Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5771

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
Awb 14/2283
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek handhavend op te treden tegen voetbalkooi in Dalfsen door voorizneingenrechter afgewezen. Geen strijd met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2283

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , te Dalfsen, verzoekers,

(gemachtigde: mr. H.J. Schaatsbergen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben verweerder op 9 april 2014 verzocht om handhavend op te treden tegen – wat zij aanduiden als – een sportveld (verder te duiden als: voetbalkooi) op een perceel grond gelegen direct naast hun perceel [adres] te Dalfsen.

Bij brief van 28 augustus 2014 heeft verweerder aan de gemachtigde van verzoekers mee-gedeeld dat er een geluidsonderzoek zal worden uitgevoerd en voorts dat de voetbalkooi niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan “Kern Dalfsen 2010” (hierna: het bestemmingsplan).

Verzoekers hebben tegen de inhoud van deze brief – voor zover daarbij is geconcludeerd dat er geen strijd is met het bestemmingsplan – bezwaar gemaakt. Zij hebben de voor-zieningenrechter voorts verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het gebruik van de voetbalkooi wordt gestaakt totdat daarover in een eventuele bodemprocedure definitief is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoor-digen door zijn gemachtigden mr. A. Klink en W. Busscher.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij ondragelijke geluidsoverlast van de voetbal-kooi met kunstgras, doelen en hoge hekwerken, ondervinden en verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat er geen strijd met het bestemmingsplan bestaat.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een speelvoorziening en er geen strijd met het bestemmingsplan is. Dit geldt ook voor het hekwerk en de doelen die naar het oordeel van verweerder ten dienste van de bestemming zijn geplaatst.

3. Verzoekers hebben ter zitting toegelicht dat zij vanaf juni 2012 in diverse gesprekken geprobeerd hebben met de oudervereniging van de basisschool De Polhaar, [adres] te Dalfsen, tot een aanvaardbare oplossing te komen en na het mislukken hiervan zich op 26 januari 2014 tot verweerder hebben gewend met (uiteindelijk) het verzoek handhavend op te treden. Voorts hebben zij gesteld dat de overlast – die zich dagelijks voor doet – is toegenomen nadat de speeltoestellen (die daar eerder stonden) zijn verwijderd en het speelterrein als voetbalveld/kunstgrasveld/voetbalkooi is ingericht en aangelegd.

De voorzieningenrechter is, gelet op de voorgeschiedenis van overleg en de gestelde en niet weersproken in de loop van de tijd steeds verder toegenomen overlast, dat verzoekers een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening niet kunnen worden ontzegd, zulks ondanks dat de gewijzigde inrichting van het speelveld al in 2013 heeft plaatsgevonden.

4. De voorzieningenrechter dient allereerst vast te stellen of de brief van 28 augustus 2014 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers hun handhavingsverzoek hebben gebaseerd op meerdere grondslagen, waaronder strijd met het bestemmingsplan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de diverse grondslagen afzonderlijk van elkaar leiden tot een handhavingsbesluit. Ter zitting hebben partijen met deze voorlopige conclusie ingestemd. De gemachtigden van verweerder hebben het in de brief van 28 augustus 2014 ingenomen standpunt dat de voetbalkooi binnen het bestemmingsplan past, nogmaals bevestigd en geconcludeerd dat daarmee een definitief oordeel is gegeven, inhoudende de weigering van het verzoek om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de voetbalkooi wegens strijd met het bestemmingsplan. Op grond hiervan beschouwt de voorzieningenrechter deze brief – voor zover hierop betrekking hebbend – naar voorlopig oordeel als een besluit in de zin van de Awb, waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat. Bij brief van 2 september 2014 hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek een voorlopige voorziening te treffen ontvankelijk is.

5. In artikel 15.1 van het vigerende bestemmingsplan “Kern Dalfsen 2012” (verder: het bestemmingsplan) is bepaald dat de voor Groen aangewezen gronden bestemd zijn voor:

a. groenvoorzieningen, paden, speelvoorzieningen, parkeerstroken en waterhuishoudkundige voorzieningen;

b. nutsvoorzieningen;

c. evenement;

d. ter plaatse van de aanduiding “sportveld”, tevens een sportveld;

e. ter plaatste van de aanduiding “speelvoorziening”, tevens een speelvoorziening.

In dit kader dient de voorzieningenrechter allereerst de vraag te beantwoorden of de voetbalkooi past binnen de bestemming Groen.

Vast staat dat het begrip “speelvoorziening(en)” niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd, zodat de voorzieningenrechter voor de uitleg van dit begrip op grond van vaste jurisprudentie aansluiting heeft gezocht bij de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gegeven.

In een uitspraak van 16 januari 2014, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RVS:2014:163, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) overwogen dat volgens het normale spraakgebruik onder een speelgelegenheid in dat geval diende te worden verstaan een in de openbare ruimte – buiten – gelegen gelegenheid om te kunnen spelen, waaronder de speelkooi kon worden begrepen. Voorts heeft de AbRS in een uitspraak van 9 april 2014, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RVS:2014:1216, geoordeeld dat een kunstgrasvoetbalveld als een speelvoorziening mag worden beschouwd.

De voorzieningenrechter heeft geen argumenten gevonden – ook niet in die door verzoekers naar voren zijn gebracht – om in de onderhavige procedure niet aan te sluiten bij de hiervoor vermelde uitspraken van de AbRS. Gelet daarop is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat een speelvoorziening is gerealiseerd op de strook openbaar groen tussen het woonhuis van verzoekers en het schoolplein van basisschool “De Polhaar”.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat in het bestemmingsplan aan deze groenstrook geen aanduiding is toegekend. Voorlopig oordelend volgt de voorzieningenrechter verweerder in zijn standpunt dat het reeds op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en sub a, van het bestemmingsplan mogelijk is een speelvoorziening op de betreffende groenstrook te realiseren. Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat het hekwerk en de doelen ten dienste van de bestemming zijn geplaatst nu deze onderdeel uit maken van de geplaatste voetbalkooi als speelvoorziening en voorts dat de hoogte van het hekwerk de maximale hoogte niet overschrijdt.

De beantwoording van de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en sub sub e, van het bestemmingsplan, zulks op zichzelf en voorts in relatie tot het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en sub a, van het bestemmingsplan leent zich niet voor een procedure zoals de onderhavige, zodat de voorzieningenrechter deze vraag in dit stadium onbeantwoord laat.

7. Op grond van al het vorenstaande bestaat de verwachting dat de als besluit aan te merken brief van 28 augustus 2014, voor zover inhoudend de weigering van het verzoek om wegens strijd met het bestemmingsplan handhavend op te treden, in bezwaar in stand zal blijven, zodat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding bestaat.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.