Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5770

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
C/08/162838 / KG ZA 14-350
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gebod tot hervatting van de onderhandelingen in kort geding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/162838 / KG ZA 14-350

datum vonnis: 31 oktober 2014 (sr)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Medicenter Delden B.V.,

gevestigd te Delden,

verder te noemen Medicenter Delden,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [eiser 2],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [eiser 3],

eisers,

advocaat: mr. T. Kressin te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bergplan Vastgoedontwikkeling B.V.,

gevestigd te Bergambacht,

verder te noemen Bergplan Vastgoedontwikkeling,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Thoon Vastgoed I B.V.,

gevestigd te Hengelo (O),

verder te noemen Thoon Vastgoed I,

gedaagden,

advocaat: mr. A.A. Marcus te Rotterdam.

1 Het procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 7 producties,

  • -

    producties 1 t/m 10 aan de zijde van gedaagden,

  • -

    producties 8a t/m 30 aan de zijde van eisers,

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 oktober 2014,

  • -

    de pleitnota van eisers,

  • -

    de pleitnota van gedaagden.

1.2

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1

Medicenter Delden is sinds 2012 eigenaar van een voormalig schoolgebouw aan de Averinkstraat 30 in Delden. Medicenter Delden heeft drie aandeelhouders, te weten [eiser 3], huisarts te Delden, [eiser 2] via zijn vennootschap [X] en mevrouw [Y].

2.2

Medicenter Delden heeft het voormalig schoolgebouw in eigendom verworven met het doel dit pand na een ingrijpende verbouwing als eerstelijns gezondheidscentrum te exploiteren. De belangrijkste huurders zouden [eiser 3] en de heer [Z], echtgenoot van mevrouw [Y], zijn. [eiser 2], die tevens bestuurder van bouw- en aannemingsmaatschappij [V] is, zou de verbouwing uitvoeren. Door het wegvallen van de heer [Z] als beoogd huurder zijn begin 2013 de financiering en de bouwwerkzaamheden echter stop gezet. Medicenter Delden trachtte hierop andere huurders voor het project te vinden, zodat alsnog het beoogde gezondheidscentrum kon worden gerealiseerd.

2.3

In het kader hiervan is ook gesproken met de overige huisartsen in Delden, die aan de coöperatie Thoon (Twentse Huisartsen Onderneming Oost Nederland) de opdracht hadden gegeven eveneens de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een eerstelijns gezondheidscentrum te Delden te onderzoeken. Thoon werkt voor dat doel samen met VZG Project Holding B.V. (verder te noemen: VZG). Bergplan Vastgoedontwikkeling legt zich toe op de ontwikkeling van zorgvastgoed. Binnen het verband van VZG treedt zij op als gedelegeerd projectontwikkelaar. Thoon Vastgoed I is een vastgoed vennootschap waarin Thoon vastgoed zal gaan onderbrengen, dat zij realiseert ten behoeve van de bij haar aangesloten huisartsen.

2.4

Eind 2013 hebben gesprekken plaats gevonden tussen Medicenter Delden en het aannemingsbedrijf van [eiser 2] enerzijds en VZG anderzijds. Dit resulteerde in de ondertekening van een intentieverklaring op 25 november 2013. Kern van deze intentieverklaring was dat aan VZG exclusiviteit werd gegeven voor de tijd die zij nodig had om te onderzoeken of het mogelijk en zinvol was om alle huisartsenpraktijken in het pand aan de Averinkstraat te Delden te vestigen. Hierbij was het de bedoeling dat Thoon of een door haar te benoemen vennootschap de eigendom van het pand van Medicenter Delden zou verwerven en dat vervolgens een aannemingsovereenkomst met bouw- en aannemingsbedrijf [V] zou worden gesloten voor de bouw van het centrum.

2.5

Vervolgoverleg heeft geleid tot een op 10 april 2014 tussen partijen getekende intentieverklaring (verder te noemen: de intentieverklaring). Kern van deze intentieverklaring was dat Thoon Vastgoed I in beginsel alle aandelen van Medicenter Delden zou overnemen, omdat op deze wijze een aan Medicenter Delden verstrekte subsidie kon worden veilig gesteld. Daarnaast zou bouw- en aannemingsmaatschappij [V] als eerste de mogelijkheid verkrijgen de bouw- en aannemingsovereenkomst te sluiten. Mocht de overeenkomst niet tot stand komen, dan zouden Thoon Vastgoed I en Bergplan Vastgoedontwikkeling aan bouw- en aannemingsmaatschappij [V] een bedrag van € 179.866,92 betalen, hetgeen gelijk was aan de vordering die laatstgenoemd bedrijf op Medicenter Delden had.

2.6

In artikel A.3 van de intentieverklaring is het volgende bepaald, waarbij MCD Medicenter Delden is:

“3. De onder 1 en 2 beschreven, alternatieve, transacties worden beoogd teneinde bovengenoemd zorgcentrum zo snel mogelijk te kunnen realiseren en om overeenkomsten aan te gaan die nodig zijn voor de realisatie van het zorgcentrum op voorwaarde dat alle bovengenoemde kritische succesfactoren zijn ingevuld. Meer specifiek dienen ten behoeve van beide transacties de volgende voorwaarden te worden vervuld:

  1. Het bereiken van volledige overeenstemming tussen Bergplan en Thoon enerzijds en alle aandeelhouders van MCD, c.q. MCD anderzijds over de condities en voorwaarden van de beoogde (koop)overeenkomst (hetzij ten aanzien van de verwerving van de aandelen, hetzij ten aanzien van de verwerving van het Perceel c.a.);

  2. het bereiken van volledige overeenstemming (door tussenkomst van Bergplan) tussen de huisartsen en (in de sub 1 beschreven transactie) Medicenter Delden B.V. hetzij (in de sub 2 beschreven transactie) Thoon of een door haar aan te wijzen gelieerde vennootschap huurovereenkomsten voor een periode van 10 jaar tegen een huurprijs van € 150,- (excl. prijsindexatie) aangaan. (…).

  3. Een nieuwe (Bergplan neemt uitdrukkelijk niet de thans tussen Bouw- en Aannemingsmij. [V] en MCD bestaande aannemingsovereenkomst over) aannemingsovereenkomst tussen Bergplan en Bouw- en Aannemingsmij. [V] met betrekking tot het turn-key opleveren van het zorgcentrum conform de bestaande plannen en de nader in bouwteamverband daarop aan te brengen en nog uit te werken wijzigingen voor een nader tussen Bergplan en Bouw- en Aannemingsmij. [V] overeen te komen bedrag aan directe bouwkosten. (….).

  4. (in de sub 2 beschreven transactie) toestemming van de hypotheekhouder voor de verkoop van het vastgoed en royement van de daarop rustende hypotheek.

  5. Overeenstemming tussen de hypotheekhouder en de aandeelhouders van Medicenter Delden BV over de betaling cq financiering van de restschuld van Medicenter Delden BV aan de hypotheekhouder.

  6. Uit de uitkomst van de het door Thoon/Bergplan uitgevoerde Due Dilligence blijkt de tot op heden door MCD, [eiser 2] en [eiser 3] verstrekte informatie materieel juist en volledig is en de uitkomsten van het Due Dilligence onderzoek zijn voor Thoon en Bergplan bevredigend.

2.6

In artikel B 8.1 van de intentieverklaring is het volgende bepaald:

“8.1 De onderhandelingen mogen worden beëindigd:

a. door elk van Partijen indien:

niet uiterlijk op 30 april 2014 de onder A.3 sub i) t/m vi) bedoelde voorwaarden zijn vervuld;

indien niet langer uitzicht bestaat dat er bij te goeder trouw onderhandelen door Partijen definitief overeenstemming kan worden bereikt over een van de transacties en bijbehorende overeenkomsten;

door MCD wanneer Bergplan en Thoon, ook na het doen uitgaan van een ingebrekestelling waarin een redelijke termijn wordt gesteld om alsnog aan hun verplichtingen te voldoen, niet aan hun verplichtingen genoemd in artikel B.3 voldoen.”

2.7

Na het tekenen van de intentieverklaring hebben partijen intensief onderhandeld.

2.8

Bij brief van 29 september 2014 heeft Thoon Vastgoed I aan Medicenter Delden, [eiser 2] en [eiser 3] medegedeeld de onderhandeling op de voet van het bepaalde in artikel 8 van de intentieverklaring te beëindigen.

3 Het geschil

3.1

Eisers vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:

- gedaagden hoofdelijk te bevelen om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, de onderhandelingen met Medicenter Delden en bouw- en aannemingsmaatschappij [V] gedurende een in goede justitie te bepalen redelijke termijn te hervatten en deze onderhandelingen op basis van de afspraken zoals neergelegd in de intentieovereenkomst en de wederzijds geaccordeerde koopovereenkomst te goeder trouw en voorts op redelijke en billijke basis voort te zetten;

- gedaagden hoofdelijk te bevelen om binnen achtenveertig uur na betekening van dit vonnis aan Medicenter Delden schriftelijk te verklaren of zij de met de vier huisartsenpraktijken gesloten huurovereenkomsten met betrekking tot het pand Averinkstraat 30 te Delden zal nakomen;

- het voornoemde te bevelen op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2

Eisers stellen daartoe -kort gezegd- dat het gedaagden niet meer vrij stond de onderhandelingen te beëindigen. Op basis van de afspraken en mede op basis van de eisen van de redelijkheid en billijkheid zijn gedaagden verplicht de onderhandelingen voort te zetten. Wanneer tijdens die onderhandelingen niet blijkt van enig beletsel dat niet voor hun eigen rekening komt, zijn gedaagden verplicht de bij de transactie betrokken overeenkomsten, met name de koopovereenkomst en de bouwteamovereenkomst, ook af te sluiten. De in de brief van 29 september 2014 genoemde redenen voor de beëindiging van de onderhandelingen zijn onjuist. Voorts vorderen eisers dat gedaagden verklaren of zij de met de huisartsen gesloten overeenkomsten nog wel zullen nakomen. Het achterwege laten van het geven van deze helderheid belet eisers in het nemen van schadebeperkende maatregelen.

3.3

Gedaagden voeren verweer. Op dit verweer wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van het gevorderde.

4.2

Ten aanzien van de vraag of het gedaagden vrij stond de onderhandelingen af te breken, overweegt de voorzieningenrechter dat het uitgangspunt is dat in beginsel ieder van de onderhandelende partijen vrij is om de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met haar eigen gerechtvaardigde belangen.

4.3

Gedaagden hebben allereerst gesteld dat zij de onderhandelingen hebben beëindigd omdat binnen de in de intentieverklaring genoemde termijn (die door partijen laatstelijk is verlengd tot en met 7 juli 2014) geen definitieve overeenstemming over de integrale transactie werd bereikt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat enkel het verstrijken van de in de intentieverklaring genoemde termijn geen reden voor beëindiging van de onderhandelingen kan zijn, nu partijen na het verstrijken van deze termijn nog hebben dooronderhandeld. Dat dit onverplicht gebeurde, zoals gedaagden hebben betoogd, doet -wat hier ook van zij- hieraan niet af. De voorzieningenrechter acht wel van belang of (al dan niet binnen de in de intentieverklaring genoemde termijn) definitieve overeenstemming is bereikt over de integrale transactie. Partijen verschillen hierbij van mening over de vraag of aan de voorwaarden genoemd onder in artikel A.3 van de intentieverklaring (zoals vermeld in rechtsoverweging 2.6) is voldaan.

4.4

De eerste voorwaarde betreft het bereiken van volledige overeenstemming over de aandelenkoopovereenkomst. Volgens eisers bestaat deze overeenstemming sinds juli 2014, hetgeen gedaagden hebben betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen in het geding gebrachte concept koopovereenkomst d.d. 11 juli 2014 het definitieve concept is, waar volledige overeenstemming over bestond. Uit de e-mail van mr. Marcus van 1 augustus 2014 aan partijen blijkt dat de documentatie voor de aandelentransactie tussen Thoon Vastgoed I enerzijds en [eiser 3] en [eiser 2] Beheer anderzijds nagenoeg was afgerond. Voorafgaand aan deze transactie zou verkoop en levering moeten plaatsvinden van de aandelen van mevrouw [Y] aan [eiser 3] en [eiser 2] Beheer. De daarvoor benodigde documenten dienden nog te worden opgesteld. Echter, mevrouw [Y] heeft nadien te kennen gegeven alsnog tot de koopovereenkomst te willen toetreden. Onder meer om die reden is in de eerste week van september 2014 een nieuw concept koopovereenkomst opgesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook niet is vast komen te staan dat thans volledige overeenstemming bestaat over laatstgenoemd concept van september. Zo heeft mr. Marcus bij e-mail van 8 september 2014 laten weten dat hij de in artikel 22 van het concept aangegeven verplichtingen, die niet gelden voor mevrouw [Y], nog verder moet beoordelen en wijst hij op een aanpassing die in ieder geval volgens hem nog moet worden gemaakt. Onduidelijk is wat met deze opmerkingen is gedaan.

4.5

De tweede voorwaarde was het bereiken van volledige overeenstemming over en het ondertekenen van de huurovereenkomsten met de huisartsen. Door eiser is onweersproken gesteld dat in april 2014 een viertal huurovereenkomsten is getekend tussen Thoon Vastgoed I en ieder van de vier huisartsenpraktijken, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan deze voorwaarde is voldaan.

4.6

De derde voorwaarde betreft het sluiten van een aannemingsovereenkomst met aannemingsmaatschappij [V]. Volgens eisers was in juli 2014 de planning onvoldoende ver gevorderd om tot sluiting van deze overeenkomst over te kunnen gaan. Niet in geschil is dat deze eis dan ook vervangen is door het sluiten van een bouwteamovereenkomst. Eisers hebben een concept bouwteamovereenkomst d.d. 30 juni 2014 overgelegd en stellen dat over de inhoud hiervan nagenoeg volledige overeenstemming bestond, hetgeen gedaagden hebben betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen in het geding gebrachte concept bouwteamovereenkomst het concept is, waar nagenoeg volledige overeenstemming over bestond.

Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat mr. Marcus in zijn e-mail van 1 augustus 2014 aan partijen mededeelt dat de bouwteamovereenkomst nog definitief tussen partijen dient te worden afgestemd. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de stukken is gebleken dat eisers bij e-mail van 11 augustus 2014 een aangepast concept van de bouwteamovereenkomst aan gedaagden hebben gezonden. Uit deze e-mail blijkt dat partijen nog geen overeenstemming hadden over onder meer de parameters op basis waarvan de aanneemsom zou worden gevormd en de oplevertermijn. Ook zijn in het concept van augustus 2014 door beide partijen nog de nodige opmerkingen gemaakt bij verschillende artikelen en is onduidelijk gebleven wat met deze opmerkingen is gedaan.

4.7

De vierde voorwaarde was dat ABN AMRO akkoord was met de voorgenomen transactie. Volgens eisers was deze voorwaarde in juli 2014 vervuld, hetgeen gedaagden hebben betwist. De voorzieningenrechter leidt uit de e-mail d.d. 13 juli 2014 van de heer [K] van ABN AMRO aan partijen af dat er overeenstemming was over het door de bank te verlenen royement van de hypotheek en de kwijting, maar dat ten aanzien van de kwijting de nodige voorbehouden waren gemaakt. Eén en ander moest nog nader worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De heer [K] zou daar in de eerste week van augustus op terugkomen. De vaststellingsovereenkomst is echter pas in de eerste week van september aan partijen gezonden. Uit de e-mail van mr. Marcus van 8 september 2014 blijkt dat hij een aanpassing wenst van de tekst van de vaststellingsovereenkomst. Ook hier is onduidelijk gebleven wat met deze opmerking is gedaan. Ook staat hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans niet vast dat voldaan is aan de vijfde voorwaarde, te weten het bereiken van overeenstemming tussen ABN AMRO en de aandeelhouders van Medicenter Delden over de wijze waarop zij zouden omgaan met de restschuld.

4.8

De zesde voorwaarde was dat gedaagden tevreden zouden zijn over het door hen uitgevoerde boekenonderzoek. Niet in geschil is dat in maart/april 2014 een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden, dat op dat moment voor gedaagden bevredigend was. Echter, op 23 september 2014 ontvingen gedaagden volgens hen “out of the blue” een e-mail van mr. Kressin, waarin hij zich op het standpunt stelde dat zou zijn afgesproken dat de intentieovereenkomsten die Medicenter Delden voor het openen van de onderhandelingen met gedaagden had gesloten, in de vennootschap zouden blijven en dat alle aansprakelijkheden die daaruit voortvloeiden ook voor rekening van de vennootschap zouden zijn. Deze afspraak was volgens gedaagden echter niet gemaakt. Bovendien stellen gedaagden dat de inhoud van deze intentieovereenkomsten hen niet bekend was; de intentieovereenkomsten waren door eisers niet aangeleverd bij de informatie ten behoeve van het due dilligence onderzoek. Eisers stellen daarentegen dat gedaagden reeds vanaf januari 2014 bekend waren met het bestaan van deze intentieovereenkomsten. Het was volgens hen ook uitdrukkelijk de bedoeling dat deze overeenkomsten in stand zouden worden gehouden nu ook gedaagden er belang bij hadden dat deze overeenkomsten tot huurovereenkomsten zouden leiden.

4.9

De voorzieningenrechter stelt voorop dat voldoende aannemelijk is geworden dat gedaagden ten tijde van het ondertekenen van de intentieverklaring bekend waren met het bestaan van de intentieovereenkomsten die Medicenter Delden voor het openen van de onderhandelingen had gesloten. In artikel A.4 van de intentieovereenkomst is immers het volgende bepaald:

“MCD heeft thans met een aantal marktpartijen intentieovereenkomsten gesloten met betrekking tot verhuur van ruimtes in het zorgcentrum.

Zodra overeenstemming is over de sub i) tot en met v) zal MCD in nauwe samenwerking met Bergplan met deze partijen in overleg treden teneinde tot definitieve huurovereenkomsten te komen. (..)”.

Gedaagden hebben echter onweersproken gesteld dat de door Medicenter Delden gesloten intentieovereenkomsten niet waren aangeleverd bij de informatie ten behoeve van het due dilligence onderzoek, terwijl eisers zich op het standpunt stellen dat alle aansprakelijkheden die hieruit zouden voortvloeien voor rekening van de vennootschap zouden zijn. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het verzoek van gedaagden aan eisers om alsnog de intentieovereenkomsten toe te zenden een redelijk verzoek. Dit klemt te meer nu partijen in de intentieverklaring hebben afgesproken dat de overdracht van de vennootschap vrij van alle schulden geschiedt en dat partijen de voorkeur geven aan een transactie waarbij het perceel inclusief alle bijbehorende vergunningen en bouwtekeningen vrij van lasten en verplichtingen richting derden zal worden verkocht. Eisers konden naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet volstaan met het antwoord dat gedaagden eerst de vennootschap moesten kopen en dat eerst daarna de intentieovereenkomsten aan hen zouden worden toegezonden.

4.10

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat zowel op 7 juli 2014 als op 29 september 2014 (het moment van het beëindigen van de onderhandelingen) een groot aantal voorwaarden van de intentieverklaring nog niet definitief waren vervuld. Weliswaar waren partijen elkaar begin juli 2014 dicht genaderd, maar nadien zijn de standpunten verder uit elkaar komen te liggen, waarbij niet kan worden vastgesteld dat zulks komt door onredelijk gedrag van gedaagden.

4.11

Als tweede grond voor de beëindiging van de onderhandelingen hebben gedaagden gesteld dat er geen uitzicht meer op bestond, dat bij onverplicht dooronderhandelen nog overeenstemming over de transactie zou kunnen worden bereikt. Van goede trouw aan de zijde van eisers was immers volgens gedaagden op het moment van het beëindigen van de onderhandelingen al lang geen sprake meer. Eisers betwisten dit en zijn ervan overtuigd dat wanneer partijen weer aan tafel gaan de eventuele issues zeer snel kunnen worden opgeruimd.

4.12

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een begrijpelijk vervolg op de hiervoor gememoreerde gang van zaken is dat -zoals gedaagden er zitting hebben gesteld- het vertrouwen bij de huisartsen is komen te vervallen en dat zij in dit project niet meer wensen samen te werken met eisers. Voorts is voldoende gebleken dat Thoon Vastgoed I ook niet meer wenst samen te werken met eisers in dit project. Aan te nemen valt daarom dat verdere onderhandelingen gedoemd zijn te mislukken en dat verder onderhandelen zinloos is.

4.13

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, de beslissing van gedaagden om de onderhandelingen te beëindigen dragen zonder te handelen in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Ook hebben eisers naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende overige feiten en omstandigheden gesteld die een zodanig zwaarwegend belang aan hun zijde opleveren dat het afbreken van de onderhandelingen op die grond als onaanvaardbaar jegens hen moet worden beschouwd. De slotsom luidt aldus dat de vordering van eisers om gedaagden te bevelen de onderhandelingen met eisers te hervatten moet worden afgewezen.

4.14

Ten aanzien van de vordering gedaagden te bevelen schriftelijk te verklaren of zij de met de vier huisartsenpraktijken gesloten huurovereenkomsten met betrekking tot het pand Averinkstraat 30 te Delden zullen nakomen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ter zitting heeft mr. Marcus verklaard dat evident is dat door de beëindiging van de onderhandelingen Thoon Vastgoed I de huurovereenkomsten met de huisartsen niet zal kunnen nakomen. Gelet op deze verklaring, is de voorzieningenrechter van oordeel dat eisers thans geen belang meer hebben bij deze vordering.

4.15

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op € 608,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. wijst het gevorderde af;

II. Veroordeelt eisers hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 608,00 aan verschotten en € 816,00 aan salaris van de advocaat.

III. Verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.