Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5698

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
C/08/161537 / KG ZA 14-317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert (onder meer) dat gedaagden het gebruik van hun handelsnamen staken op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/161537 / KG ZA 14-317

Vonnis in kort geding van 28 oktober 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H.J.F. Dullemond te Zwolle,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

beiden in persoon verschenen.

Partijen zullen hierna eiser en gedaagden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 12

  • -

    productie 13 van eiser

  • -

    de ongenummerde producties van gedaagden

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van eiser

  • -

    de pleitnota van gedaagden

  • -

    de aanhouding ten behoeve van minnelijk overleg tussen partijen

  • -

    de brief van eiser d.d. 8 oktober 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 januari 1970 is de vennootschap onder firma met als handelsnaam “Fa. Gebr. [achternaam]” (verder: de vof) opgericht. De vennoten van deze vof waren eiser en zijn twee broers.

2.2.

De vader van gedaagden was vennoot van de vof. Na zijn overlijden in januari 2000 is het deel in de vof dat aan hem toebehoorde uitgekocht door eiser en zijn andere broer.

2.3.

Gedaagde sub 2 is op 1 januari 2005 bij de vof in loondienst getreden en gedaagde sub 1 op 1 januari 2007.

2.4.

Op 6 augustus 2007 heeft gedaagde sub 1 een eenmanszaak met als handelsnaam “K. [achternaam] Bulldozerverhuur” ingeschreven in het handelsregister. Gedaagde sub 2 heeft dezelfde dag een eenmanszaak ingeschreven met als handelsnaam “Jac. [achternaam]”.

2.5.

Gedaagden zijn op 31 augustus 2007 bij de vof uit dienst getreden.

2.6.

Eiser heeft op 1 september 2007 een eenmanszaak met als handelsnaam “Bulldozerverhuur [achternaam]” ingeschreven in het handelsregister.

2.7.

De werkzaamheden van partijen bestaan uit het verhuren van bulldozers met machinist.

2.8.

Partijen zijn overeengekomen dat eiser met ingang van 1 september 2007 voor gedaagden zal bemiddelen bij het verkrijgen van opdrachten en dat eiser de facturering van de door gedaagden verrichte werkzaamheden zal verzorgen. Daarbij is afgesproken dat partijen zich richting hun klanten zullen presenteren als één bedrijf en dat zij daarbij gebruik zullen maken van eisers naam “Bulldozerverhuur [achternaam]”.

2.9.

De websites [website 1] en [website 2] zijn door eiser geregistreerd.

2.10.

De samenwerking tussen partijen is eind 2010 beëindigd.

2.11.

Eiser en gedaagden hebben hun werkzaamheden afzonderlijk voortgezet. Gedaagden maken daarbij gebruik van verschillende handelsnamen, waaronder “Gebr. J. en K. [achternaam] Bulldozerverhuur (inclusief machinist)” en “Bulldozerverhuur J. en K. [achternaam]”. Daarnaast hebben gedaagden de domeinnaam [website 3] geregistreerd.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden zal veroordelen om met onmiddellijke ingang ieder gebruik van een handelsnaam die gelijk is of overeenstemt met de handelsnamen van eiser, zijnde “Firma Gebr. [achternaam]”, “Bulldozerverhuur [achternaam]”, “Gebr. [achternaam] Bulldozer Verhuur”, “Bulldozerverhuur Gebr. [achternaam]” et cetera, dan wel handelsnamen die daar in geringe mate van afwijken, te staken en gestaakt te houden, daaronder verstaan, maar niet uitsluitend het gebruik van de handelsnaam “Gebroeders J en K [achternaam] Bulldozer Verhuur”, “Bulldozer Verhuur Gebroeders [achternaam]”, “J en K [achternaam]” alsmede het domein [website 3], alsook gebruik van op onder meer voornoemde handelsnamen inbreukmakende handelsnamen op internet en social media, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding en per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt, indien gedaagden in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen;

II. gedaagden zal veroordelen om met onmiddellijke ingang ieder gebruik van het thans door gedaagden gehanteerde – op het beeldmerk van eiser inbreukmakende beeldmerk – zoals in deze dagvaarding als productie 6 aangehecht, dan wel een beeldmerk dat daar in geringe mate van afwijkt, te staken en gestaakt doen houden, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding en per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt, indien gedaagden in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen;

III. gedaagden zal veroordelen om met onmiddellijke ingang al het eventueel gedrukt materiaal en/of materiaal waarop of waarin op enigerlei wijze inbreuk wordt gemaakt op de handelsnamen van eiser te (doen) vernietigen en daarvan bewijs aan mr. H.J.F. Dullemond, Eekwal 4 (8011 LD) Zwolle (Stein Advocaten Zwolle, postbus 1232, 8001 BE) te verschaffen, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding en per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt, indien gedaagden in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen;

IV. gedaagden zal veroordelen om met onmiddellijke ingang de tekst:

“Bulldozerverhuur Gebr. J. en K. [achternaam] is een verhuurbedrijf uit [woonplaats]. De grondslag van ons bedrijf werd in 1970 gelegd door de vader van de huidige ondernemende broers [gedaagde 2] en [gedaagde 1].”

dan wel teksten van soortgelijke strekking van de website van gedaagden [website 3], dan wel eventuele van andere aan hen toebehorende websites te verwijderen en verwijderd te laten, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding en per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt, indien gedaagden in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen;

V. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de volledige gerechtskosten als bedoeld in artikel 1019 h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de door gedaagden gevoerde handelsnamen slechts in geringe mate afwijken van de door hem rechtmatig gevoerde, oudere handelsnamen. Door deze geringe afwijking in de handelsnamen ontstaat volgens eiser verwarring bij het relevante publiek. Daarbij wijst eiser erop dat gedaagden dezelfde diensten als hij aanbieden en slechts op een steenworp afstand van hem zijn gevestigd. De verwarring wordt volgens eiser versterkt doordat gedaagden een logo en domeinnaam hanteren die nauwelijks van die van hem verschillen. Eiser stelt dat gedaagden willen meeliften op zijn succes door op hun website te verwijzen naar het familiebedrijf dat in 1970 is opgericht. Doordat gedaagden welbewust verwarring proberen te scheppen handelen zij niet alleen in strijd met artikel 5 Handelsnaamwet (verder: Hnw), maar ook onrechtmatig jegens eiser.

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang bij de vorderingen van eiser is wegens de gestelde inbreuk op het handelsnaamrecht en het gestelde onrechtmatig handelen in voldoende mate gegeven.

4.2.

Op grond van artikel 5 Hnw is het verboden een handelsnaam te voeren die gelijk is aan of slechts in geringe mate afwijkt van een handelsnaam die daarvoor reeds door een ander rechtmatig werd gevoerd, indien door dat gebruik bij het publiek verwarring tussen de desbetreffende ondernemingen is te duchten in verband met de aard van die ondernemingen en de plaats waar zij gevestigd zijn. Volgens vaste jurisprudentie kan ook het gebruik van andermans handelsnaam als domeinnaam inbreuk op artikel 5 Hnw opleveren.

4.3.

Overeenkomstig de artikelen 1 en 5 Hnw is van het voeren van een handelsnaam voor een onderneming sprake, indien die naam ter aanduiding van die onderneming in het handelsverkeer wordt gebruikt.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de handelsnaam “Fa. Gebr. [achternaam]” eerder rechtmatig door eiser werd gevoerd.

4.5.

Partijen twisten over de vraag wie als eerste een handelsnaam met daarin de woorden “Bulldozerverhuur” en “[achternaam]” in het handelsverkeer is gaan gebruiken.

De voorzieningenrechter overweegt dat gedaagde sub 1 zijn handelsnaam “K. [achternaam] Bulldozerverhuur” weliswaar enkele weken eerder heeft ingeschreven in het handelsregister dan eiser zijn handelsnaam “Bulldozerverhuur [achternaam]”, maar op basis van deze enkele inschrijving kan niet worden aangenomen dat hij deze naam vrijwel direct daarna ook daadwerkelijk in het handelsverkeer is gaan voeren. Door gedaagden zijn verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit dat kan worden afgeleid. In dit verband is van belang dat de samenwerking tussen gedaagden en eiser op 1 september 2007 is begonnen en dat zij zich naar hun klanten toe hebben gepresenteerd als één bedrijf, waarbij door hen uitsluitend gebruik is gemaakt van eisers handelsnaam. Naast de werkzaamheden onder eisers handelsnaam hebben gedaagden geen andere activiteiten verricht. Gelet hierop kan uit het feit dat de naam “K. [achternaam] Bulldozerverhuur” in 2007 is opgenomen in het telefoonboek niet worden afgeleid dat gedaagden toen al onder deze naam klanten hebben geworven. Ook op basis van de door gedaagden overgelegde facturen op naam van – onder andere – “K. [achternaam] Bulldozerverhuur” kan dat niet worden aangenomen, daar deze facturen afkomstig zijn van leveranciers van gedaagden en niet zijn gericht aan hun eigen klanten. Het feit dat eiser brieven en facturen aan “K. [achternaam] Bulldozerverhuur” en “Jac. [achternaam] Bulldozerverhuur” heeft verstuurd, kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien dit interne correspondentie betreft. Gezien het voorgaande is voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat eiser zijn handelsnaam “Bulldozerverhuur [achternaam]” eerder in het handelsverkeer is gaan voeren dan gedaagde sub 1 zijn handelsnaam “K. [achternaam] Bulldozerverhuur”.

4.6.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wijken de handelsnamen van partijen slechts in geringe mate van elkaar af, doordat “[achternaam]” al dan niet in combinatie met “Bulldozerverhuur” het kenmerkende element is van deze handelsnamen. Ook is aannemelijk dat daardoor verwarring is te duchten bij het relevante publiek, nu partijen dezelfde werkzaamheden verrichten en in hetzelfde dorp zijn gevestigd. Bovendien heeft eiser ter zitting verschillende voorbeelden genoemd, die door gedaagden niet zijn weersproken, waaruit de verwarring onder de (potentiële) klanten van eiser blijkt.

4.7.

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat de handelsnamen “Gebroeders J en K [achternaam] Bulldozer Verhuur”, “Bulldozer Verhuur Gebroeders [achternaam]”,

“J en K [achternaam]” alsmede de domeinnaam [website 3] in strijd met artikel 5 Hnw worden gevoerd door gedaagden.

4.8.

Het door eiser onder I. gevorderde zal worden toegewezen als na te melden. Hierbij wordt opgemerkt dat de vordering van eiser dat gedaagden het gebruik van handelsnamen die in geringe mate afwijken van de door eiser gevoerde handelsnamen dienen te staken, niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat deze vordering te onbepaald is. Daardoor zou toewijzing van deze vordering immers tot executieproblemen kunnen leiden.

4.9.

Met betrekking tot het onder II. gevorderde wordt overwogen dat eiser ter zitting heeft verklaard dat met het woord beeldmerk het door eiser gebruikte logo van een bulldozer met een hoop grond wordt bedoeld. De voorzieningenrechter constateert dat partijen (nagenoeg) dezelfde afbeelding als logo gebruiken. Door gedaagden is niet weersproken dat eiser deze afbeelding langer als logo gebruikt dan zij. Ook is niet bestreden de verwarring onder de (potentiële) klanten van eiser wordt versterkt door het gebruik van hetzelfde logo door gedaagden. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat gedaagden onrechtmatig jegens eiser handelen door gebruik te maken van hetzelfde logo als waarvan deze gebruik maakt.

4.10.

De vordering onder II. zal als volgt worden toegewezen. De vordering van eiser dat gedaagden ook het gebruik van een logo dat in geringe mate afwijkt van het door eiser gehanteerde logo dienen te staken, is niet toewijsbaar, omdat deze vordering te onbepaald is.

4.11.

De voorzieningenrechter ziet voorts in afwijking van het onder III. gevorderde aanleiding om gedaagden niet te veroordelen tot vernietiging, maar hen op te dragen om de op hun gedrukt materiaal weergegeven en/of op ander materiaal van hen aangebrachte handelsnamen, waarmee – op een wijze zoals vermeld in het dictum – inbreuk wordt gemaakt op de handelsnamen van eiser, te verwijderen dan wel niet zichtbaar te maken. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om gedaagden te gelasten bewijzen daarvan te tonen aan de advocaat van eiser.

4.12.

Ten aanzien van het onder IV. gevorderde wordt overwogen dat tussen de vof en de ondernemingen van gedaagden geen enkele juridische en/of financiële relatie bestaat. Gelet hierop handelen gedaagden onrechtmatig jegens eiser door op hun website te vermelden dat de grondslag van hun bedrijf in 1970 werd gelegd door hun vader. Deze vordering ligt daarom voor toewijzing gereed.

4.13.

Door gedaagden is geen verweer gevoerd tegen de door eiser gevorderde dwangsommen. Deze zullen worden toegewezen als na te melden.

4.14.

De gevorderde hoofdelijkheid van de veroordelingen zal worden afgewezen, nu daarvoor door eiser geen grondslag is aangevoerd.

4.15.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om gedaagden een termijn te gunnen van zeven dagen na betekening van het vonnis om aan de veroordelingen te voldoen.

4.16.

Overeenkomstig artikel 1019i Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal de voorzieningenrechter in het dictum een termijn bepalen voor het instellen van een eis in de hoofdzaak.

4.17.

Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Eiser heeft op grond van artikel 1019h Rv vergoeding van de volledige proceskosten gevorderd en een overzicht overgelegd van de door hem gemaakte advocaatkosten ten bedrage van € 5.328,00. Nu dit totaalbedrag aan advocaatkosten beneden het indicatietarief voor IE-zaken in kort geding ligt, zoals vastgesteld door het LOVC (Landelijk Overleg Voorzitters Civiel) en voldoende is toegelicht, zullen deze kosten worden toegewezen. Voor rekening van gedaagden komen verder de kosten in verband met de uitgebrachte dagvaarding van € 158,30 en het griffierecht van € 608,00. In totaal dienen gedaagden € 6.094,30 aan proceskosten aan eiser te voldoen.

4.18.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf de zevende dag na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt gedaagden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis ieder gebruik van een handelsnaam die gelijk is aan of overeenstemt met de handelsnamen van eiser, zijnde “Firma Gebr. [achternaam]”, “Bulldozerverhuur [achternaam]”, “Gebr. [achternaam] Bulldozer Verhuur”, “Bulldozerverhuur Gebr. [achternaam]”, te staken en gestaakt te houden, daaronder in elk geval verstaan de handelsnamen “Gebroeders J en K [achternaam] Bulldozer Verhuur”, “Bulldozer Verhuur Gebroeders [achternaam]”, “J en K [achternaam]” alsmede het domein [website 3], alsook het gebruik van op voornoemde handelsnamen inbreukmakende handelsnamen op internet en social media,

5.2.

veroordeelt gedaagden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis ieder gebruik van het thans door gedaagden gehanteerde logo, zoals aan de dagvaarding als productie 6 is gehecht, te staken en gestaakt te doen houden,

5.3.

veroordeelt gedaagden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de op hun gedrukt materiaal weergegeven en/of op ander materiaal van hen aangebrachte handelsnamen, zoals genoemd in 5.1, te verwijderen dan wel niet zichtbaar te maken,

5.4.

veroordeelt gedaagden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de tekst:

“Bulldozerverhuur Gebr. J. en K. [achternaam] is een verhuurbedrijf uit [woonplaats]. De grondslag van ons bedrijf werd in 1970 gelegd door de vader van de huidige ondernemende broers [gedaagde 2] en [gedaagde 1].”

dan wel teksten van soortgelijke strekking van de website van gedaagden www.bulldozerbedrijfjenkbijker.nl, dan wel eventuele van andere aan hen toebehorende websites te verwijderen en verwijderd te laten,

5.5.

veroordeelt gedaagden om aan eiser een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1, 5.2, 5.3 of 5.4 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoen, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.6.

bepaalt de termijn waarbinnen op grond van artikel 1019i Rv een bodemprocedure aanhangig dient te worden gemaakt op drie maanden vanaf de dag van het wijzen van dit vonnis,

5.7.

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 6.094,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de zevende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.