Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5709

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
08/138228-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift omzetting gegrond, te werken uren op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/138228-13

Bezwaarschriftnummer: 14/2738

Uitspraak van de politierechter op het bezwaarschrift op grond van artikel 22g Sr van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], aan de [adres],

verder te noemen: de veroordeelde.

1 Het verloop van de procedure

Op 8 augustus 2014 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 19 dagen vervangende hechtenis bevolen omdat de veroordeelde de taakstraf niet heeft aangevangen. De kennisgeving daarvan is aan de veroordeelde betekend op 25 augustus 2014.

Het bezwaarschrift tegen de kennisgeving van dat bevel is gedateerd 1 september 2014 en is op 2 september 2014 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

Het is ingediend namens verzoeker door mr. H. Versluis, advocaat te Almelo.

Het bezwaarschrift is behandeld op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2014.

Bij de behandeling zijn de officier van justitie, de veroordeelde en de raadsman gehoord.

De politierechter heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen de veroordeelde.

De politierechter heeft ook kennisgenomen van:

het op 22 juli 2014 gedateerde reclasseringsrapport, opgesteld door mevrouw P.E. Smidt, medewerker werkstraffen en van een op 10 oktober 2014 ontvangen brief met bijlagen van de raadsman.

2 De standpunten van de veroordeelde en de officier van justitie

De veroordeelde maakt bezwaar tegen de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis aangezien hij op 27 juli 2013 een bericht heeft ontvangen van de officier van justitie, inhoudende dat hij [naam], wonende te [woonplaats] aan de [adres], wegens onvoldoende wettig bewijs niet voor de diefstal op 17 mei 2013 te Rijssen zal vervolgen, welke strafzaak bij het parket geregistreerd is onder parketnummer 08-138268/13. Voorts heeft veroordeelde blijkens een beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel d.d. 29 januari 2014 voor de strafzaak met het parketnummer 08-138268/13 op naam van veroordeelde een schadevergoeding op grond van art. 89 Sv en art. 591a Sv van in totaal € 385,= ontvangen.

De officier van justitie stelt dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard omdat veroordeelde voor de onderhavige strafzaak is veroordeeld tot een werkstraf, terwijl hij dat wist, althans had kunnen weten, nu de dagvaarding voor de zitting van de politierechter op 10 oktober 2013 op 26 juli 2013 in persoon aan veroordeelde is betekend.

3 De ontvankelijkheid

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend. De politierechter stelt vast dat het ook overigens ontvankelijk is.

4 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de politierechter het volgende vast.

De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 10 oktober 2013 veroordeeld – na vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking – tot een taakstraf van 40 uren. Daarbij is bepaald dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen. Ook is bepaald dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht. Veroordeelde is bij verstek veroordeeld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde de taakstraf niet heeft verricht.

De raadsman van veroordeelde heeft een op 26 juli 2013 gedateerde “Kennisgeving sepot” overgelegd, gericht aan “[naam]”, met vermelding van het adres van de veroordeelde, waaruit blijkt dat de officier van justitie heeft besloten om de zaak met parketnummer 08-138268-13 niet verder te vervolgen. Uit deze kennisgeving heeft de veroordeelde naar eigen zeggen afgeleid dat hij voor het onderhavige feit niet langer werd vervolgd. Weliswaar heet zijn destijds bij hem woonachtige zoon eveneens [naam] en betreft laatstgenoemd parketnummer een ander parketnummer dan de onderhavige strafzaak, volgens veroordeelde ging hij – als hoofdbewoner – er vanuit dat de kennisgeving voor hem bestemd was, terwijl hij niet, althans niet nauwkeurig naar het parketnummer heeft gekeken. Op het moment dat hij de kennisgeving sepot ontving, had hij juist de dag daarvóór de dagvaarding voor de behandeling van de strafzaak op 10 oktober 2013 door de politierechter ontvangen. Veroordeelde ging ervan uit dat met de ontvangst van de sepotmededeling van de officier van justitie de behandeling van de strafzaak op 10 oktober 2013 van de baan was. Veroordeelde heeft ter terechtzitting desgevraagd wel verklaard dat zijn zoon net als hij door de politie is verhoord inzake de verdenking van diefstal op 17 mei 2013 in Rijssen. Volgens veroordeelde had zijn zoon daarmee niets te maken en om die reden was zijn zoon ook destijds door de politie heengezonden. Vanwege het feit dat zijn zoon niets te maken had met die diefstal heeft veroordeelde op het moment dat hij de sepotmededeling ontving geen moment gedacht dat die brief wel eens voor zijn zoon bestemd zou kunnen zijn. De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat het parketnummer 08-138268-13 inderdaad geregistreerd is op naam van [naam], geboren op [geboortedag] 1993 en wonend te [woonplaats] aan de [adres].

Bij de op 10 oktober 2014 ontvangen brief van de raadsman bevindt zich een afschrift van een op 29 januari 2014 gedateerde beschikking van de enkelvoudige raadkamer in deze rechtbank, voorzien van hetzelfde parketnummer als die van voornoemde “Kennisgeving sepot”. Uit die beschikking blijkt dat aan veroordeelde, wiens personalia (naam, geboortedatum en adres) in die beschikking staan vermeld, naar aanleiding van een namens hem op 22 oktober 2013 ingediend verzoekschrift vanwege een ten onrechte ondergane dag detentie in een politiecel een bedrag van € 105,--, vermeerderd met € 280,-- voor het indienen van het verzoekschrift, is toegekend.

Uit de rapportage van de reclassering blijkt vervolgens dat veroordeelde de werkstraf niet wenste te verrichten omdat hij – naar eigen zeggen – vrijgesproken was. Nadat de reclasseringsmedewerker contact had opgenomen met de advocaat van veroordeelde en met het CJIB, bleek dat veroordeelde onder het parketnummer 08/138228-13 is veroordeeld voor een taakstraf voor de duur van – na aftrek van het voorarrest – 38 uren. Veroordeelde weigerde echter een begin te maken met de taakstraf.

Naar het oordeel van de politierechter is denkbaar dat verdachte, na ontvangst van de “Kennisgeving sepot” op of omstreeks 27 juli 2013 - ten onrechte - in de veronderstelling verkeerde dat deze kennisgeving voor hem bestemd was en dat hij niet langer zou worden vervolgd en bovendien dat de op 26 juli 2013 aan hem uitgereikte dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter op 10 oktober 2013 daarmee was komen te vervallen. Aan veroordeelde kan worden tegengeworpen dat hij had moeten zien dat de kennisgeving sepot een ander parketnummer vermeldt dan de op 26 juli 2013 aan hem uitgereikte dagvaarding. Nu die parketnummers evenwel nauwelijks - behoudens één cijfer – van elkaar verschillen, terwijl op de kennisgeving sepot slechts de naam [naam] zonder geboortedatum is vermeld en veroordeelde bovendien van oordeel was dat zijn zoon niets te maken had met de diefstal op 17 mei 2013 in Rijssen, voert het te ver om er vanuit te gaan dat veroordeelde aan de hand van het parketnummer had moeten weten dat het om de strafzaak van zijn inwonende zoon ging en niet om de tegen hem aanhangig gemaakte strafzaak. Dat klemt te meer, nu veroordeelde daarna, met vermelding van zijn personalia, een vergoeding heeft ontvangen voor een dag onterecht op het politiebureau doorgebrachte detentie. Dat veroordeelde vervolgens niet bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig was, is een logisch gevolg van zijn veronderstelling dat de strafzaak tegen hem van de baan was. Veroordeelde heeft om die reden ook geen hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de politierechter. In plaats daarvan heeft hij in de periode van veertien dagen na het vonnis een verzoekschrift schadevergoeding ingediend waaruit eens te meer kan blijken dat veroordeelde in de veronderstelling was dat de strafzaak tegen hem was ingetrokken.

Gelet op het voorgaande is de politierechter van oordeel dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard en dat het aantal te verrichten uren taakstraf op nihil moet worden gesteld.

5 De beslissing

De politierechter:

  • -

    verklaart het bezwaarschrift gegrond;

  • -

    bepaalt het aantal door de veroordeelde te verrichten uren taakstraf op nihil.

Deze beslissing is genomen door mr. Hendriks, politierechter, in tegenwoordigheid van Endlich, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.