Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5584

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
08/996027-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt drie mannen die betrokken waren bij de Vastgoed Beleggings Maatschappij (VSM) wegens verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen. Wel worden zij vrijgesproken van oplichting. De drie veroordeelde mannen krijgen gevangenisstraffen variërend van 1 tot 3 jaar. Drie andere mannen diebij het bedrijf betrokken waren worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2015/19
JONDR 2015/304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996027-12

Datum vonnis: 17 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 3],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] (Schotland),

wonende in [woonplaats] (Groot Brittannië),

[adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 april 2013, 28 oktober 2013, 3 maart 2014, 10 april 2014, 30 juni 2014, 2, 3 en 5 september 2014 en 3 oktober 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.W. Bollen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.M. Pauwelussen, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2010, al dan niet samen met anderen, 581 individuele beleggers en een aantal beleggers, verenigd in de Stichting Belangen Obligatiehouders VSM heeft opgelicht (in totaal voor een bedrag van

€ 27.425.676,--), danwel

dat hij in die periode feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan VSM BV en Apex Vastgoed BV terzake van voornoemde oplichting, danwel

dat hij in die periode feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan VSM BV en Apex Vastgoed BV terzake van verduistering van € 11.969.762,--, danwel

dat hij in die periode een bedrag van € 11.969.762,-- heeft verduisterd;

feit 2: in de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2012, al dan niet samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van in totaal € 27.425.676,--, danwel

dat hij in die periode feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan VSM BV en Apex Vastgoed BV terzake van voornoemd gewoontewitwassen;

feit 3:

in de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2010, al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd m.b.t. de bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed BV, danwel

dat hij in die periode feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan Apex Vastgoed BV terzake van voornoemde valsheid in geschrift;

feit 4: in de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2010 al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd m.b.t. de bedrijfsadministratie van VSM BV, danwel

dat hij in die periode feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan VSM BV terzake van voornoemde valsheid in geschrift;

feit 5: in de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 oktober 2012, al dan niet samen met anderen, via Op Maat Groep BV waaraan hij, al dan niet samen met anderen, feitelijk leiding heeft gegeven een tiental facturen vals heeft opgemaakt, dan wel

dat hij in genoemde periode, al dan niet samen met anderen, die facturen valselijk heeft opgemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december

2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of (elders) in

Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

581, althans in elk geval een (groot) aantal personen (vermeld in overzicht

D-938 en/of AH-93), waaronder [slachtoffer 1] (G-1) en/of [slachtoffer 2]

(G-2) en/of [slachtoffer 3] (G-3) en/of [slachtoffer 4] (G-4) en/of [slachtoffer 5]

(G-10) en/of één of meer andere belegger(s) verenigd in de Stichting

Belangen Obligatiehouders VSM (en namens wie de stichting zich heeft gevoegd)

(hier na te noemen beleggers)

heeft bewogen tot de afgifte van één of meerdere geldbedrag(en) (van in

totaal EUR 27.425.676,-, althans één en/of meer geldbedragen genoemd op het

overzicht D-938, althans een groot geldbedrag) (AH-18), in elk geval (telkens)

enig goed

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend en/of doen/laten

voorwenden (mondeling en/of schriftelijk) - ondermeer-:

- dat de door Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of één of meer aan haar

gelieerde rechtsperso(o)n(en) ontvangen gelden grotendeels, althans in

belangrijke mate zouden worden belegd/geïnvesteerd in (Nederlands) onroerend

goed en/of in de aankoop en/of verkoop en/of exploitatie van vastgoedobjecten

in Nederland en/of dat de doelstelling van Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

was het behalen van optimaal rendement door het investeren in Nederlands

Vastgoed, althans dat de kernactiviteit van VSM is/was vastgoedontwikkeling,

handel in vastgoed en vastgoedbeleggingen (D/2, p. 29), terwijl in

werkelijkheid een deel van de inleg groot EUR 11.969.762,- althans een

relatief groot bedrag van de inleg, aan andere doeleinden (niet zijnde de

genoemde kernactiviteiten) is besteed (o.a. mondeling en/of Folder VSM 0-AH4c

en/of D/2, p. 29)

en/of

- dat aan belegger(s) een rendement zou worden vergoed van minimaal 4.5% tot

9% op jaarbasis en/of tot 4.5% winstdelende rente per jaar, met een

maandelijkse /kwartaal uitkering van de vaste rente en/of jaarlijkse

uitkering van de variabele rente (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder VSM 0-AH4c), terwijl in werkelijkheid

hetgeen werd uitgekeerd geen rendement was doch (gelden) afkomstig uit de

inleg(gen) van nieuwe beleggers

en/of

- dat de te vergoeden rente op 4.5% - 9% winstdelende obligaties Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. (VSM) praktisch geheel gebaseerd zou zijn op

cashflow van de vastgoedinvestering (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c)

en/of

- dat investering in commercieel onroerend goed van Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. zekerheid zou geven van een aantrekkelijk rendement en een

laag risicoprofiel (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250)

en/of

- dat de afgelopen jaren meer dan 8% rendement was uitgekeerd (o.a. brochure

VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c

en flyer VSM D-407)

en/of

- dat met het VSM product geïnvesteerd zou worden in een veilig product en/of

"een steenharde investering met een steengoed rendement" en/of dat een VSM

obligatie een product zou zijn met een goed rendement en een laag risico en/of

(o.a. folder VSM 0-AH-4c)

en/of

- dat de (potentiële) belegger(s) in het vooruitzicht werd gesteld dat zij

hun inleg na 20 jaar terug zouden krijgen (o.a. brochure D/9 en/of D-250

en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c), terwijl de wijze

van beleggen en besteding der gelden dit in feite onmogelijke maakten

en/of

- dat de initiatiefnemer van Vastgoed Solide Maatschappij B.V., Vastgoed

Solide Fondsen B.V. zichzelf de verplichting had opgelegd om in de

onderneming gemaakte winst direct uit te keren aan obligatiehouders tot een

maximum van 9% (o.a. Folder VSM 0-AH4c)

en/of

- dat middels het binnen concern doorlenen van bedragen tegen een vast

rentevergoeding van 12% (de indruk werd gewekt en/of gemaakt) dat winsten

werden gerealiseerd, terwijl de concernmaatschappijen in werkelijkheid niet in

niet in staat waren die rente daadwerkelijk te voldoen

en/of

- dat winsten van VSM werden geflatteerd, door kosten bij andere

vennootschappen (APEX) te verantwoorden

en/of

- het vertrouwen van beleggers gewekt door de navolgende handelingen en/of

(schriftelijke) uitlatingen:

A dat Vastgoed Solide Maatschappij B.V. samenwerkt met diverse gerenommeerde

partijen en/of toonaangevende professionele vastgoedorganisaties (zoals

advocatenkantoor en/of PWC) (o.a. folder VSM 0-AH4c)

en/of

B dat onttrekkingen en/of vervroegde aflossing en/of uitstappen (ten alle

tijden kosteloos) mogelijk zou zijn (o.a. brochure VSM, D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder VSM, 0-AH-04c)

en/of

C dat de prospectus gedeponeerd is bij Stichting Autoriteit Financiële

Markten (AFM) (o.a Brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of

D-290)

en/of

D dat de benodigde ontheffing verleend was door De Nederlandse Bank (o.a.

Brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290)

en/of

E dat moedermaatschappij Vastgoed Solide Fondsen B.V. krachtens een

garantieovereenkomst onherroepelijk de nakoming van de verplichting die

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. uit hoofde van de 4,5 - 9%

winstdelingsobligaties VSM aan de obligatiehouders had, zou garanderen en/of

dat een onderneming garant zou staan voor de nakoming van de obligaties (o.a.

prospectus VSM D/2 en/of D-290 en/of mondeling)

en/of

F door na een eerste inleg (van beleggers) gelden uit te betalen en/of rente

te betalen en/of rente op nieuw te beleggen

, waardoor (telkens) één of meer belegger(s) (telkens) werd/werden bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

(Noot: de hier boven opgenomen verwijzingen dienen als volgt te worden gelezen

Folder VSM 0-AH4c, papieren dossier vindplaats: pagina 20000056, e.v.

Brochure VSM D/9, papieren dossier vindplaats: pagina 60000295, e.v.

Brochure VSM D-250, papieren dossier vindplaats: pagina 60001196 e.v.

Prospectus VSM D/2, papieren dossier vindplaats: pagina 60000027, e.v.

Prospectus VSM D-290, papieren dossier vindplaats: pagina 60001532)

art 326 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of Apex Vastgoed B.V.

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december

2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O), en/of Arnhem en/of elders in

Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

581, althans in elk geval een (groot) aantal personen (vermeld in overzicht

D-938 en/of AH-93), waaronder [slachtoffer 1] (G-1) en/of [slachtoffer 2]

(G-2) en/of [slachtoffer 3] (G-3) en/of [slachtoffer 4] (G-4) en/of [slachtoffer 5]

(G-10) en/of één of meer andere belegger(s) verenigd in de Stichting

Belangen Obligatiehouders VSM (en namens wie de stichting zich heeft gevoegd)

(hier na te noemen beleggers)

heeft bewogen tot de afgifte van één of meerdere geldbedrag(en) (van in

totaal EUR 27.425.676,-, althans één en/of meer geldbedragen genoemd op het

overzicht D-938, althans een groot geldbedrag) (AH-18), in elk geval

(telkens) enig goed

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend en/of doen/laten

voorwenden (mondeling en/of schriftelijk) - ondermeer-:

- dat de door Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of één of meer aan haar

gelieerde rechtsperso(o)n(en) ontvangen gelden grotendeels, althans in

belangrijke mate zouden worden belegd/geïnvesteerd in (Nederlands) onroerend

goed en/of in de aankoop en/of verkoop en/of exploitatie van vastgoedobjecten

in Nederland en/of dat de doelstelling van Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

was het behalen van optimaal rendement door het investeren in Nederlands

Vastgoed, althans dat de kernactiviteit van VSM is/was vastgoedontwikkeling,

handel in vastgoed en vastgoedbeleggingen (D/2, p. 29), terwijl in

werkelijkheid een deel van de inleg groot EUR 11.969.762,- althans een

relatief groot bedrag van de inleg, aan andere doeleinden (niet zijnde de

genoemde kernactiviteiten) is besteed (o.a. mondeling en/of Folder VSM 0-AH4c

en/of D/2, p. 29)

en/of

- dat aan belegger(s) een rendement zou worden vergoed van minimaal 4.5% tot

9% op jaarbasis en/of tot 4.5% winstdelende rente per jaar, met een

maandelijkse /kwartaal uitkering van de vaste rente en/of jaarlijkse uitkering

van de variabele rente (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2

en/of D-290 en/of Folder VSM 0-AH4c), terwijl in werkelijkheid hetgeen werd

uitgekeerd geen rendement was doch (gelden) afkomstig uit de

inleg(gen) van nieuwe beleggers

en/of

- dat de te vergoeden rente op 4.5% - 9% winstdelende obligaties Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. (VSM) praktisch geheel gebaseerd zou zijn op

cashflow van de vastgoedinvestering (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c)

en/of

- dat investering in commercieel onroerend goed van Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. zekerheid zou geven van een aantrekkelijk rendement en een

laag risicoprofiel (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250)

en/of

- dat de afgelopen jaren meer dan 8% rendement was uitgekeerd (o.a. brochure

VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c

en flyer VSM D-407)

en/of

- dat met het VSM product geïnvesteerd zou worden in een veilig product en/of

"een steenharde investering met een steengoed rendement" en/of dat een VSM

obligatie een product zou zijn met een goed rendement en een laag risico en/of

(o.a. folder VSM 0-AH-4c)

en/of

- dat de (potentiële) belegger(s) in het vooruitzicht werd gesteld dat zij

hun inleg na 20 jaar terug zouden krijgen (o.a. brochure D/9 en/of D-250

en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c), terwijl de wijze

van beleggen en besteding der gelden dit in feite onmogelijke maakten

en/of

- dat de initiatiefnemer van Vastgoed Solide Maatschappij B.V., Vastgoed

Solide Fondsen B.V. zichzelf de verplichting had opgelegd om in de onderneming

gemaakte winst direct uit te keren aan obligatiehouders tot een maximum

van 9% (o.a. Folder VSM 0-AH4c)

en/of

- dat middels het binnen concern doorlenen van bedragen tegen een vast

rentevergoeding van 12% (de indruk werd gewekt en/of gemaakt) dat winsten

werden gerealiseerd, terwijl de concernmaatschappijen in werkelijkheid niet in

in staat waren die rente daadwerkelijk te voldoen

en/of

- dat winsten van VSM werden geflatteerd, door kosten bij andere

vennootschappen (APEX) te verantwoorden

en/of

- het vertrouwen van beleggers gewekt door de navolgende handelingen en/of

(schriftelijke) uitlatingen:

A dat Vastgoed Solide Maatschappij B.V. samenwerkt met diverse gerenommeerde

partijen en/of toonaangevende professionele vastgoedorganisaties (zoals

advocatenkantoor en/of PWC) (o.a. folder VSM 0-AH4c)

en/of

B dat onttrekkingen en/of vervroegde aflossing en/of uitstappen (ten alle

tijden kosteloos) mogelijk zou zijn (o.a. brochure VSM, D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder VSM, 0-AH-04c)

en/of

C dat de prospectus gedeponeerd is bij Stichting Autoriteit Financiële Markten

(AFM) (o.a Brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290)

en/of

D dat de benodigde ontheffing verleend was door De Nederlandse Bank (o.a.

Brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290)

en/of

E dat moedermaatschappij Vastgoed Solide Fondsen B.V. krachtens een

garantieovereenkomst onherroepelijk de nakoming van de verplichting die

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. uit hoofde van de 4,5 - 9%

winstdelingsobligaties VSM aan de obligatiehouders had, zou garanderen en/of

dat een onderneming garant zou staan voor de nakoming van de obligaties (o.a.

prospectus VSM D/2 en/of D-290 en/of mondeling)

en/of

F door na een eerste inleg (van beleggers) gelden uit te betalen en/of rente

te betalen en/of rente op nieuw te beleggen

, waardoor (telkens) één of meer belegger(s) (telkens) werd/werden bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

(Noot: de hier boven opgenomen verwijzingen dienen als volgt te worden gelezen

Folder VSM 0-AH4c, papieren dossier vindplaats: pagina 20000056, e.v.

Brochure VSM D/9, papieren dossier vindplaats: pagina 60000295, e.v.

Brochure VSM D-250, papieren dossier vindplaats: pagina 60001196 e.v.

Prospectus VSM D/2, papieren dossier vindplaats: pagina 60000027, e.v.

Prospectus VSM D-290, papieren dossier vindplaats: pagina 60001532)

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of APEX vastgoed B.V. in of omstreeks de

periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of

Arnhem en/of elders in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

(telkens) opzettelijk -ondermeer- één of meer van onderstaande geldbedragen

(tot een totaal van circa EUR 11.969.762,-, (zijnde ongeveer 43,64 procent

van de totale inleg van EUR 27.425.676,-) in elk geval enig(e) geldbedrag(en)

en/of in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan één of meer van hieronder genoemde

personen , en/of één of meer belegger(s) genoemd in het overzicht D-938 en/of

één of meer belegger(s) verenigd in de Stichting Belangen Obligatiehouders VSM

(en namens wie de stichting zich heeft gevoegd)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan Vastgoed Solide Maatschappij

B.V. en/of APEX vastgoed B.V. en/of haar mededaders, welk(e) goed(eren)

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of APEX vastgoed B.V. en/of haar

mededaders, anders dan door misdrijf, te weten als inleggeld voor

beleggingen/investeringen van VSM producten en/of lening(en) onder zich

had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend en/of doen/laten toe-eigenen;

12281 [slachtoffer 1] EUR 92.100,00

12403 [slachtoffer 2] EUR 72.700,00

12236 [slachtoffer 3] EUR 29.700,00

12459 [slachtoffer 4] EUR 415.800,00

12462 [slachtoffer 5] EUR 142.900,00

(althans een percentage (43,64%) hiervan)

(bron D-938)

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 321 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december

2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in

Nederland

telkens) tezamen en in vereniging met elkaar, althans met één of meer

natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen

(telkens) opzettelijk -ondermeer- één of meer van onderstaande geldbedragen

(tot een totaal van circa EUR 11.969.762,-, (zijnde ongeveer 43,64 procent

van de totale inleg van EUR 27.425.676,-) in elk geval enig(e) geldbedrag(en)

en/of in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of

APEX en/of één of meer aan hen gelieerde rechtsperso(o)n(en) (die dit

had/hadden verkregen als inleg op obligatieleningen van één of meer genoemde

personen in het overzicht D-938)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededaders, anders dan

door misdrijf, te weten als inleggeld voor beleggingen/investeringen van

VSM producten en/of lening(en)

en/of feitelijk leidinggevende van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. onder

zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend en/of doen/laten

toe-eigenen;

12281 [slachtoffer 1] EUR 92.100,00

12403 [slachtoffer 2] EUR 72.700,00

12236 [slachtoffer 3] EUR 29.700,00

12459 [slachtoffer 4] EUR 415.800,00

12462 [slachtoffer 5] EUR 142.900,00

(althans een percentage (43,64%) hiervan)

(bron D-938)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 december 2008 tot en met 1 oktober 2012 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of

elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

- ( telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR

EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans EUR 796.407,15 althans één

of meer geldbedrag(en) (telkens) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet

En/of

- ( telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR

EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans EUR 796.407,15 althans één

of meer geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de

vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of

verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een)

voorwerp(en) was of wie

bovenomschreven voorwerpen voorhanden had,

terwijl hij verdachte en/of zijn mededaders (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en)

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl

hij verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een

gewoonte heeft/hebben gemaakt

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of APEX vastgoed B.V. op één of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 1

oktober 2012 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met elkaar, althans met één of meer

natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans ieder voor zich

- ( telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR

EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans één of meer

geldbedrag(en) (telkens) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen en/of heeft omgezet

En/of

- ( telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR

EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans één of meer

geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de

vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of

verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een)

voorwerp(en) was of wie

bovenomschreven voorwerpen voorhanden had,

terwijl Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of APEX vastgoed B.V. en/of haar

mededaders (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden,

dat bovenomschreven voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf, terwijl Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of

APEX vastgoed B.V. en/of haar mededader(s) van het plegen van witwassen een

gewoonte heeft/hebben gemaakt

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december

2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of Rijswijk

en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (digitale) bedrijfsadministratie van

Apex Vastgoed B.V. - (elk) zijnde een samenstel van geschriften dat in

onderlinge samenhang

bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans (elk)

zijnde een geschrift/geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft doen

opmaken,

met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die

bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed B.V.;

A één en/of meerdere valse en/of vervalste boekingen op/in de/het

grootboekrekening was/waren opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt, bestaande

die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - in die

grootboek(rekening) van Apex Vastgoed B.V. personeelskosten en/of algemene

kosten (bedrijfsvoering) was/waren opgenomen, terwijl in werkelijkheid

voornoemde kosten te relateren waren aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

en/of toe te rekenen waren aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

en/of

B een groot aantal, althans één en/of meerdere valse facturen was/waren

verwerkt en/of geboekt en/of opgenomen waaronder:

- een factuur afkomstig [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex

Vastgoed B.V. d.d. 1 april 2009 (dossier vindplaats D-019) en/of

- één of meerdere factu(u)r(en) (gedateerd op één of meer tijdstip(pen) in de

periode 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2009) afkomstig van [verdachte 1]

en gericht aan Apex Vastgoed B.V. (dossier vindplaats D-433 t/m

D-439 en/of D-441) en/of

- een factuur (gedateerd 15 maart 2009) afkomstig van Europe Finance GmbH en

gericht aan Apex Vastgoed B.V. (dossier vindplaats D-346) en/of

- zes, althans één of meerdere factu(u)r(en) (gedateerd op één of meer

tijdsti(pen) in de periode 31 januari 2009 tot en met 26 augustus 2009

afkomstig van [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex Vastgoed B.V.

(dossier vindplaats D-341 en/of D-342 en/of D-442 en/of D-443 en/of D-444

en/of D-445)

Bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

factu(u)r(en) was vermeld dat een bepaalde dienst/goed was geleverd, terwijl in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende

dienstverlening(en) niet of niet geheel heeft/hebben plaatsgevonden

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzingen dienen als volgt gelezen te worden:

D-019, papieren dossier vindplaats: pagina 60000493

D-433 t/m D-439, papieren dossier vindplaats: pagina 60001907 t/m 60001913

D-441, papieren dossier vindplaats: pagina 60001915

D-346, papieren dossier vindplaats: pagina 60001736

D-341, papieren dossier vindplaats: pagina 60001731

D-342, papieren dossier vindplaats: pagina 60001732

D-442 - D-443 - D-444 D-445, papieren dossier vindplaats: pagina 60001916 t/m

60001919)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

APEX Vastgoed B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 december 2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of

Rijswijk en/of elders in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (digitale) bedrijfsadministratie van

APEX Vastgoed B.V. - (elk) zijnde een samenstel van geschriften dat in

onderlinge samenhang

bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans (elk)

zijnde een geschrift/geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft doen

opmaken,

met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die

bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed B.V.;

A één en/of meerdere valse en/of vervalste boekingen op/in de/het

grootboekrekening was/waren opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt, bestaande

die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - in die

grootboek(rekening) van Apex Vastgoed B.V. personeelskosten en/of algemene

kosten (bedrijfsvoering) was/waren opgenomen, terwijl in werkelijkheid

voornoemde kosten te relateren waren aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

en/of toe te rekenen waren aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

en/of

B een groot aantal, althans één en/of meerdere valse facturen was/waren

verwerkt en/of geboekt en/of opgenomen waaronder:

- een factuur afkomstig [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex

Vastgoed B.V. d.d. 1 april 2009 (dossier vindplaats D-019) en/of

- één of meerdere factu(u)r(en) (gedateerd op één of meer tijdstip(pen) in de

periode 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2009) afkomstig van [verdachte 1]

en gericht aan Apex Vastgoed B.V. (dossier vindplaats D-433 t/m

D-439 en/of D-441) en/of

- een factuur (gedateerd 15 maart 2009) afkomstig van Europe Finance GmbH en

gericht aan Apex Vastgoed B.V. (dossier vindplaats D-346) en/of

- zes, althans één of meerdere factu(u)r(en) (gedateerd op één of meer

tijdsti(pen) in de periode 31 januari 2009 tot en met 26 augustus 2009

afkomstig van [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex Vastgoed B.V.

(dossier vindplaats D-341 en/of D-342 en/of D-442 en/of D-443 en/of D-444

en/of D-445)

Bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

factu(u)r(en) was vermeld dat een bepaalde dienst/goed was geleverd, terwijl

in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende

dienstverlening(en) niet of niet geheel heeft/hebben plaatsgevonden

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzingen dienen als volgt gelezen te worden:

D-019, papieren dossier vindplaats: pagina 60000493

D-433 t/m D-439, papieren dossier vindplaats: pagina 60001907 t/m 60001913

D-441, papieren dossier vindplaats: pagina 60001915

D-346, papieren dossier vindplaats: pagina 60001736

D-341, papieren dossier vindplaats: pagina 60001731

D-342, papieren dossier vindplaats: pagina 60001732

D-442 - D-443 - D-444 D-445, papieren dossier vindplaats: pagina 60001916 t/m

60001919)

(art 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december

2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of Rijswijk

en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (digitale) bedrijfsadministratie

van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. - (elk) zijnde een samenstel van

geschriften dat in onderlinge samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs

van het daaringestelde, althans (elk) zijnde een geschrift/geschriften

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft/hebben opgemaakt en/of heeft doen

opmaken, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die

bedrijfsadministratie van Vastgoed Solide Maatschappij B.V.;

A tien, althans één/of meerdere valse factu(u)r(en) en/of vervalste

factu(u)r(en) afkomstig van de Op Maat Groep B.V. en gericht aan Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. over de periode 1 maart 2010 tot en met augustus 2010

(D-381 t/m D-390) was/waren opgenomen en/of verwerkt

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin – zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op

die factu(u)r(en) was vermeld dat een bepaalde dienst/goed was geleverd, terwijl

in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende

dienstverlening(en) niet of niet geheel heeft/hebben plaatsgevonden

en/of

B kosten die ten behoeve van Vastgoed Solide Maatschappij waren gemaakt

(waaronder personeelskosten en/of algemene kosten en/of kosten voor de

bedrijfsvoering) , niet zijn verantwoord in de administratie van Vastgoed

Solide Maatschappij

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzing dient als volgt gelezen te worden:

D-381 t/m D-390, papieren dossier vindplaats: pagina 60001798 t/m 60001807)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2010 te

Hengelo (O) en/of Arnhem en/of Rijswijk en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (digitale) bedrijfsadministratie

van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of één meer aan haar gelieerde

rechtspersonen

- ( elk) zijnde een samenstel van geschriften dat in onderlinge samenhang

bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans (elk)

zijnde een geschrift/geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft doen

opmaken,

met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die

bedrijfsadministratie van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. ;

A tien, althans één/of meerdere valse factu(u)r(en) en/of vervalste

factu(u)r(en) afkomstig van de Op Maat Groep B.V. en gericht aan Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. over de periode 1 maart 2010 tot en met augustus 2010

(D-381 t/m D-390) was/waren opgenomen en/of verwerkt

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin – zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

factu(u)r(en) was vermeld dat een bepaalde dienst/goed was geleverd, terwijl

in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende

dienstverlening(en) niet of niet geheel heeft/hebben plaatsgevonden

en/of

B kosten die ten behoeve van Vastgoed Solide Maatschappij waren gemaakt

(waaronder personeelskosten en/of algemene kosten en/of kosten voor de

bedrijfsvoering) , niet zijn verantwoord in de administratie van Vastgoed

Solide Maatschappij

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzing dient als volgt gelezen te worden:

D-381 t/m D-390, papieren dossier vindplaats: pagina 60001798 t/m 60001807

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

Op Maat Groep B.V., (althans de rechtspersoon bekend onder het

handelsregister nummer 20131761) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks

de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 oktober 2012 te Hengelo (O) en/of

Arnhem en/of Rozendaal en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen

tien, althans één en/of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van de Op Maat Groep

B.V. en gericht aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V. (D-381 t/m D-390)

waaronder:

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 15 maart 2010 (D-381) en/of

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 1 mei 2010 (D-383) en/of

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 1 augustus 2010 (D-389)

zijnde (telkens) (een) geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit

te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken

en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers

heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd

waarheid - zakelijk weergegeven -op die/dat factu(u)r(en) aangegeven dat (een)

goed(eren) en/of (een) dienst(en) door Op Maat Groep B.V. was/waren geleverd

aan Vastgoed Solide maatschappij B.V., terwijl in werkelijkheid de op die/dat

factu(u)r(en) (genoemde) geleverde dienst(en) en/of goeder(en) niet (volledig)

door de Op Maat Groep B.V. (ter hoogte van het op de factu(u)r(en) aangegeven

bedrag) was/waren geleverd en/of was/waren verricht en/of

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzing dient als volgt gelezen te worden:

D-381 t/m D-390, papieren dossier vindplaats: pagina 60001798 t/m 60001807)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2010

tot en met 1 oktober 2012 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of Rozendaal en/of

elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen

tien, althans één en/of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van de Op Maat Groep

B.V. en gericht aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V. (D-381 t/m D-390)

waaronder:

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 15 maart 2010 (D-381) en/of

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 1 mei 2010 (D-383) en/of

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 1 augustus 2010 (D-389)

zijnde (telkens) (een) geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit

te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken

en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers

heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd

met de waarheid - zakelijk weergeven - op die/dat factu(u)r(en) aangegeven dat

(een) goed(eren) en/of (een) dienst(en) door Op Maat Groep B.V. was/waren

geleverd aan Vastgoed Solide maatschappij B.V., terwijl in werkelijkheid de op

die/dat factu(u)r(en) (genoemde) geleverde dienst(en) en/of goeder(en) niet

(volledig) door de Op Maat Groep B.V. (ter hoogte van het op de factu(u)r(en)

aangegeven bedrag) was/waren geleverd en/of was/waren verricht en/of

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzing dient als volgt gelezen te worden:

D-381 t/m D-390, papieren dossier vindplaats: pagina 60001798 t/m 60001807)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van de feit 1 primair en subsidiair,

feit 3 primair en subsidiair en feit 4 primair en subsidiair vrijgesproken wordt en dat hij voor feit 1 meer subsidiair, feit 2 primair en feit 5 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de vordering van de benadeelde partijen, daar waar deze ziet op de vergoeding van hun kosten van rechtsbijstand, toegewezen wordt. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om voor recht te verklaren dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partijen.

4 De voorvragen

4.1

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank overweegt met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding ambtshalve het volgende.

Op grond van artikel 261 lid 1 Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog gehouden worden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk. Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig als daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar bestaanbaar zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder feit 1 primair en subsidiair partieel nietig is voor wat betreft de term ‘ondermeer’. Door het gebruik van deze term is, afgezien van de nader omschreven oplichtingsmiddelen, niet meer duidelijk waartegen verdachte zich moet verdedigen.

Het onder feit 3 primair en subsidiair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank partieel nietig voor wat betreft onderdeel A. Dit onderdeel betreft telkens valse of vervalste boekingen in de grootboekrekening van Apex, als gevolg waarvan de bedrijfsadministratie van Apex valselijk zou zijn opgemaakt. Nu niet is aangegeven waar de onderliggende grootboekkaarten in het dossier zijn opgenomen en de rechtbank deze ook niet in het dossier heeft aangetroffen is de tenlastelegging op dit onderdeel telkens onvoldoende duidelijk.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

4.2

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 primair en feit 5 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Hij voert daartoe, samengevat weergegeven, aan dat medeverdachte [verdachte 1] gezien moet worden als initiatiefnemer van de beleggingsonderneming Vastgoed Solide Maatschappij BV (hierna: VSM). VSM heeft om obligaties te kunnen uitgeven en om aan de daartoe gestelde voorwaarden van DNB (De Nederlandse Bank) en AMF (de Autoriteit Financiële Markten) te kunnen voldoen, zowel in februari 2005 als in december 2006 een prospectus uitgegeven. Hetgeen in de prospectus wordt genoemd, kan worden gezien als een belofte aan de beleggers. De beleggers zijn mede door de inhoud van de prospectus bewogen tot het investeren in VSM obligaties. De prospectus had bij de beleggers een vertrouwenwekkend karakter en heeft velen bewogen tot het inleggen op de obligaties. De prospectus is dan ook een belangrijk oplichtingsmiddel in deze. Er is slechts een deel van de inleg besteed aan vastgoedbeleggingen. Grote bedragen zijn uitgeleend aan moedermaatschappij Apex, maar waar deze gelden aan zijn besteed is niet duidelijk. De in de prospectus opgenomen beloftes zijn jegens de inleggers bewust en listiglijk niet nagekomen, zodat er sprake is van oplichting door VSM waaraan verdachte en de medeverdachten feitelijk leiding hebben gegeven.

Volgens de officier van justitie waren de medeverdachten sinds het begin van de onderneming bij dat handelen betrokken. Verdachte kwam eerst na het vertrek van medeverdachte [verdachte 4] in december 2008, bij VSM. Hij ging via de OpMaatGroep administratieve werkzaamheden verrichten voor VSM. Hij is niet betrokken geweest bij het opstellen van de prospectus, zodat hetgeen hem onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd niet bewezen kan worden. Tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde kan wel worden gekomen, nu bewezen kan worden dat hij sinds zijn komst naar VSM betrokken is geweest bij de onttrekking van gelden aan VSM/Apex.

Hetzelfde geldt volgens de officier van justitie voor het ten laste gelegde witwassen. Geldbedragen zijn via oplichting of verduistering ter beschikking gekomen van Apex en daarna verhuld in uitgaven en kosten die niet werkelijk hebben bestaan of niet op de bedrijfsvoering van VSM betrekking hebben en in elk geval niet conform de doelstelling zijn aangewend, terwijl een deugdelijke verantwoording ontbreekt. In de onjuiste of nagelaten verantwoording bestaat het verhullen van de opbrengsten uit de oplichting danwel verduistering, zo stelt de officier van justitie.

Het onder feit 5 primair ten laste gelegde acht de officier van justitie eveneens bewezen. Voor de Op Maat Groep zijn valse facturen opgemaakt waarin niet geleverde diensten of prestaties worden gefactureerd en verdachte is hiervoor verantwoordelijk.

Voor zowel het onder feit 3 primair en subsidiair als feit 4 primair en subsidiair ten laste gelegde is op basis van het dossier volgens de officier van justitie geen bewijs, zodat verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Samengevat stelt zij daar toe het volgende.

Verdachte is eind 2008 door VSM als interimmanager ingehuurd en had als taak kosten te saneren. Na sanering van diverse kostenposten heeft de OpMaatGroep BV (hierna: OMG) in oktober 2009 de verwerking van de administratie van VSM overgenomen. OMG is vanaf dat moment de administratie van VSM gaan beheren en verdachte is eerst toen bij OMG betrokken geraakt. DNB had op dat moment de ontheffing ingetrokken en VSM wilde nog surseance voorkomen. OMG heeft de administratie van Apex niet beheerd. Verdachte is pas op 1 juli 2010 gevolmachtigde geworden van OMG.

Verdachte was niet de opvolger van medeverdachte [verdachte 4] en hij heeft ook een andere rol dan [verdachte 4] vervuld. [verdachte 4] hield zich bezig met beleggers en inleg, het salesteam en het aansturen van het financiële team; verdachte hield zich bezig met het saneren van kosten. Verdachte maakte geen onderdeel uit van de directie en had geen zeggenschap binnen VSM/Apex.

Als al sprake zou zijn van strafbare gedragingen, dan heeft bij verdachte het opzet op alle ten laste gelegde feiten ontbroken. Verdachte was niet betrokken bij inleggers, bij betaalopdrachten aan andere vennootschappen van VSM, medeverdachten of hun vennootschappen en hij was evenmin betrokken bij het vastgoed. Nu het opzet van verdachte op de ten laste gelegde gedragingen ontbreekt dient hij te worden vrijgesproken. Het medeplegen kan volgens de verdediging evenmin bewezen worden, nu hiervoor sprake dient te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Aan de medepleger moet een substantieel verwijt gemaakt kunnen worden voor het tot stand komen van het delict en er moet sprake zijn van een substantiële bijdrage aan de strafbare gedragingen en hiervan is geen sprake. Dat verdachte werkzaamheden heeft verricht in opdracht van VSM en heeft samengewerkt met de medeverdachten is onvoldoende. Zijn rol is niet inwisselbaar geweest. Bovendien had verdachte voor 1 december 2008 geen betrokkenheid bij VSM, zodat verdachte geen aandeel heeft gehad in strafbare gedragingen door medeverdachten in die periode. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van alle handelingen die vóór 1 december 2008 hebben plaatsgevonden.

Evenmin is sprake van feitelijk leidinggeven bij verdachte omdat hij bevoegd noch gehouden was in te grijpen. Verdachte was geen directeur of bestuurder. Kijkend naar de feitelijke werkzaamheden van verdachte, is niet komen vast te staan dat verdachte inleggers heeft benaderd om te investeren, hij het salesteam heeft aangestuurd dan wel dat hij zich op enige wijze met het verkopen van obligaties of aankoop van vastgoed heeft bezig gehouden. Subsidiair stelt de verdediging dat als verdachte al verantwoordelijk gehouden kan worden, het om een tijdelijke periode gaat.

Voorts stelt de verdediging dat verdachte, zo hij al bevoegd zou zijn geweest, hij, gezien de vastomlijnde werkzaamheden, niet gehouden was om in te grijpen, terwijl het opzet bij elke feitelijk leidinggevende aanwezig moet zijn en het opzet gericht moet zijn op de verboden gedraging. Tevens kan ook hier het medeplegen feitelijk leidinggeven niet bewezen worden.

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde stelt de verdediging nog dat ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde vijf personen niet de betrokkenheid van verdachte kan worden afgeleid, nu deze vijf personen na december 2008 geen gelden hebben ingelegd. Evenmin heeft verdachte deze personen bewogen tot afgifte en niet is vast te stellen of en door wie nadien gelden zijn ingelegd, zodat vrijspraak dient te volgen. Zulks geldt ook voor de beschreven oplichtingsmiddelen, nu uit het dossier niet blijkt dat de middelen in de ten laste gelegde periode personen hebben bewogen tot afgifte van goederen.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde stelt de verdediging dat voor een veroordeling voor witwassen moet komen vast te staan dat verdachte wetenschap had dat het goed van een misdrijf afkomstig was. Hoewel het dossier acht methoden noemt waar verdachte gebruik van zou hebben gemaakt om de werkelijke aard en herkomst van de door hem verkregen gelden te verhullen, volgt uit het dossier niet dat de gelden afkomstig zijn van misdrijf en uit feiten en omstandigheden blijkt ook niet dat als aannemelijk zou zijn dat het goed van enig misdrijf afkomstig was, verdachte wetenschap had of moest hebben van deze feiten en omstandigheden. Gelet hierop dient vrijspraak te volgen van opzetwitwassen. Dat geldt volgens de verdediging tevens primair voor het schuldwitwassen. Verdachte heeft onderzoek gedaan naar VSM. VSM bleek een solide bedrijf, had een ontheffing van DBN en de jaarrekeningen werden goedgekeurd. Ook na intrekking van de ontheffing is contact met PWC en DNB geweest om oplossingen te zoeken om de ontheffing weer te krijgen. Subsidiair stelt de verdediging dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging met betrekking tot het voorhanden hebben en het verwerven.

Ten aanzien van het onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde stelt de verdediging zich eveneens op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde stelt de verdediging zich tot slot ook op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu uit het dossier niet blijkt dat de inhoud van de facturen van OMG aan VSM in strijd met de werkelijkheid was. De werkzaamheden zijn door OMG voor VSM verricht en de daarvoor afgesproken kosten zijn door VSM aan OMG betaald.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Algemeen

De rechtbank stelt vast dat het dossier van het opsporingsonderzoek van de Belastingdienst/FIOD weinig structuur kent, moeilijk toegankelijk is en wat betreft de daarin opgenomen gegevens geen sluitend beeld geeft. Voor wat betreft de beoordeling van de ten last gelegde feiten stelt de rechtbank op grond van de gegevens die wel uit het dossier naar voren komen het volgende vast.

2004

Apex Vastgoed BV (hierna Apex) en Vastgoed Solide Maatschappij BV (hierna VSM) zijn op 3 mei 2004 opgericht. Beide vennootschappen maken deel uit een concern. Binnen dit concern is Apex via een andere vennootschap, te weten Vastgoed Solide Fondsen BV (hierna VSF), moedermaatschappij en middellijk bestuurder van VSM, die op haar beurt bestuurder is van Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen B.V. (hierna VSMB).

2005

Op 7 februari 2005 brengt VSM een prospectus uit met betrekking tot de uitgifte van 400.000 obligaties van elk € 100,-- (maximale omvang van de beoogde emissie 40 miljoen) met een looptijd van twintig jaren. Als doel staat in het prospectus omschreven de aankoop/verkoop van vastgoed, ontwikkeling van vastgoed en exploitatie van vastgoed. Over de bedrijfskosten vermeldt het prospectus het volgende: “De algemene kosten hebben betrekking op de exploitatie van VSF en V.S.M.B. Hieronder vallen kosten als: salarissen, managementvergoeding, kosten van ING-bank. de bewaarder, etc... Om deze kosten te betalen wordt er maandelijks 0,2% van het netto belegd vermogen door V.S.M. aan Apex/V.S.F. betaald. (exclusief het belegd hypothecair vermogen)”.

De directie bestaat volgens dit prospectus uit: [verdachte 1], commercieel directeur, [verdachte 5], directeur vastgoed; [verdachte 2], directeur ontwikkeling;

[verdachte 6], directeur operations en er is een vacature voor een directeur financiën.

Vanaf 15 februari 2005 is inschrijven mogelijk. In het jaar 2005 is door obligatiehouders

€ 2.730.000,-- ingelegd.

Vanaf 25 februari 2005 worden er diverse leningsovereenkomsten opgesteld tussen VSM en Apex waarbij VSM geldbedragen uitleent aan Apex tegen een rente van 12% per jaar. Uit onderzoek van bankrekeningen (volgens de verbalisant is dit onderzoek niet volledig geweest wegens het niet beschikbaar hebben van alle bankrekeningoverzichten) volgt dat in 2005 door VSM in ieder geval een bedrag van € 720.108,-- is overgemaakt aan Apex. Rente over de uitgeleende gelden is niet betaald, maar is in rekening courant geboekt.

Vanuit Apex worden de kosten van VSM betaald.

Op 30 juni 2005 wordt het eerste pand aangekocht.

Op 1 december 2005 wordt een managementovereenkomst opgesteld met [verdachte 4].

2006

In 2006 is door de obligatiehouders een bedrag van € 3.210.000,-- ingelegd. Ook in 2006 worden panden aangekocht. Daarnaast worden de leningen van VSM aan Apex uitgebreid en vervolgens vervangen door nieuwe leningsovereenkomsten.

In 2006 wordt een bedrag van € 1.590.000,-- vanuit VSM overgeboekt naar Apex.

Op 8 december 2006 wordt door VSM een nieuwe prospectus uitgebracht. Hierin is opgenomen dat de directie bestaat uit [verdachte 1], commercieel directeur,

[verdachte 5], directeur vastgoed, [verdachte 2], directeur ontwikkeling,

[verdachte 6], directeur operations en [verdachte 4], directeur financiën. Allen zijn tevens 20% aandeelhouder van de moedermaatschappij Apex. In het prospectus is opgenomen dat VSM de opbrengst van de obligaties uitleent aan vennootschappen behorend tot de groep waarvan VSM deel uit maakt, dit ter financiering van hun ondernemingen. Over kosten is opgenomen dat de managementvergoeding maandelijks 0,1% (exclusief omzetbelasting) bedraagt te berekenen over de waarde van de activa van Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen.

2007

Op 1 januari 2007 is het op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) niet langer toegestaan om door te gaan met het aantrekken van opvorderbare gelden buiten besloten kring van andere dan professionele markt partijen. Daartoe is een ontheffing vereist.

In 2007 worden meerdere panden aangekocht. Daarnaast worden veilingpanden aangekocht en die later weer worden verkocht.

In het jaar 2007 wordt door de obligatiehouders een bedrag van € 6.686.000,-- ingelegd en wordt door Apex indirect een bedrag van VSM ontvangen van € 3.050.000,--.

Op 3 september 2007 geeft [verdachte 4] in een mail, met kopie aan de andere directieleden, aan dat voor een vergunning via De Nederlandse Bank (DNB) het niet is toegestaan voor VSM geld uit te lenen aan een moedermaatschappij. Dit is per jaarrekening 2006 nog wel het geval. [verdachte 4] geeft aan dat het middels aktes van cessie mogelijk is deze financiering vanuit VSM aan VSF te verplaatsen via VSMB naar BVSM. Na herfinanciering voldoet VSM, aldus [verdachte 4], aan het vereiste dat zij geld dat zij in de markt ophaalt, doorleent aan de dochtervennootschap.

2008

Op 5 maart 2008 wordt aan VSM ontheffing op grond van de Wft verleend.

Ook in 2008 worden panden aangekocht en verkocht.

In 2008 is door obligatiehouders € 9.587.000,-- ingelegd. Uit het onderzoek van bankrekeningen volgt dat in 2008 in ieder geval € 1.675.000,-- is overgemaakt aan Apex.

Op 27 juni 2008 wordt de jaarrekening van 2007 goedgekeurd. Eerdere jaarrekeningen zijn ook goedgekeurd. [naam 1] is namens KroeseWevers vanaf 2004 betrokken geweest bij Apex, VSF en VSM bij de advisering omtrent de structuur en de fiscale paragraaf van het prospectus. Hij heeft ook een concept gemaakt van de aan Price Waterhouse Coopers (PWC) verstrekte jaarrekeningen over 2004 tot en met 2007.

[naam 2] is namens PWC in de periode van november 2004 tot en met november 2006 bij VSM betrokken geweest en heeft accountantsverklaringen afgegeven bij de jaarrekeningen van VSM over 2005 en van VSF over 2004 en 2005. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat de goedkeurende verklaringen 2004 en 2005 nimmer zijn ingetrokken en dat daaruit is af te leiden dat de verklaringen en de daaraan ten grondslag liggende informatie correct zijn en dat de jaarrekeningen aldus een getrouw beeld geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de betrokken vennootschappen per

31 december 2004, respectievelijk 2005.

Vanaf december 2006 is [naam 3] namens PWC betrokken geweest bij de controle van de jaarrekeningen van VSF, VSM en VSMB over de jaren 2006, 2007 en 2008. Bij de rechter-commissaris heeft zij hierover verklaard dat [verdachte 4] haar belangrijkste aanspreekpunt was en dat er gevraagd is om de controle van de jaarrekeningen te doen en de beoordeling van het prospectus van 8 december 2006. Zij heeft de accountantsverklaring bij dat prospectus afgegeven. In het kader van de controle van de jaarrekening over 2006 is de intercompany-lening tussen VSF en Apex besproken met het management inclusief [verdachte 4]. Dat was toen een belangrijk onderwerp. Daarbij is aan de orde geweest wat Apex met de ontvangen lening heeft gedaan, hoe deze activiteiten linken naar de activiteiten van VSM/VSF, aan welke voorwaarden (groei/omvang) moet worden voldaan om de lening te kunnen terugbetalen en op welke wijze die lening in twee jaren zou worden terugbetaald. In juni 2007 was het, gegeven de initiatieven van VSF en de markt op dat moment in vergelijkbare initiatieven, aannemelijk dat Apex de lening zou kunnen terugbetalen. De intercompany- lening tussen VSF en Apex is ook beoordeeld als onderdeel van de controle van de jaarstukken over 2007 en daarbij is het plan van de directie besproken om tot terugbetaling te komen. Op basis daarvan is de goedkeurende verklaring er gekomen. In juni 2009 heeft het management geconcludeerd dat de lening moest worden afgewaardeerd omdat er op dat moment geen onderbouwingen waren om de lening te kunnen betalen. Voor PWC waren er twee momenten waarop duidelijk werd dat voor 2008 geen goedkeurende verklaring kon worden afgegeven, namelijk: in december 2008/januari 2009 toen werd meegedeeld dat [verdachte 4] was vertrokken en de status van de initiatieven met betrekking tot de terugbetaling van de lening aan Apex werd besproken en in juni 2009 tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Bij de controle van de jaarrekeningen van VSM is het prospectus er steeds weer bij gepakt. [naam 3] had geen gecontroleerde stukken van het eigen vermogen van Apex en ze heeft niet de feitelijke uitstroom van gelden gezien vanuit Apex. Haar is verteld dat de gelden van Apex zijn besteed ten behoeve van het opzetten van de organisatie.

[verdachte 4] geeft in zijn verklaring bij de curator Van der Knijff aan dat hij zich in oktober 2008 voor het eerst serieus zorgen ging maken over de mogelijkheden tot voortbestaan van Apex en VSM.

Fortis heeft toen aangegeven dat zij niet akkoord ging met het plan tot verpanding van de aandelen. [verdachte 4] geeft aan dat hij toen extra heeft benadrukt dat er gesneden moest worden in de kosten, maar hij kreeg de handen hiervoor niet op elkaar.

Op 12 december 2008 heeft een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden waarbij alle aandeelhouders aanwezig waren. Uit de aantekeningen van die vergadering van [verdachte 4] is op te maken dat hij voor de bespreking van de stand van zaken iedere aandeelhouder een overzicht heeft gegeven van de verwachte stand met ingang van 1 januari 2009 en het verwachte resultaat en de verwachte cash flow rekening houdend met deze stand. In een toelichting heeft [verdachte 4] aangegeven dat het niet mogelijk is om ook nog maar € 1,-- meer direct dan wel indirect te onttrekken aan Vastgoed Solide Maatschappij BV anders dan conform het prospectus is toegestaan en dat het noodzakelijk is dat Apex Vastgoed BV vanaf heden haar maandelijks rente gaat betalen. Vervolgens geeft [verdachte 4] aan dat als dat niet gebeurt het dan in 2009 niet mogelijk zal zijn om een winstdelende rente uit te keren. Reactie van de overige vier bestuurders/aandeelhouders was dat het risico van het niet betalen van de management fee nota's, inclusief de additionele nota's van [verdachte 1], die aangaf € 48.000,-- per maand nodig te hebben, te groot zou zijn en dat daardoor waarschijnlijk die initiatieven zouden mislukken. [verdachte 4] geeft aan dat hij reeds meerdere keren gezegd heeft dat er geen additionele gelden direct dan wel indirect konden worden onttrokken aan Vastgoed Solide Maatschappij BV en dat hij heeft aangegeven dat dat geld uit andere middelen moest komen. [verdachte 4] heeft in de diverse directie- dan wel aandeelhoudersvergaderingen de anderen steeds geïnformeerd over de financiële stand van zaken. Hij schrijft dat geen van de bestuurders/aandeelhouders op basis van de informatie die aan hen is verstrekt kan zeggen dat zij niet op de hoogte zijn van de situatie. [verdachte 4] treedt vervolgens af als directeur financiën.

2009

In de loop van 2009 worden onverkort kosten van VSM gedeclareerd bij Apex.

Op 25 augustus 2009 vindt er een onderzoek plaats bij VSM door DNB. Als aanleiding wordt onder andere aangegeven dat in de ontvangen jaarrekeningen over 2008 aanwijzingen waren aangetroffen dat VSM voor eigen rekening kredietuitzettingen zou hebben verricht (anders dan het doorlenen aan de dochtervennootschap) en daarmee mogelijk in strijd met de Wft zou hebben gehandeld. Tevens trof DNB enkele niet uit de toelichting te verklaren afboekingen op leningen aan. Volgens DNB heeft [verdachte 2] tijdens het onderzoek ter plaatse in augustus 2009 verklaard, dat er geen managementvergoeding meer zou worden betaald.

Op 28 september 2009 wordt de ontheffing ingetrokken.

Op 16 oktober 2009 geeft DNB in een e-mail aan VSM aan dat VSM, als gevolg van de intrekking van de ontheffing per 28 september 2009, gehouden is om haar activiteiten in de huidige vorm te staken en af te wikkelen. In beginsel resulteert de constatering van een overtreding in de verplichting voor VSM om de gelden die zij onder zich houdt aan de inleggers terug te betalen. VSM kan zich immers niet meer beroepen op de ontheffing.

Op 5 november 2009 wordt er een dienstverleningsovereenkomst opgesteld tussen de

Op Maat Groep B.V. (hierna OMG) en VSF. De overeenkomst is voor akkoord getekend door [verdachte 2] namens VSF, VSM, VSMB en Bewaarder Solide Maatschappij en door verdachte namens OMG. In de overeenkomst staat dat OMG de opdracht verstrekt tot het uitvoeren van administratieve werkzaamheden. In de bijlage staat: "Inclusief managementondersteuning door [verdachte 3] en [verdachte 1] € 43.900 per maand exclusief BTW.” Vervolgens factureert OMG kosten aan Apex en later rechtstreeks aan VSM.

In het jaar 2009 is door de obligatiehouders ingelegd een bedrag van € 1.750.802,--.

Volgens onderzoek bankrekeningen (niet volledig) is in ieder geval overgemaakt aan Apex (al dan niet via VSMB, BVSM, VSF) een bedrag van € 1.488.000,--.

Per 31 december 2009 is er belegd in vierendertig panden totaal met een waarde op dat moment van in totaal € 25.748.207,-- waar een hypotheek op rust van € 14.948.000,--, zodat werd geïnvesteerd in onroerend goed voor een bedrag van € 10.800.207,--.

2010

Op 19 maart 2010 heeft DNB besloten mr. C.W. Houtman, kantoorhoudend te Nijmegen, te benoemen tot (stille) curator als bedoeld in artikel 1:76 Wft.

In de periode april tot en met december 2010 rapporteert Houtman aan DNB in een aantal brieven omtrent gebeurtenissen bij VSM. Hij geeft daarbij aan vanaf 23 maart 2010 gesprekken te hebben gevoerd met de leiding van VSM, waarbij hij vanaf het begin te kennen heeft gegeven dat er geen rechtshandelingen en/of betalingen mogen plaatsvinden zonder zijn toestemming.

In 2010 stuurt OMG diverse facturen aan VSM. Op 5 augustus 2010 worden vier facturen bij wijze van spoedboeking gelijktijdig betaald. In totaal heeft OMG in de periode van

2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 € 84.719,-- ontvangen van Apex en

€ 490.523,-- van VSM. Op 7 december 2010 is Apex failliet verklaard.

Feit 1 primair en subsidiair: oplichting

Ten aanzien van de onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde oplichting overweegt de rechtbank dat van oplichting in dit verband slechts sprake is als bewezen is dat verdachte en/of zijn medeverdachten met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling door het aannemen van een valse naam/hoedanigheid of door listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels iemand hebben bewogen tot afgifte van een geldbedrag. De genoemde oplichtingsmiddelen hoeven niet te zijn aangewend jegens degene van wie de afgifte van het geldbedrag werd verwacht. Zij kunnen ook gebruikt zijn tegen een derde, mits de bedoeling om afgifte te verkrijgen vaststaat en het geld ook daadwerkelijk als gevolg van de oplichtingsmiddelen is afgegeven.

Voorts dient zonder redelijke twijfel te worden vastgesteld dat bij verdachte en/of zijn medeverdachten van meet af aan het oogmerk heeft bestaan om de ingelegde gelden niet te investeren zoals voorgespiegeld in de prospectussen van 7 februari 2005 en 8 december 2006, maar ten eigen bate aan te wenden.

Uit het dossier valt niet meer af te leiden dan dat van het totaal aantal inleggers, waarvan de officier van justitie stelt dat het er 581 zijn, slechts een beperkt aantal personen is gehoord. Van de gehoorde personen zijn er vijf in de tenlastelegging genoemd. Dat deze vijf personen door de oplichtingsmiddelen als genoemd in de dagvaarding zijn bewogen tot afgifte van de door hen ingelegde gelden blijkt niet uit hun verklaringen. Geen van hen geeft aan door de inhoud van folders, brochures en prospectussen, zoals in de tenlastelegging weergegeven, te zijn bewogen tot inleg. Evenmin geven zij aan te zijn bewogen door geflatteerde winsten bij VSM. Voor zover de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen mochten zijn aangewend jegens derden die tussen de vijf genoemde personen en VSM hebben ingestaan, zijn die derden daarover niet gehoord, zodat niet is gebleken wat de uitwerking van die middelen jegens hen is geweest. Indien en voor zover medeverdachte [verdachte 4] daarbij niet als mededader maar als tussenpersoon is aan te merken, is niet komen vast te staan wat hem heeft bewogen en evenmin dat het geld van de genoemde personen ook daadwerkelijk als gevolg van door hem gedane mededelingen -voor zover al in de tenlastelegging opgenomen- is afgegeven.

Wat de beweegredenen van de overige, niet met naam in de tenlastelegging genoemde, inleggers zijn geweest is onbekend. Daarover geeft het dossier geen uitsluitsel.

Bovendien zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte en/of een of meer van de medeverdachten vanaf het begin het oogmerk hebben gehad de ingelegde gelden niet te investeren. Dat dit oogmerk in de loop der tijd zou zijn ontstaan is evenmin gebleken, te meer niet nu uit het dossier juist blijkt, zoals in de hiervoor geschetste gang van zaken is weergegeven, dat VSM over de gehele periode van 2005 tot en met 2009 wel degelijk in vastgoed heeft geïnvesteerd. Voor zover dat oogmerk in de loop der tijd al uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken zou zijn af te leiden, is er geen enkele relatie te leggen met de beweegredenen tot afgifte van gelden van de inleggers die vanaf dat moment instapten. Uit het dossier is daarover immers niets af te leiden. Ook de officier van justitie heeft daarover geen opheldering verschaft.

De rechtbank komt tot de slotsom dat geen wettig en overtuigend bewijs is geleverd dat sprake is geweest van oplichting door verdachte en/of een of meer van de medeverdachte (rechts)personen, zodat verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Feit 1 meer subsidiair en uiterst subsidiair: (feitelijk leidinggeven aan) verduistering

Ten aanzien van de onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde verduistering door de in de dagvaarding genoemde rechtspersonen overweegt de rechtbank het volgende.

Van verduistering is sprake als een iemand enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toe-eigent. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gemachtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van zodanig beschikken kan – afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval – onder meer sprake zijn indien aan een ander dan verdachte toebehorende gelden aan verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd, doel en verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt1.

De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat indien een bedrag niet enkel in bewaring wordt gegeven, maar uitgeleend of geïnvesteerd c.q. belegd in het bedrijf van een ander (in de hoop er via rente, aandelen etc. financieel beter van te worden), men dan een zeker risico loopt. De uitlener, investeerder of belegger geeft dan immers de ontvanger de bevoegdheid dat bedrag te gebruiken of uit te geven voor zover dit in overeenstemming is met het doel van de lening, investering of belegging. Hoewel deze zogenoemde doelbinding de ruimte beperkt waarbinnen de ontvanger het geld rechtmatig kan aanwenden, neemt dat niet weg dat hij binnen die ruimte als heer en meester over dat geld kan beschikken. Van het zich wederrechtelijkheid toe-eigenen is geen sprake zolang de ontvanger binnen de door de doelbinding geboden ruimte handelt.2

In het licht van vorenstaand juridisch kader is dus van belang welke bevoegdheden tot gebruik van de gelden VSM zich ten opzichte van de obligatiehouders -al dan niet contractueel vastgelegd- heeft toegemeten. Om daarin inzicht te krijgen zijn de bepalingen uit het prospectus van 2005 en het prospectus van 2006 van belang. Daaruit komt naar voren dat VSM nimmer heeft voorgespiegeld dat de ingelegde gelden louter voor investeringen in vastgoed zouden worden gebruikt. Zowel in het prospectus 2005 als in het prospectus 2006 is aangegeven dat de inleg ook gebruikt wordt voor ontwikkeling en om kosten te dekken. Bovendien wordt in het prospectus 2006 uitdrukkelijk vermeld dat de ingelegde gelden ook worden gebruikt ter financiering van activiteiten in eigen onderneming en die van de andere groepsvennootschappen. Dat in afwijking van de prospectussen, al dan niet contractueel vastgelegde, andere afspraken zijn gemaakt is niet gebleken.

In verband met het vorenstaande zijn gelden van obligatiehouders al dan niet rechtstreeks vanuit VSM aan Apex overgemaakt. Dat aan deze overboekingen in de te beoordelen periode een andere titel ten grondslag heeft gelegen dan de in de administratie van VSM en Apex aangetroffen leningsovereenkomsten is uit het opsporingsonderzoek niet af te leiden. Nu dit niet is gebleken moet er vanuit worden gegaan dat het allemaal binnen het begrip intercompany-lening valt.

De rechtbank is van oordeel dat zolang een intercompany-lening als reële lening, met mogelijkheid om tot terugbetaling te komen, in de boekhouding van VSM en Apex is opgenomen er gelet op de doelbinding geen sprake is van handelen in strijd met enig al dan niet contractueel vastgelegd doel. Dit wordt eerst anders indien de onmogelijkheid tot, dan wel aanmerkelijke bemoeilijking van, terugbetaling evident is.

PWC heeft tot en met 27 augustus 2008, toen de jaarrekeningen van VSM over 2007 werd goedgekeurd, deze intercompany-lening als reële, terug te betalen lening beschouwd. Uit de verklaring van [naam 3] komt in dit verband naar voren dat bij de controle van de jaarrekening het prospectus is betrokken, dat de intercompany-lening ook is beoordeeld als onderdeel van de controle van de jaarstukken over 2007 en dat daarbij het plan van de directie is besproken om tot terugbetaling te komen.

Het dossier bevat geen aanknopingspunten waaruit zou zijn af te leiden dat PWC daarbij al dan niet opzettelijk foutief is voorgelicht, zodat voor wat betreft de vraag of binnen de doelbinding is gehandeld er vanuit moet worden gegaan dat de lening als reëel is beoordeeld.

Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval tot 27 augustus 2008 geen sprake zijn van verduistering.

Zoals gezegd dient de vraag of het handelen van verdachte en/of de mededaders met betrekking tot de storting van gelden naar Apex al dan niet onder het contractueel vastgelegd doel valt, anders te worden beantwoord indien de onmogelijkheid tot, dan wel aanmerkelijke bemoeilijking van, terugbetaling van de lening evident is.

In dit verband is van belang dat [verdachte 4] in de aandeelhoudersvergadering van 12 december 2008 alle aandeelhouders/bestuurders in detail op de hoogte heeft gesteld van de stand van zaken, de financiële problemen en van het feit dat in het belang van de obligatiehouders een andere koers moest worden gevaren, waarbij geen additionele gelden meer direct of indirect aan VSM worden onttrokken. Zijn plan is toen van tafel geveegd. Dit sluit aan bij de verklaring van [naam 3] waarin zij aangeeft dat het ook voor PWC in december 2008/januari 2009 duidelijk werd dat voor 2008 geen goedkeurende verklaring kon worden afgegeven, toen er werd meegedeeld dat [verdachte 4] was vertrokken en de status van de initiatieven met betrekking tot de terugbetaling van de lening aan Apex werd besproken.

In weerwil van de wetenschap omtrent de financiële situatie en in de wetenschap omtrent de onmogelijkheid om op de oude voet door te gaan is VSM gedurende het hele jaar 2009, vanaf 9 januari tot 10 december 2009 stelselmatig doorgegaan met het al dan niet rechtstreeks overboeken van gelden van obligatiehouders naar Apex. In totaal is in dat jaar een bedrag van € 1.488.000,-- overgemaakt. Dit terwijl vanaf begin 2009 bij VSM duidelijk was dat deze bedragen niet terugbetaald zouden worden, althans dat een en ander daardoor aanmerkelijk zou worden bemoeilijkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit bedrag van € 1.488.000,-- dat VSM voor de obligatiehouders in beheer had deels in strijd met het doel aangewend en door VSM tegen de afspraken in voor andere doeleinden aangewend. Hierbij dient de kanttekening te worden gemaakt dat van dit bedrag moet worden afgetrokken het bedrag dat VSM blijkens het prospectus 2006 als managementkosten heeft voorgewend zijnde 0,1 % per maand van de waarde van de activa van VSM, hetgeen uitgaande van een vastgoedportefeuille in 2009 van 25 miljoen neerkomt op een bedrag van € 25.000,-- per maand, een en ander tot en met augustus (het moment waarop [verdachte 2] aan DNB heeft aangegeven dat er geen managementvergoeding meer zou worden betaald). Dit levert op een totaalbedrag van

€ 200.000,--. Wat het exacte bedrag is geweest dat aan managementvergoeding had mogen worden overgeboekt is op basis van het dossier niet vast te stellen, maar de rechtbank gaat er op grond van het vorenstaande vanuit dat dit om en nabij € 200.000,-- is geweest. Een en ander leidt tot de conclusie dat van het bedrag van € 1.488.000,-- een groot deel tegen de afspraken in voor een ander doel is aangewend. Uit het feit dat, onder de gegeven omstandigheden, voor wat betreft de geldstroom naar en de onttrekking door middel van kostendeclaraties uit Apex de oude koers onverdroten is voortgezet, leidt de rechtbank af dat de opzet van VSM erop gericht is geweest gelden die aan anderen toebehoren zich wederrechtelijk toe te eigenen door deze als niet terug te betalen “lening”, ter betaling van buitensporige (ruim boven de afgesproken managementvergoeding) kosten, aan Apex ter beschikking te stellen en aldus daarover als heer en meester beschikken. De rechtbank is van oordeel dat dat VSM zich dus schuldig heeft gemaakt aan verduistering van enig geldbedrag.

Voor wat betreft de € 490.523,-- die in de periode van 2 december 2009 tot en met

5 augustus 2010 rechtstreeks van VSM aan OMG in verband met kosten is overgemaakt heeft te gelden dat dit heeft plaatsgevonden in dezelfde wetenschap bij VSM en onder dezelfde feitelijke omstandigheden. Daar komt nog bij dat inmiddels de ontheffing door DNB was ingetrokken, DNB had aangegeven dat VSM de gelden onder zich moest houden om aan inleggers terug te betalen en de (stille) curator had aangegeven dat er geen rechtshandelingen en/of betalingen meer mochten plaatsvinden. Hieruit leidt de rechtbank in dit geval de opzet af. De rechtbank komt tot de slotsom dat VSM ook dit geldbedrag heeft verduisterd.

Feitelijk leidinggeven/opdracht geven

Ten aanzien van de vraag of verdachte, al dan niet samen met anderen, feitelijke leiding heeft gegeven aan de hiervoor bedoelde strafbare gedragingen van VSM overweegt de rechtbank het volgende.

Naar vaste jurisprudentie (HR 16 december 1986, NJ 1987, 321 en NJ 1987, 322;

HR 21 januari 1992, NJ 1992, 414 en tevens HR 18 januari 1994, DD 91 206) is van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging sprake indien:

1. de verdachte maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en

2. hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.

Hieruit volgt dat niet alleen statutaire bestuurders van een rechtspersoon feitelijk leiding kunnen geven aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit, maar ook organisatorisch ondergeschikte personen en dat dat leiding geven ook kan bestaan uit een nalaten.

Voornoemd nalaten is alleen strafbaar indien de verdachte bevoegd was maatregelen te nemen en hij ook redelijkerwijs daartoe gehouden was. Deze bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht en het tevens tot de taak van de verdachte behoorde in te grijpen.

Dat verdachte op het moment dat vorenbedoelde verduisteringen in 2009 en 2010 door VSM plaatsvonden bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen ter voorkoming daarvan te nemen is niet gebleken. Verdachte was geen statutair bestuurder en evenmin aandeelhouder. Een managementcontract is, voor zover het dossier te doorgronden is, niet aangetroffen en in het overzichtsproces-verbaal wordt daar geen melding van gemaakt. Hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte na het vertrek van [verdachte 4] de functie van financieel directeur heeft overgenomen, zijn er anderzijds ook verklaringen in het dossier te vinden die de verklaring van verdachte ondersteunen, daar waar hij zegt dat hij binnen VSM/Apex een vastomlijnd takenpakket had in die zin dat hij als interim was ingehuurd om de kosten te saneren. Verdachte wordt derhalve op dit punt het voordeel van de twijfel gegeven en

dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde.

Medeplegen

Ten aanzien van het uiterst subsidiair tenlastegelegde medeplegen van verduistering overweegt de rechtbank het volgende.

Begin december 2008 bestond de directie van VSM en APEX onder meer uit

[verdachte 1], commercieel directeur, [verdachte 2], directeur ontwikkeling en

[verdachte 4], directeur financiën.

Op 12 december 2008 is [verdachte 4] afgetreden. Hij trad af vanwege de in zijn ogen zorgwekkende financiële situatie van VSM en APEX in combinatie met het feit dat overige bestuursleden niet in wilden stemmen met het niet betalen van additionele nota’s van bestuurders en verlaging van hun managementfee.

Vanaf januari 2009 is verdachte betrokken bij VSM en APEX. Zijn werkzaamheden waren er met name op gericht om bij VSM orde op zaken te stellen en de kosten van VSM te verminderen. Voor zijn werkzaamheden ontving hij een management fee van € 12.500,-- per maand excl. BTW, vermeerderd met onkosten.

Uit een e-mail van 7 december 2008 volgt dat [verdachte 1], [verdachte 2] en verdachte afspreken elke maandag een bespreking te houden.

In juni 2009 heeft het management van VSM geconcludeerd dat de incompany leningen tussen VSM en APEX moesten worden afgewaardeerd, omdat op dat moment de financiële situatie van VSM zodanig slecht was dat voorzienbaar was dat die leningen niet zouden kunnen worden terugbetaald. Op dat moment was ook al duidelijk geworden dat PWC geen goedkeurende verklaring voor 2008 af zou kunnen geven.

Op 28 september 2009 is de ontheffing die de DNB aan VSM op grond van de Wft had verleend, ingetrokken. Op 16 oktober 2009 heeft DNB aangegeven dat VSM, als gevolg van de intrekking van de ontheffing per 28 september 2009, gehouden is om haar activiteiten in de huidige vorm te staken en af te wikkelen. Vanaf dat moment was VSM verplicht om de gelden die zij van de beleggers onder zich had aan hen terug te betalen.

Weliswaar is verdachte niet als feitelijk leidinggever van VSM aan te merken, maar uit het vorenstaande volgt dat hij uit hoofde van zijn taakvervulling als interimmanager, zoals hij die zelf omschrijft, op de hoogte moet zijn geweest van de situatie waarin VSM verkeerde, zoals hiervoor weergegeven.

In die wetenschap is verdachte namens OMG op 5 november 2009 een contract aangegaan met VSM en gelieerde vennootschappen, waarbij een dienstverleningsovereenkomst is gesloten en aan OMG de opdracht is vertrekt tot het uitvoeren van administratieve werkzaamheden, “inclusief managementondersteuning door [verdachte 3] en

[verdachte 1]” tegen een vergoeding van € 43.900,-- per maand exclusief BTW.

In de vergoeding voor die administratieve werkzaamheden is begrepen een managementfee van verdachte van € 11.000,-- per maand.

Over OMG is op grond van het dossier het volgende bekend: [verdachte 1], [verdachte 2] en verdachte zijn de drie eigenaren van SCM Swiss Capital Management AG (verder: Swiss Capital). Swiss Capital was van 16 juli 2009 tot 19 augustus 2011 enig aandeelhouder van de op 27 juni 2007 opgerichte OMG.

Getuige [getuige] heeft onder meer verklaard:

[verdachte 1] zit in diverse bedrijven, maar overal onzichtbaar. We hebben het veel over [verdachte 1] gehad, maar het gaat in feite over drie mensen: [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 2]. Het is een drie-eenheid. Ze hebben elkaar nodig.

In zijn e-mail van 2 mei 2009 aan [getuige] schrijft [verdachte 1] onder meer:

Swiss Capital heeft drie eigenaren te weten:

-[verdachte 3]

-[verdachte 2]

-[verdachte 1]

Het is een AG (Actien Geselschaft in het Nederlands een Naamloze Vennootschap) en derhalve zie je de aandeelhouders niet. Dit omdat anders steeds dezelfde personen boven tafel komen en de mensen daarbuiten verbanden gaan zien ….. das niet handig zeg maar.”

Op 19 maart 2010 heeft DNB mr. C.W. Houtman bij VSM benoemd tot stille curator. De eerste bespreking tussen Houtman en [verdachte 2] heeft plaatsgevonden op 23 maart 2010. In zijn brief van 15 juli 2010 aan DNB schrijft Houtman dat hij [verdachte 2] heeft gezegd dat [verdachte 2] zonder zijn toestemming geen rechtshandelingen mag verrichten. Verder schrijft hij in die brief dat [verdachte 2] met geen enkel woord heeft gezegd dat de maandelijkse vergoedingen aan VSM voor het verrichten van de administratie zo hoog waren als later is gebleken. In december 2010 schrijft Houtman aan DNB dat [verdachte 2] bij die eerste bespreking heeft gezegd dat verdachte en [verdachte 1] ervan wisten dat hij het er niet mee eens was met de betalingen aan OMG en daarbij is gezegd dat OMG niet meer zou factureren. Over de werkzaamheden van verdachte en [verdachte 1] zegt Houtman in die brief: “Het is aperte flauwekul dat in de periode na dat ik de opdracht verkreeg door de heren [verdachte 3] en [verdachte 1] nog aan "productontwikkeling, verkoopactiviteiten, intermediair bezoek en klantbezoek, communicatievraagstukken en juridische ondersteuning" zou zijn gedaan.

Op grond van de vorengenoemde dienstverleningsovereenkomst heeft OMG diverse facturen aan VSM gestuurd, waarop betaling heeft plaatsgevonden. Bij de laatste betaling zijn op

5 augustus 2010 vier facturen bij wijze van spoedboeking gelijktijdig betaald. In totaal heeft OMG in de periode van 2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 van VSM een bedrag van € 490.523,-- ontvangen.

Tussen 26 maart 2010 en 24 augustus 2011 ontvangt GING (Guthrie Investments Group Netherlands BV), een aan verdachte gelieerde vennootschap, van OMG een totaal bedrag van € 166.300,-- onder de omschrijving "fee periode 7". [verdachte 1] en zijn toenmalige vriendin [naam 4] ontvangen een totaal bedrag van € 168.500,-- onder dezelfde omschrijving "fee periode 7".

Uit vorenstaande gang van zaken leidt de rechtbank af dat verdachte als directeur van de OMG, waarvan hijzelf, [verdachte 1] en [verdachte 2] via Swiss Capital de eigenaren waren, met VSM, waarvan [verdachte 2] en [verdachte 1] feitelijk leidinggevende waren, op

5 november 2009 een dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan buitensporig hoge kostenvergoedingen konden worden uitbetaald. Feitelijk werd € 52.241,-- per maand door VSM aan de OMG betaald. Uit de maandelijkse facturen die door OMG aan VSM werden gezonden, blijkt dat in het bedrag van € 52.241,-- steeds een management fee van € 11.000,-- voor verdachte en een management fee van € 11.000,-- voor

[verdachte 1] was begrepen. Verder kan het verdachte niet zijn ontgaan dat DNB op

19 maart 2010 DNB mr. C.W. Houtman bij VSM tot stille curator heeft benoemd en die curator vanaf 23 maart 2010 heeft aangegeven dat er zonder zijn toestemming geen rechtshandelingen en betalingen plaats zouden mogen vinden en dat hij het niet eens was met betalingen in verband met buitensporige kostenvergoedingen aan OMG.

Zelfs daarna ging de OMG door met het sturen van haar facturen en werden die facturen ook door VSM betaald. Op deze wijze werd van november 2009 tot en met augustus 2010 een bedrag van € 490.523,-- aan het vermogen van VSM onttrokken. Op het laatst zijn nog gelijktijdig vier facturen van de OMG door middel van een spoedboeking voldaan.

Uit vorenstaande verklaringen en gebeurtenissen in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat er tussen [verdachte 2] en [verdachte 1] als de feitelijk leidinggevenden van VSM en verdachte een nauwe en bewuste samenwerking is geweest en dat die samenwerking vanaf 1 november 2009 erop gericht is geweest om de gelden die derden in VSM hadden ingelegd tegen de afspraken in voor andere doeleinden aan te wenden, te weten voor buitensporige kostenvergoedingen voor verdachte en zijn medeverdachten, die zich deze gelden dus wederrechtelijk hebben toegeëigend. Door aldus te handelen heeft verdachte zich vanaf 1 november 2009 schuldig gemaakt aan het medeplegen van verduistering.

Voor bewezenverklaring van het samen met [verdachte 1] en [verdachte 2] verduisteren van de gelden die door VSM in de periode van 1 januari 2009 tot en met

31 oktober 2009 naar Apex zijn doorgesluisd bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs.

Feit 2: (feitelijk leidinggeven aan) witwassen

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen overweegt de rechtbank het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens – kort

gezegd – (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo’n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de – in beide bepalingen nader omschreven – kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het ‘voorhanden hebben’ daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd3.

De rechtsregels betreffende witwassen zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven onderscheidenlijk voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf bewezen is verklaard en hebben in beginsel geen betrekking op het “overdragen” en het “gebruik maken” van zulke voorwerpen, en evenmin op het begrip “omzetten”.

Niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk “overdragen”, “gebruik maken” of “omzetten” van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de bedoelde rechtsregels worden omzeild enkel door het ten laste leggen onderscheidenlijk bewezen verklaren van een andere delictsgedraging dan “verwerven” of “voorhanden hebben”. In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als “witwassen”, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft4.

De rechtbank beziet het medeplegen van verduistering en de daarop volgende geldstromen, zoals uit het hierboven (onder feit 1 uiterst subsidiair) overwogene volgt, in het licht van vorenstaande vaste jurisprudentie. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van gelden van VSM door deze ter uitvoering van een dienstverleningsovereenkomst tussen VSM en OMG naar OMG weg te sluizen, waarna door OMG uitbetalingen aan [verdachte 1], zijn toenmalige vriendin en verdachte hebben plaatsgevonden. Om een en ander te maskeren is boven OMG de Zwitserse moedermaatschappij Swiss Capital geplaatst. De kwalijke intentie om bewust te voorkomen dat gezien wordt dat (deels) dezelfde mensen achter VSM en OMG zitten blijkt uit het hiervoor weergegeven e-mailbericht van [verdachte 1] van 2 mei 2009.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en zijn mededaders door te handelen zoals zij deden tezamen en in vereniging de geldbedragen niet alleen hebben verworven en voorhanden hebben gehad maar ook hebben overgedragen en daarbij de werkelijke herkomst verborgen hebben gehouden en hebben verhuld. Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Feiten 3, 4 en 5: Valsheid in geschrift

Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat het dossier, daar waar het de tenlastelegging in de zaak van verdachte betreft, geen wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de in de tenlastelegging genoemde stukken de valsheden bevatten die in de dagvaarding zijn opgenomen.

Daar waar er sprake is van facturen waarin kosten worden opgevoerd wordt in de tenlastelegging telkens gesteld dat de valsheid hierin bestond dat een bepaalde dienst/goed zou zijn geleverd terwijl dit niet (geheel) het geval zou zijn . Dat diensten en/of goederen niet of niet geheel zijn geleverd is niet, dan wel onvoldoende gebleken. Concrete aanknopingspunten zijn uit het dossier niet op te maken en een enkele algemene verklaring dat gesproken zou zijn over “fake facturen” is in dit verband niet doorslaggevend. Ook de omstandigheid dat omtrent een aantal facturen van een bepaalde soort is opgemerkt dat deze direct van de computer moesten worden verwijderd maakt nog niet dat zondermeer vaststaat dat de daarop gestelde diensten en/of goederen niet of niet geheel zijn geleverd.

Voor zover is vast te stellen dat sprake is van valse geschriften die Apex in haar boekhouding heeft opgenomen, is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Dat verdachte van het bestaan van deze stukken en de valsheid daarvan op de hoogte was is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat verdachte, toen hij in 2009 werkzaamheden voor VSM - en later via OMG - ging verrichten en facturen onder ogen kreeg, bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen ter voorkoming daarvan te nemen.

Verdachte wordt derhalve van het onder feit 3 primair en subsidiair, onder feit 4 primair en subsidiair en onder feit 5 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder de feiten 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair, 4 subsidiair, 5 primair en 5 subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1 nog meer subsidiair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 nog meer subsidiair.

hij in de periode van 1 november 2009 tot en met 21 november 2010 in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en rechtspersonen telkens opzettelijk geldbedragen toebehorende aan Vastgoed Solide Maatschappij BV welke goederen zijn mededaders anders dan door misdrijf, te weten als inleggeld voor beleggingen/investeringen van VSM producten onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 2 primair

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 oktober 2012 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en rechtspersonen, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, heeft verworven en voorhanden heeft gehad

en heeft overgedragen en de werkelijke aard en herkomst heeft verborgen en verhuld, terwijl hij verdachte en zijn mededaders telkens wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 nog meer subsidiair en

feit 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47, 321 en 420bis Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 nog meer subsidiair

het misdrijf: medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd;

feit 2 primair

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van zowel verduistering als witwassen. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van niets vermoedende particulieren. Hun samenwerking was er op gericht om gelden die particulieren in VSM hadden ingelegd aan te wenden als buitensporig hoge (on)kostenvergoedingen. Dit in plaats van de aan de obligatiehouders bij prospectus voorgewende afspraak om hun ingelegde gelden te investeren in vastgoed dan wel onder zich te houden gelet op de verplichting tot terugbetaling. Op deze wijze werd van december 2009 tot en met augustus 2010 een bedrag van € 490.523,-- aan het vermogen van VSM onttrokken.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich daarbij enkel laten leiden door hun eigen verlangen naar geldelijk gewin en zij hebben zich niets gelegen laten liggen aan de grote financiële en ook emotionele gevolgen voor de slachtoffers. De slachtoffers zagen hun beleggingen in rook opgaan en het is nog maar de vraag of verdachte en zijn medeverdachten nog enige reële verhaalsmogelijkheid bieden. Ook heeft zijn handelwijze er toe geleid dat een smet is geworpen op de vastgoed- en beleggingswereld en is de integriteit van de financiële wereld hierdoor aangetast.

Wat betreft de op te leggen straf is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten in beginsel het opleggen van een volledige vrijheidsbenemende straf rechtvaardigen, nu bij afdoening met een lichtere strafrechtelijke sanctie de ernst van de zaak miskend zou worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, zijn naar het oordeel van de rechtbank hier niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij de op te leggen straf tevens rekening gehouden met:

- de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en die in geval van een benadelingsbedrag dat ligt boven

€ 250.000,-- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vermelden van 12 tot 18 maanden;

- de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en

- het stelselmatige karakter van de bewezenverklaarde feiten.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte van een groot aantal feiten wordt vrijgesproken en verdachte terzake soortgelijke delicten geen justitiële documentatie heeft. Alles overziend komt de rechtbank tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. En deel hiervan zal voorwaardelijk worden opgelegd. De rechtbank zal dat deel bepalen op vier maanden. Het onvoorwaardelijke strafdeel is daarmee langer dan door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank dit vanwege het laakbare van verdachtes handelen en de grote financiële gevolgen voor de slachtoffers waarvoor verdachte mede verantwoordelijk is, gerechtvaardigd acht. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal een proeftijd van twee jaren worden verbonden.

De rechtbank voegt aan deze overwegingen nog toe dat zij niet toekomt aan beoordeling van de vordering van de officier van justitie om voor recht te verklaren dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partijen. De rechtbank dient immers de vragen van de art. 348, 349 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden. Daarbij is geen plaats voor een dergelijke door de officier van justitie gevorderde verklaring.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De verdediging heeft ter zitting gesteld dat een beslissing dient te volgen over de onder verdachte inbeslaggenomen goederen. De verdediging verzoekt de rechtbank de gelegde beslagen op te heffen en te bepalen dat de goederen aan verdachte worden geretourneerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat daar waar het conservatoir gelegde beslagen betreft, deze beslagen zullen komen te vervallen bij een vrijspraak danwel dat bij een veroordelend vonnis de verdediging nadien opheffing van de gelegde beslagen kan verzoeken.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt van enige beslaglegging onder verdachte. De officier van justitie heeft, behoudens te hebben gesteld dat bij een eventuele vrijspraak gelegde conservatoire beslagen zullen komen te vervallen, geen nader standpunt ten aanzien van eventueel gelegde beslagen ingenomen. De rechtbank is van oordeel dat nu zich in het dossier geen gegevens bevinden waaruit blijkt dat sprake is van beslaglegging, geen beslissing dienaangaande kan volgen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partijen Stichting Belangen Obligatiehouders VSM, gezeteld te Nijmegen, alsmede Vastgoed Solide Maatschappij BV, Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen BV, Vastgoed Solide Fondsen BV en Bewaarder Vastgoed Solide Maatschappij BV, allen gevestigd te Amsterdam, hebben ter terechtzitting van 3 september 2014 gevorderd verdachte hoofdelijk te veroordelen in de door hen gemaakte kosten van rechtsbijstand van in totaal € 29.040,--.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand het volgende voorop.

De benadeelde partij Stichting Belangen Obligatiehouders VSM heeft ter zitting van

28 oktober 2013 een vordering tot vergoeding van de door haar obligatiehouders geleden schade ingediend. Het onderzoek ter terechtzitting van 28 oktober 2013 is onderbroken en vervolgens hervat op 1 november 2013, alwaar de rechtbank de benadeelde partij kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering.

De benadeelde partijen Vastgoed Solide Maatschappij BV, Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen BV, Vastgoed Solide Fondsen BV en Bewaarder Vastgoed Solide Maatschappij BV hebben ter zitting van 3 september 2014 een vordering tot schadevergoeding ingediend.

De rechtbank heeft op deze zitting ook deze benadeelde partijen in hun vordering kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Niettegenstaande deze beslissing dient de rechtbank bij vonnis te beslissen op de vordering die strekt tot veroordeling van verdachte in de kosten van rechtsbijstand5.

Ten aanzien van deze vordering is rechtbank van oordeel dat nu geen vordering tot schadevergoeding is toegewezen, er evenmin plaats is voor het toewijzen van een vordering strekkende tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, temeer nu deze kosten nauw samenhangen met de vordering tot schadevergoeding. De rechtbank zal de benadeelde partijen ook in deze vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

geldigheid van de dagvaarding

  • -

    verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 1 primair en feit 1 subsidiair partieel nietig voor wat betreft de term ‘ondermeer’;

  • -

    verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 3 primair en feit 3 subsidiair partieel nietig voor wat betreft onderdeel A;

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair, 4 subsidiair, 5 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder de feiten 1 nog meer subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 nog meer subsidiair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1 nog meer subsidiair: medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd;
    feit 2 primair: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder de feiten 1 nog meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Stichting Belangen Obligatiehouders VSM, gezeteld te Nijmegen, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Vastgoed Solide Maatschappij BV, gevestigd te 1077 XX Amsterdam, Strawinskylaan 485, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen BV, gevestigd te 1077 XX Amsterdam, Strawinskylaan 485, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Vastgoed Solide Fondsen BV, gevestigd te 1077 XX Amsterdam, Strawinskylaan 485, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Bewaarder Vastgoed Solide Maatschappij BV, gevestigd te 1077 XX Amsterdam, Strawinskylaan 485, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. H. Stam en mr. A.A.J. Lemain, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.

1 Hoge Raad 11 december 2012, LJN BX3620.

2 Conclusie AG Hofstee bij HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR 2014;859 a contrario afgeleid uit HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620

3 Hoge Raad d.d. 26 oktober 2010, LJN BM4440.

4 Hoge Raad 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716.

5 Op grond van art. 361 lid 1, laatste volzin Wetboek van Strafvordering.