in de jaren 2009 en 2010 telkens een te laag bedrag aan loon en een lager bedrag aan af te dragen loonheffing was vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

5.

[bedrijf 1] BV en De [bedrijf 2] BV in de periode van 1 januari 2009

tot en met 31 december 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk, als administratieplichtigen als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verplicht waren tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk zodanige administraties niet overeenkomstig die eisen heeft gevoerd, terwijl dit feit ertoe strekt dat te weinig belasting werd geheven, hebbende het niet voeren van zodanige administraties in ieder geval hierin bestaan dat er geen volledige en gescheiden en gespecificeerde kasadministratie per administratieplichtige en geen volledige en gescheiden en gespecificeerde loonadministratie per administratieplichtige

werd bijgehouden en klussen niet voor het volledige bedrag werden opgenomen in de administraties en geen omzet van klanten in de administraties werden opgenomen en geen sluitende kilometeradministratie van auto’s werd bij gehouden,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikel 225 Sr en de artikelen 68 en 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon terwijl verdachte aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2, feit 3 en feit 4

telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon terwijl verdachte aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf: medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen voeren, een zodanige administratie niet voeren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon terwijl verdachte aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij samen met de medeverdachte [verdachte 2] de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Hij heeft daarbij aangegeven een “verkeerde” keuze te hebben gemaakt, maar dit te hebben gedaan om zijn bedrijven een betere concurrentiepositie te verschaffen in een moeilijke economische tijd. Met de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten is komen vast te staan dat deze door verdachte als hiervoor omschreven “verkeerde keuze” is uitgemond in een langdurige stelselmatige opeenstapeling van de ene op de andere falsificatie, waarbij van het eigen administratief personeel werd verlangd hieraan mee te werken.

Hoewel niet is komen vast te staan dat de fraude is gepleegd ter persoonlijke verrijking van verdachte, had verdachte wel degelijk een eigen belang dat hem tot zijn daden bracht. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zijn bedrijven de grootste van Nederland moesten worden. Daarom was het voor verdachte van belang om het bedrijf met alle middelen in een betere onderhandelingspositie te verschaffen ten opzichte van de concurrentie, desnoods door middel van het plegen van fraude. Nergens komt naar voren dat verdachte zich bekommerde om de belangen van de van zijn bedrijf afhankelijke personeelsleden die hij betrok bij strafbare feiten. Daarnaast komt uit het dossier naar voren dat binnen het bedrijf is geprobeerd het laakbaar handelen te verdoezelen voor de Belastingdienst door te knoeien met klantendossiers en wijzigingen aan te brengen in de daarin opgenomen bescheiden. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank gaat bij de strafbepaling uit van het financieel nadeel dat ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten bij de Belastingdienst is ontstaan. De rechtbank gaat daarbij uit van de nota van berekening die in het proces-verbaal onder AH-105 is opgenomen, voor zover daarin het belastingnadeel ter zake van omzetbelasting en loonbelasting over de jaren 2009 en 2010 is berekend aan de hand van uitgangspunten die zijn grondslag vinden in de bevindingen uit het strafdossier. Het gaat daarbij om een bedrag van € 235.565,-.

De rechtbank gaat daarbij, anders dan de officier van justitie, uit van het totaalbedrag van het berekenende nadeel en verdeelt dat niet tussen verdachte en zijn mededader.

In dit verband heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Deze geven bij een benadelingsbedrag van€ 125.000,-- tot € 250.000,-- een gevangenisstraf aan van 9 tot 12 maanden.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feiten met justitie in aanraking is geweest en zal daarom een deel van de straf voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 51 en 91 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:


feit 1

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon terwijl verdachte aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2, feit 3 en feit 4

telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon terwijl verdachte aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf: medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen voeren, een zodanige administratie niet voeren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon terwijl verdachte aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. H. Stam en mr. F.H.W. Teekman, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2014.