Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5625

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
C/08/160903 / JE RK 14-1390
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter verklaart het Leger des heils ontvankelijk in haar verzoek tot vervangende toestemming voor een minderjarige van 12 jaar en ouder die niet in staat is tot een weloverwogen waardering van zijn belangen. De kinderrechter wijst het verzoek af nu niveaubepaling niet valt onder de term ‘noodzakelijke medische behandeling’, ook niet als deze bepalingen nodig zijn om de kinderen op de juiste behandelplek geplaatst te krijgen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 264
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/20

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/160903 / JE RK 14-1390 (SL(O)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 11 september 2014

inzake

het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,

verder ook het LDH te noemen,

gevestigd te 7514 DK Enschede, Molenstraat 36,

verzoekster,

en

[belanghebbenden],

verder ook de ouders te noemen,

[woonplaats], [adres],

belanghebbenden.

Het procesverloop

Bij op 14 augustus 2014 ter griffie ingekomen verzoekschriften met bijlagen heeft het LDH verzocht haar vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke medische behandeling van de minderjarigen.

De zaak is behandeld ter zitting van 27 augustus 2014. Ter zitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door mr. A.M.C. de Vroet;

- mevrouw [J] en de heer [R], namens het LDH;

- mevrouw [A], namens de Raad voor de Kinderbescherming.

De standpunten zijn toegelicht. Ter zitting zijn door mr. De Vroet stukken overgelegd. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt..

Op 1 september 2014 zijn de vervangende verzoekschriften ter griffie ingekomen waarin het LDH heeft verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke niveaubepalingen en het gebruik ervan.

Op 3 september 2014 is een brief van mr. De Vroet ter griffie ingekomen.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders zijn gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

[naam 1], [geboorteplaats 1] [geboortedatum 1],

[naam 2], [geboorteplaats 1] [geboortedatum 2],

[naam 3], [geboorteplaats 2] [geboortedatum 2],

[naam 4], [geboorteplaats 1] [geboortedatum 2].

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over deze minderjarigen.

Op 10 februari 2014 heeft de kinderrechter te Almelo de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar en de machtiging uithuisplaatsing in een AWBZ-instelling voor de duur van zes maanden, ingaande 12 februari 2014, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel als gezinsvoogdijinstelling, die de uitvoering daarvan heeft opgedragen aan het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering.

Op 9 april 2014 heeft de kinderrechter te Almelo de machtiging uithuisplaatsing in een AWBZ-instelling verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, ingaande 12 april 2014.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Door het Leger des Heils is verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke niveaubepalingen van de minderjarigen en het gebruik ervan, waaruit zorg en/of medische behandeling van de minderjarigen kan voortvloeien. De toestemming is noodzakelijk om indicaties voor passende vervolgplekken voor de minderjarigen aan te vragen. De kinderen zitten niet meer op de goede plek bij Ambiq, er vinden regelmatig escalaties plaats. Het LDH is van mening dat het perspectief van de minderjarigen niet bij de ouders ligt en dat er passende plekken voor de minderjarigen moeten worden gevonden, hetgeen ook door de beschikking van de kinderrechter te Almelo van 9 april 2014 is onderstreept. Het LDH heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een onderzoek te verrichten naar een verderstrekkende maatregel. De Raad wil echter alvorens een onderzoek naar zo’n maatregel te starten eerst het door de ouders ingediende hoger beroep inzake voornoemde beschikking van 9 april 2014 afwachten. De behandeling van dit hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 september 2014.

De ouders hebben verzocht om het verzoek van het LDH af te wijzen. Er zijn IQ-bepalingen van de minderjarigen voorhanden die zijn toegezonden aan Ambiq en het LDH. Ouders willen echter niet dat deze gebruikt worden voor het aanvragen van indicaties voor vervolgplekken. Ouders zijn van mening dat de minderjarigen met ambulante hulp thuisgeplaatst kunnen worden en denken dat het Gerechtshof ook zo zal beslissen.

De kinderrechter is als volgt van oordeel. Ingevolge artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter vervangende toestemming verlenen indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan 12 jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert. Medische behandelingen ten aanzien van kinderen ouder dan 12 jaar kunnen op grond van de WGBO zonder toestemming van de ouders worden verricht, indien het kind dat weloverwogen blijft wensen nadat zijn ouders toestemming hebben geweigerd of ingrijpen nodig is om ernstig nadeel voor het kind te voorkomen. Vervangende toestemming van de kinderrechter is dan niet vereist. Er bestaat een lacune waar het een minderjarige van twaalf jaar of ouder betreft die niet in staat is tot een weloverwogen waardering van zijn belangen. Het LDH kan ook in dergelijke gevallen een verzoek tot vervangende toestemming door de kinderrechter kan indienen op grond van art. 1:264 BW. De kinderrechter zal het LDH ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

De kinderrechter dient voorts de vraag te stellen of in dit geval sprake is van een medische behandeling in de zin van artikel 1:264 Burgerlijk Wetboek (BW). Hij zal deze vraag ontkennend moeten beantwoorden. Het mogen uitvoeren en/of gebruik maken van niveaubepalingen valt naar het oordeel van de kinderrechter niet onder de term ‘noodzakelijke medische behandeling’, ook niet als deze bepalingen nodig zijn om de kinderen op de juiste behandelplek geplaatst te krijgen. Door het LDH is ter zitting aangevoerd dat niveaubepalingen volgens de jurisprudentie wel onder de term medische behandeling vallen. De kinderrechter is echter onbekend met deze jurisprudentie. Het had op de weg van het LDH gelegen om deze jurisprudentie in het geding te brengen.

Gelet op het vorenstaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat het verzoek van het LDH moet worden afgewezen.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter nog dat de gezinsvoogd inmiddels beschikt over recente IQ-gegevens van de kinderen. Weliswaar hebben de ouders verklaard dat deze alleen gebruikt mogen worden voor behandeling binnen Ambiq, maar de kinderrechter ziet geen rechtsregel die de gezinsvoogd zou verbieden om zonder concrete toestemming van de ouders deze IQ-gegevens te gebruiken voor het zoeken van een andere, beter passende plek indien zich de situatie voor zou doen dat Ambiq van mening is dat zij de kinderen niet langer kan helpen, waardoor een andere plek onvermijdelijk is, terwijl – tenzij het Hof anders zou beslissen – wonen bij ouders geen optie is. Het LDH heeft dus geen belang meer bij de verzochte toestemming.

De beslissing

De kinderrechter:

I. Wijst af het verzoek van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering om op grond van art. 1:264 BW vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke niveaubepalingen, en het gebruik daarvan, waaruit zorg en/of medische behandeling van voornoemde minderjarigen kan voortvloeien.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van M.R. Asveld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2014.