Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5707

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
08/760038-14 en 08/730246-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen en medeplichtigheid aan een diefstal uit een woning.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarbij stelt rechtbank bijzondere voorwaarden, te weten reclasseringstoezicht en het verplicht volgen van een dagklinische behandeling bij de kliniek “De Tender”. De rechtbank acht deze straf passend, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, het gegeven dat de verdachte first offender is, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de persoon van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/760038-14 en 08/730246-14 (gevoegd ter terechtzitting)

Datum vonnis: 28 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], aan de [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Inzake 08/760038-14:

feit 1: (primair) een sieradenkistje met sieraden uit een woning aan de [adres 2] te Losser heeft gestolen, althans (subsidiair) medeplichtig is geweest aan die diefstal, althans (meer subsidiair) één of meer sieraden heeft geheeld;

feit 2: (primair) horloges, sieraden en een Apple Notebook uit een woning aan de [adres 3] te Enschede heeft gestolen, terwijl sprake was van inklimming, althans (subsidiair) medeplichtig is geweest aan die diefstal.

Inzake 08/730246-14:

feit 1: samen met een ander althans alleen een fles whiskey heeft gestolen;

feit 2: samen met een ander althans alleen twee flessen drank heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

08/760038-14:

1.

zij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Losser, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft weggenomen een sieradenkistje (met) en/of een (grote) hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1/ahf sub 5 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] op of omstreeks 24 oktober 2013 te Losser, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft weggenomen een sieradenkistje (met) en/of een (grote) hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

zij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 30 oktober 2013 te Losser en/of te Enschede, in elk geval in Nederland, één of meer siera(a)d(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat siera(a)d(en) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 12 november 2013 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning ([adres 3]) heeft weggenomen een hoeveelheid horloges en/of een hoeveelheid sieraden en/of een Apple Notebook, in elk geval enig goed/goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] op of omstreeks 12 november 2013 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de Hogelandsingel68) heeft weggenomen een hoeveelheid horloges en/of een hoeveelheid sieraden en/of een Apple Notebook, in elk geval enig goed/goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

08/730246-14:

1.

zij op of omstreeks 09 april 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles whiskey, althans een fles (alcoholhoudende) drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Emte (lokatie Johan Wijnoltstraat 127), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 05 mei 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee flessen drank, althans een of meerdere fles(sen) (alcoholhoudende) drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Emte (lokatie Johan Wijnoltsstraat 127), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het in de zaak met parketnummer 08/760038-14 onder 1 primair tenlastegelegde feit en de in de zaak met parketnummer 08/730246-14 tenlastegelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en 15 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft tevens gevorderd bijzondere voorwaarden te stellen, te weten dat verdachte medewerking moet verlenen aan een dagklinische behandeling bij forensische poli- en dagkliniek De Tender. Ter zake het in de zaak met parketnummer 08/760038-14 onder 2 tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 08/730246-14

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. Daartoe heeft de officier van justitie gesteld dat uit de hele constellatie van gebeurtenissen blijkt dat er sprake was van meer dan alleen medeplichtigheid. Verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte] de woning op het oog had, zij heeft op de uitkijk gestaan en zij heeft daarmee de medeverdachte geholpen om een insluiping te plegen. Bovendien heeft zij goederen afkomstig van deze diefstal verkocht aan een inkoper.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking, nu er geen sprake was van gelijkwaardige participanten. De verdediging heeft daarom vrijspraak bepleit voor het onder 1 primair tenlastegelegde en heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen maximaal als medeplichtigheid kunnen worden gekwalificeerd.

Overwegingen van de rechtbank

Niet ter discussie heeft gestaan dat de verdachte omstreeks 24 oktober 2013 samen met medeverdachte [medeverdachte] naar de woning aan de [adres 2] te Losser is gegaan, dat [medeverdachte] die woning is binnengegaan en dat verdachte onderwijl op de uitkijk is blijven staan. Verder heeft niet ter discussie gestaan dat [medeverdachte] diverse goederen uit de woning heeft weggenomen, dat de verdachte bij de achterdeur een sieradenkistje van [medeverdachte] heeft aangepakt, dat zij dit sieradenkistje heeft meegenomen en dat zij goederen afkomstig van deze diefstal heeft verkocht aan een inkoper.

De rechtbank dient te beoordelen hoe deze gedragingen gekwalificeerd dienen te worden.

Primair is aan verdachte het medeplegen van voornoemde diefstal ten laste gelegd. Teneinde tot een veroordeling wegens medeplegen te komen dient sprake te zijn geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Daarvoor is niet vereist dat verdachte zelf uitvoeringshandelingen heeft gepleegd, maar wel dat er sprake is geweest van een intensieve samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte. Deze intensieve samenwerking kan blijken uit (uitdrukkelijke of stilzwijgende) voorafgaande afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om een intensieve samenwerking aan te nemen. De verdachte was aanwezig ten tijde van het delict, heeft op de uitkijk gestaan en heeft naderhand van deze diefstal afkomstige goederen verkocht, maar niet is gebleken dat er voorafgaand afspraken zijn gemaakt gericht op het plegen van het delict.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen wel dat verdachte hulp heeft verleend bij de door medeverdachte [medeverdachte] gepleegde diefstal, nu zij onder meer op de uitkijk heeft gestaan. De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Wel bewezen acht de rechtbank de onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid.

5.2

Het onder 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 08/730246-14

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het in de zaak met parketnummer 08/760038-14 onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte heeft weliswaar verklaard dat zij op de uitkijk heeft gestaan terwijl medeverdachte [medeverdachte] goederen heeft ontvreemd van het perceel [adres 4], maar in het dossier zijn geen aanknopingspunten gevonden waaruit blijkt dat verdachte ook betrokken was bij de tenlastegelegde inklimming in de woning gelegen aan de [adres 3].

5.3

Het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 08/730246-14

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:



t.a.v. het onder 1 tenlastegelegde:

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 oktober 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever], van 5 mei 2014, pagina’s 4 tot en met 6 uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer PL05QB-2014047196;

t.a.v. het onder 2 tenlastegelegde:

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 oktober 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever], van 5 mei 2014, pagina’s 7 tot en met 11 uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer PL05QB-2014047196.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 in de zaak met parketnummer 08/760038-14 is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 08/760038-14 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[medeverdachte] omstreeks 24 oktober 2013 te Losser met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft weggenomen een sieradenkistje met een hoeveelheid sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1], bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08/730246-14 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 09 april 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles whiskey, toebehorende aan Emte (locatie Johan Wijnoltstraat 127);

zij op 05 mei 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee flessen drank, toebehorende aan Emte (locatie Johan Wijnoltstraat 127).

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlasteleggingen voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 48 onder 2 jo. 310 jo. 311 lid 1 aanhef en onder 5 (feit 1 subsidiair inzake 08/760038-14) en 310 jo. 311 lid 1 onder 4 (feiten 1 en 2 inzake 08/730246-14) Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair pkn. 08/760038-14:

het misdrijf: medeplichtigheid aan diefstal;

feit 2 pkn. 08/730246-14:

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3 pkn. 08/730246-14 :

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen zoals onder 3 is weergegeven.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte verweer gevoerd tegen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met de door de officier van justitie voorgestelde bijzondere voorwaarden acht de verdediging passend.

Overwegingen van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

- Strafbare feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen en medeplichtigheid aan een diefstal uit een woning. Dergelijke misdrijven veroorzaken de nodige materiële schade. Daarnaast kan in het bijzonder een diefstal uit een woning grote impact op slachtoffers hebben en langdurig een gevoel van onveiligheid meebrengen voor die slachtoffers, omdat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht.

- Oriëntatiepunten LOVS

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft oriëntatiepunten vastgesteld voor feiten als deze. De rechtbank neemt die als uitgangspunt.

-Justitiële documentatie

De verdachte heeft geen verdere justitiële documentatie. De rechtbank merkt de verdachte daarom aan als een first offender.

- Persoon van de verdachte

GZ-psycholoog drs. T.W. van Kant heeft op 23 juni 2014 een Pro Justitia-rapportage uitgebracht. De deskundige heeft de verdachte omschreven als een ernstig beschadigde en kwetsbare jonge vrouw die op zwakbegaafd niveau functioneert en zelf geen structuur en sturing in haar leven kan aanbrengen. De verdachte heeft een forse borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. De antisociale kenmerken komen tot uiting in de gebrekkige gewetensfunctie van de verdachte, haar zelfgerichte gedrag, het ontbreken van spijtgevoelens, de externalisatie en het ontlopen van de verantwoordelijkheid. Daarnaast vertoont zij woede-uitbarstingen en impulsief gedrag.

De deskundige concludeert verder dat de verdachte enerzijds een sterke behoefte heeft aan affectie, aandacht en liefde, die ze desnoods op theatrale en manipulatieve wijze tracht te verkrijgen, anderzijds vertrouwt zij niemand en zal zij mensen die te dicht bij komen afstoten. De verdachte kampt met rouw- en verliesgevoelens en somberheidsklachten, welke gevoelens zij tracht weg te houden door middelengebruik en spanningzoekend en impulsief gedrag. De verdachte ziet de consequenties van haar gedrag niet volledig in en haar hang naar aandacht maakt haar beïnvloedbaar. De deskundige schat de kans op recidive in een vermogensdelict groot.

Voorts heeft de deskundige geconcludeerd dat de ernstige gebrekkige ontwikkeling van de verdachte, tot uiting komend in zwakbegaafdheid en de persoonlijkheidsstoornis, een bepalende rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het tenlastegelegde. Het middelengebruik voorafgaand aan het tenlastegelegde zal een verder ontremmende werking gehad kunnen hebben. De deskundige heeft geadviseerd de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Reclasseringswerker G.G.M. Belshof heeft op 13 oktober 2014 een voortgangsverslag toezicht uitgebracht. Daarin heeft de reclasseringswerker geconcludeerd dat de verdachte op diverse leefgebieden vooruitgang heeft geboekt. De omvang van de dagbesteding is gewijzigd van 2 uur naar 1 dag per week. De verdachte heeft meerdere gesprekken gevoerd met De Tender en de reclassering, staat open voor begeleiding van Stichting Zekere Zorg, heeft vertrouwen gekregen in de hulpverlenende organisaties en ontvangt inmiddels een WAJONG-uitkering. De reclassering heeft geadviseerd om de verdachte te veroordelen tot een langere voorwaardelijke gevangenisstraf met verplicht reclasseringscontact en als bijzondere voorwaarde een dagklinische behandeling bij forensische poli- en dagkliniek De Tender, waar aandacht dient te zijn voor rouwverwerking, psycho-educatie over de persoonlijikheidsproblematiek, behandeling van de stemmingsklachten, agressieregulatie, het aanleren van copingvaardigheden en het vergroten van de weerbaarheid.

- Conclusie

De rechtbank zal afwijken van de eis van de officier van justitie en de verdachte veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarbij zal de rechtbank bijzondere voorwaarden stellen te weten reclasseringstoezicht en het verplicht volgen van een dagklinische behandeling bij de kliniek “De Tender”. De rechtbank acht deze straf passend, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, het gegeven dat de verdachte first offender is, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de persoon van de verdachte.

9 De schade van benadeelden

[slachtoffer 2]

, wonende te [woonplaats] aan de [adres 3], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 300,- (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat volledig uit

immateriële schade.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De vordering van [slachtoffer 2] heeft betrekking op immateriële schade die [slachtoffer 2] stelt te hebben geleden ten gevolge van het onder 2 in de zaak met parketnummer 08/760038-14 tenlastegelegde feit. Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van genoemd feit, dient de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

[slachtoffer 1]

In de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] heeft [slachtoffer 1] zich gevoegd als benadeelde partij en een vordering benadeelde partij ingediend. [slachtoffer 1] heeft zich niet gevoegd als benadeelde partij in de zaak tegen de verdachte. De rechtbank houdt het er daarom voor dat er door [slachtoffer 1] geen vordering is ingediend tegen de verdachte.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 (parketnummer 08/760038-14) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair (parketnummer 08/760038-14) en onder 1 en 2 (parketnummer 08/730246-14) tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    feit 1: het misdrijf: medeplichtigheid aan diefstal;

feit 2: het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3: het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

  • -

    omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

  • -

    omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd en zolang de reclassering dat nodig acht, een dagklinische behandeling bij de kliniek “De Tender” zal volgen;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], aan de [adres 3] niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. B.W.M. Hendriks en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockotter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente, onderzoek “Zeekraal” met nummer 2013116658 zaak 5 (feit 1). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 25 oktober 2013, pagina’s 655 tot en met 664, voor zover inhoudende:

Plaats delict: [adres 2] [woonplaats]

[…]

Ik zat vanavond 23 oktober 2013 omstreeks 20:30 uur op de bank in mijn woonkamer bij de televisie. Omstreeks 23:00 uur wilde ik de achterdeur in de keuken op slot draaien.
[..]
Ik zag direct dat mijn sieradenkistje weg was genomen.


2. Proces-verbaal van de terechtzitting van 14 oktober 2014, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

[medeverdachte] had de woning al een tijdje op het oog. Ik wist niet eerder dan die dag wat we gingen doen. Ik was onder invloed van alcohol. [medeverdachte] heeft tegen mij gezegd dat ik op de uitkijk moest blijven staan, terwijl hij naar binnen ging. Ik stond op de uitkijk. Ik ben niet in de woning geweest. Ik heb in ieder geval bij de deur een sieradenkistje aangepakt. Ik ben ook mee geweest met het inleveren van de goederen.