Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5601

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
21-10-2014
Zaaknummer
C/08/137706 / FA RK 13-696
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderrechter stelt summiere omgangsregeling vast van 2 dagen per jaar. De moeder heeft nooit initiatief genomen om te komen tot enig contact tussen vader en kinderen. De moeder heeft de kinderen daardoor een vaderbeeld onthouden. Problematiek ziet niet op relatie vader- kinderen maar zit in relatie tussen ouders. Moeder wordt informatieplicht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253c
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/17

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Team jeugdrecht

zaaknummer: C/08/137706 / FA RK 13-696 (AKG)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 17 september 2014

inzake

[verzoeker],

verder ook de vader te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

en

[belanghebbende],

verder ook de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. M.E.W. van Harskamp.

Het procesverloop

Op 20 augustus 2013 heeft de kinderrechter in deze zaak een tussenbeschikking gegeven.

Daarin is onder meer aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren.

Op 9 december 2013 is een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ter griffie ingekomen.

Naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden heeft de rechtbank bij brief van 12 maart 2014 aan de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om het onderzoek te hervatten en de rechtbank te adviseren omtrent het gezag en de omgang.

Op 3 juli 2014 is een aanvullend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ingekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 augustus 2014. Ter zitting zijn verschenen: de vader en de moeder, bijgestaan door mr. Van Harskamp. De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door de heer A.A.H. Pots. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] [2007].

De vader heeft de minderjarige erkend.

De standpunten van partijen

De vader verzoekt het gezamenlijk gezag over [minderjarige] en de vaststelling van een zorgregeling in die zin dat hij uiteindelijk eens per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur omgang heeft met [minderjarige] en daarnaast gedurende de helft van de feest- en vakantiedagen. Na de geboorte van [minderjarige] hebben partijen nog kort samengewoond. Kort daarna heeft de vader met behulp van een advocaat getracht om in onderling overleg met de moeder te komen tot een zorg- en contactregeling. Ondanks haar toezegging om mee te zullen werken heeft de moeder bij herhaling hiervan afgezien en heeft zij in 2012 of 2013 een verzoek ingediend tot wijziging van de geslachtsnaam. Dat de omgang in eerste instantie zal worden begeleid, is voor de vader geen bezwaar.

De moeder stelt dat de verzoeken van de vader ten aanzien van gezag en omgang afgewezen dienen te worden nu vader nooit enige belangstelling voor [minderjarige] heeft getoond. Ook wil ze liever geen informatie- en consultatieplicht opgelegd krijgen omdat zij geen enkel contact met de vader wil.

De raad adviseert de rechtbank om de verzoeken van vader af te wijzen. Voor wat betreft de omgang constateert de raad dat [minderjarige] geen vaderbeeld heeft. Gelet op het feit dat hij in zijn leven geen of amper contact met vader heeft gehad, is dat niet verwonderlijk. Moeder staat omgang tussen vader en [minderjarige] niet toe, hetgeen de raad zorgelijk acht en het feit dat [minderjarige] zegt niet naar vader te willen komt waarschijnlijk voort uit grote loyaliteit jegens zijn moeder. [minderjarige] heeft in zichzelf mogelijkheden om vader te leren kennen, maar de belemmeringen zitten in zijn ouders.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De inhoud van de tussenbeschikking van 20 augustus 2013 geldt als hier herhaald en ingelast.

Het is een algemeen bekend feit dat omgang in principe in het belang van minderjarige kinderen is op het moment dat zij worden geconfronteerd met de echtscheiding of het beëindigen van de relatie van hun ouders. Voor [minderjarige] geldt dat derhalve ook.

In de periode van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gebleken dat [minderjarige] de deur voor omgang met zijn vader nog steeds open houdt nu hij stelt dat hij er zes jaar op heeft gewacht. In die periode heeft moeder geen enkel initiatief genomen om te komen tot enige vorm van omgang tussen de vader en [minderjarige] en dat had van haar als ouder met gezag van [minderjarige] verwacht mogen worden gelet op de nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige] op het moment dat partijen uit elkaar gingen. Moeder heeft [minderjarige] door haar handelwijze een vaderbeeld onthouden.

Uit de rapportage blijkt dat de problemen die er tussen partijen zijn, alleen maar zien op de partnerstrijd en niet zien op problemen tussen de vader en [minderjarige]. Vader heeft zijn verzoek inmiddels beperkt tot het vaststellen van momenten van contact en stelt het wonen van [minderjarige] bij moeder niet ter discussie. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat deels afgeweken moet worden van het advies van de raad. De kinderrechter ziet aanleiding om twee contactmomenten per jaar vast te leggen, te weten op de eerste zondag na de verjaardag van [minderjarige] en op de eerste zondag in de maand december van ieder jaar, beide van 10.00 uur tot 18.00 uur. De kinderrechter geeft vader in overweging om van te voren met een zekere regelmaat een kaartje te sturen en aan [minderjarige] kenbaar te maken wat hij met [minderjarige] denkt te gaan doen of om met [minderjarige] te overleggen waar zijn voorkeur naar uit gaat. Vader moet geen andere personen betrekken in dit contact.

Gelet op de minimale omgang zoals die hiervoor is vastgesteld, is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van [minderjarige] op de moeder een inspanningsverplichting dient te rusten om vader te informeren. Een dergelijke verplichting is opgenomen in de wet en de stellingen van moeder om geen informatieplicht op te leggen, worden als onvoldoende gemotiveerd door de kinderrechter gepasseerd. De kinderrechter is van oordeel dat moeder in de maanden januari, april, juli en oktober van ieder jaar, vader dient te informeren over [minderjarige] door hem te informeren omtrent school, gezondheid, activiteiten etc. van [minderjarige]. Als vader de behoefte voelt om op deze informatie te reageren, dan dient deze louter positief te zijn om de informatieverplichting zodoende niet van negatieve invloed te laten zijn op de omgang. In zijn kaartjes kan hij reageren op de informatie van moeder over [minderjarige].

De kinderrechter gunt [minderjarige] een goed contact met zijn beide ouders, en dus ook met zijn vader, en bovenstaande regeling kan mogelijk het begin zijn van een nog ruimere omgangsregeling.

Ter zake het gezamenlijk gezag is de kinderrechter van oordeel dat dit verzoek van de vader moet worden afgewezen, gelet op de ontbrekende communicatie tussen de ouders en op het slechts minimale contact dat er vanaf heden zal zijn.

De kinderrechter zal de proceskosten compenseren nu partijen een relatie hebben gehad en de procedure het gezag en de omgang van de hieruit geboren minderjarige betreft.

De beslissing

De kinderrechter:

I. Treft inzake het recht van de vader op, en zijn verplichting tot omgang met de minderjarige met ingang van heden de navolgende regeling: de vader heeft op de zondag na de verjaardag van [minderjarige] en op de eerste zondag in de maand december van ieder jaar van 10.00 uur tot 18.00 uur omgang met [minderjarige], waarbij moeder [minderjarige] bij vader brengt en vader hem weer bij moeder terugbrengt.

II. Legt aan de moeder de verplichting op om de vader telkens in de maanden januari, april, juli en oktober van ieder jaar schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van de minderjarige [minderjarige] op het gebied van – onder mogelijk meer – gezondheid, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en sociaal leven, daaronder begrepen het toezenden van recente foto’s en afschriften van schoolrapporten van de minderjarige.

III. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

II. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

V. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van

J.H.A.L. Koelen-Goosink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014