Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5700

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
C/08/157569 / HA ZA 14-306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident. Schadestaatprocedure. Vordering tot aanhouding.

De schadestaatprocedure is een procedure waarin de vaststelling van de inhoud en de omvang van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding aan de orde is. Het arrest van het Gerechtshof vormt de basis voor de onderhavige schadestaatprocedure. Tegen het arrest is een herroepingsprocedure gestart. Gelet op de gestelde gronden in de herroepingsprocedure, acht de rechtbank de herroepingsprocedure niet volstrekt kansloos, waarbij wel de kanttekening past dat op grond van artikel 384 Rv het Gerechtshof en niet deze rechtbank over de herroeping van het arrest heeft te oordelen. Nu de uitkomst van de herroepingsprocedure bepalend is voor de schadestaatprocedure ziet de rechtbank aanleiding om de onderhavige procedure aan te houden totdat is beslist op de herroepingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/157569 / HA ZA 14-306 (ib)

Vonnis in incident van 15 oktober 2014

in de zaak van

[X] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

verder te noemen [X],

advocaat mr. P.L. Nijmeijer te Roosendaal,

tegen

[Y],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

verder te noemen [Y],

advocaat mr. J.W. van der Horst te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot schorsing,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Op 2 juni 2008 heeft [Y] een hypotheekakte gepasseerd, waarbij [X] een lening van € 1.000.000,00 heeft verstrekt aan Holland Estate B.V. en een drietal andere schuldenaren (hierna gezamenlijk te noemen Holland Estate c.s.). De lening had een looptijd van zes maanden en het rentepercentage bedroeg 25%. Tot zekerheid van de (terug)betalingsverplichting van Holland Estate c.s. verkreeg [X] een eerste recht van hypotheek op percelen landbouwgrond te Roden (hierna: de transactie). Van deze percelen grond werd verwacht dat ze op korte termijn van bestemming zouden wijzigen, als gevolg waarvan de waarde aanzienlijk zou stijgen.

2.2.

Holland Estate c.s. zijn failliet verklaard en hebben het van [X] geleende bedrag niet terugbetaald. Voorts bleek de waarde van de percelen landbouwgrond te Roden lager dan het uitgeleende bedrag.

2.3.

[X] verwijt [Y] dat hij zijn zorgplicht heeft geschonden door hem niet te informeren c.q. te wijzen op het risico van een te lage dekkingswaarde van de grond te Roden en is een procedure begonnen tegen [Y]. Bij vonnis van 15 juni 2011 heeft de rechtbank Almelo de vorderingen van [X] afgewezen. [X] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan.

2.4.

Bij arrest van 26 november 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder meer voor recht verklaard dat [Y] aansprakelijk is voor de door [X] (door de beroepsfout van [Y]) geleden en nog te lijden schade, met dien verstande dat 30% van de schade voortvloeit uit eigen schuld aan de zijde van [X]. Voorts is [Y] veroordeeld aan [X] te betalen een bedrag overeenkomende met 70% van de geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van betaling.

2.5.

Tegen dit arrest hebben partijen geen cassatie ingesteld. Wel heeft [Y] op
2 april 2014 een vordering tot herroeping van dit arrest ingesteld (hierna: de herroepingsprocedure).

2.6.

Bij arrest van 25 maart 2014 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de procedure tussen [X] en zijn toenmalige advocaten, zijnde de advocaten die hem hebben geadviseerd ter zake de transactie, kort gezegd en voor zover relevant, een deel van de vordering van [X] toegewezen. Advocaat [W] is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 221.250,-- aan [X], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

2.7.

Bij vonnis van 18 april 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Almelo, kort gezegd en voor zover van belang, de vordering van [X] om [Y] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding afgewezen.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[X] vordert [Y] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van
€ 1.073.405,20, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [Y] in de kosten van de procedure.

3.2.

[Y] voert verweer.

In het incident

3.3.

[Y] vordert de onderhavige procedure in afwachting van de uitkomst van de herroepingsprocedure te schorsen, met veroordeling van [X] in de kosten van het incident met bepaling indien deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het in deze te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag nadien wettelijke rente verschuldigd is.

3.4.

Daartoe stelt [Y] - kort gezegd - het volgende. Nadat in de appelprocedure tussen [X] en [Y] arrest was gevraagd, is [Y] er mee bekend geraakt dat [X] ter zake de transactie een gerechtelijke procedure is gestart tegen zijn toenmalige advocaten. In voornoemde gerechtelijke procedure wordt ter zake dezelfde transactie dezelfde schade gevorderd, alleen de partijen zijn anders. In het (eind)arrest van 25 maart heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch een deel van de vordering van [X] toegewezen. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat het beroep op eigen schuld van [X] gegrond is en dat 50% van de schade voor [X] moet blijven. [X] heeft in de procedure tegen [Y] met geen woord gerept over het bestaan van de (appel)procedure tegen zijn toenmalige advocaten. [X] heeft volstaan met de mededeling dat hij zijn advocaten “aansprakelijk heeft gesteld”. Uit het voorgaande blijkt echter dat van enkel aansprakelijk stellen geen sprake is. Het had op de weg van [X] gelegen om het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en [Y] te informeren over (de werkelijke stand van zaken van) de (appel)procedure tegen zijn toenmalige advocaten. Het arrest van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch is om meerdere redenen relevant voor de procedure tussen [X] en [Y]. Daar waar [X] in de procedure tegen [Y] heeft gesteld dat hij geenszins bekend was met de waarde van het betreffende onderpand, blijkt uit het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch het tegendeel. Uit voornoemd arrest volgt namelijk dat er e-mailcorrespondentie bestaat tussen [X] en zijn advocaten waaruit de wetenschap van [X] over de aard van de investeringen en de waarde van het onderpand onverkort blijkt. Deze mails hebben eraan bijgedragen dat het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch komt tot een eigen schuld verdeling van 50%. Deze
e-mailcorrespondentie en het bestaan van de (appel)procedure tegen zijn toenmalige advocaten heeft [X] voor [Y] achtergehouden. [X] heeft belet dat feiten aan het licht zijn gekomen die tot een voor [Y] gunstige afloop van de procedure zouden hebben kunnen leiden. Op grond hiervan heeft [Y] herroeping van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gevorderd. Voorts is [Y] bij bestudering van de dagvaarding van 26 maart 2014, waarbij [X] in kort geding een voorschot op de schadevergoeding heeft gevorderd, bekend geraakt met het feit dat [X] in juni 2008 een taxatie heeft laten verrichten, terwijl hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft volgehouden dat hij niet over een taxatierapport beschikte. Het bestaan van deze taxatie maakt de zaak wezenlijk anders en ook het achterhouden van deze informatie levert een grond voor herroeping op. Als gevolg van de herroepingsprocedure is de uitkomst van de procedure tussen [X] en [Y] geenszins bepaald. Dat maakt dat de schadestaatprocedure prematuur is. Indien het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het verzoek tot heropening toewijst en in de herroepingszaak vast komt te staan dat [X] wel degelijk de aard en de risico’s van zijn investeringen kende, dan ligt aansprakelijkheid van de [Y] (voor 70% van de schade) in het geheel niet voor de hand. Gezien de schending van [X] van artikel 21 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en met het oog op de goede procesorde verzoekt [Y] om onderhavige procedure te schorsen hangende de herroepingsprocedure.

3.5.

[X] voert verweer en concludeert dat het verzoek van [Y] tot schorsing van de procedure moet worden afgewezen, met veroordeling van [Y] in de kosten van dit incident. [X] stelt dat er geen gronden zijn voor toewijzing van het verzoek tot schorsing van de procedure. Er is geen sprake van een van de in artikel 225 e.v. Rv limitatief vermelde schorsingsgronden. Voor zover [Y] heeft bedoeld te stellen dat onderhavige procedure wordt aangehouden totdat in de herroepingsprocedure is beslist, zijn hiervoor ook geen valide argumenten aanwezig. De herroepingszaak loopt namelijk aanzienlijk voor op de schadestaatprocedure. Voor zover nodig kan in een latere fase van de procedure door de rechtbank altijd nog worden besloten tot aanhouding.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat zij begrijpt dat waar [Y] in zijn incidentele vordering concludeert tot schorsing van de hoofdzaak, zijnde de schadestaatprocedure, hij niet het daadwerkelijke incident van schorsing van de procedure ingevolge artikel 225 Rv bedoelt, maar een aanhouding en verwijzing van de hoofdzaak naar de parkeerrol. Dit in afwachting van de herroepingsprocedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

4.2.

De schadestaatprocedure is een procedure waarin de vaststelling van de inhoud en omvang van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding aan de orde is. In die zin is de schadestaatprocedure een vervolg op de hoofdprocedure en is de hoofdprocedure onlosmakelijk verbonden met de schadestaatprocedure. Het arrest van
26 november 2013 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vormt de basis voor de onderhavige schadestaatprocedure. Tegen het arrest van 26 november 2013 is [Y] echter een herroepingsprocedure gestart. Gelet op de gestelde gronden in de herroepingsprocedure, acht de rechtbank de herroepingsprocedure niet volstrekt kansloos, waarbij wel de kanttekening past dat op grond van artikel 384 Rv het Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden en niet deze rechtbank over de herroeping van het arrest heeft te oordelen. Nu de uitkomst van de herroepingsprocedure bepalend is voor de schadestaatprocedure ziet de rechtbank aanleiding om de onderhavige procedure aan te houden totdat is beslist op de herroepingsprocedure. De omstandigheid dat de herroepingsprocedure aanzienlijk voorloopt op de schadestaatprocedure vormt naar het oordeel van de rechtbank geen argument om niet tot aanhouding van de onderhavige procedure over te gaan. Uit het oogpunt van een efficiënte procesvoering (kosten en tijd) verdient het naar het oordeel van de rechtbank aanbeveling om de schadestaatprocedure te vervolgen nadat is beslist op de herroepingsprocedure.

4.3.

De incidentele vordering zal dus worden toegewezen in die zin dat de zaak wordt aangehouden.

4.4.

[X] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4.5.

Met betrekking tot de door [Y] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten overweegt de rechtbank dat zij een termijn van 14 dagen na betekening zal bepalen voor betaling van de proceskosten en zal beslissen dat de wettelijke rente over de proceskosten pas is verschuldigd wanneer betaling binnen deze termijn uitblijft.

In de hoofdzaak

4.6.

De rechtbank houdt de zaak aan in afwachting van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de herroepingsprocedure en bepaalt dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van 1 april 2015.

4.7.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat, als het Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden eerder arrest heeft gewezen in de herroepingsprocedure, het partijen uiteraard vrij staat de zaak eerder op de rol te zetten.

5 De beslissing

De rechtbank

In het incident

5.1.

Wijst de vordering tot aanhouding toe.

5.2.

Veroordeelt [X] in de kosten van het incident, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening. De kosten aan de zijde van [Y] worden begroot op € 452,--.

5.3.

Verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

5.4.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

In de hoofdzaak

5.5.

Houdt de zaak aan in afwachting van het arrest van het Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden in de herroepingsprocedure en bepaalt dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van 1 april 2015.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2014.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: