Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5580

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
08/996023-12, 08/993019-13 en 21/003109-08 (tul)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:6772, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt drie mannen die betrokken waren bij de Vastgoed Beleggings Maatschappij (VSM) wegens verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen. Wel worden zij vrijgesproken van oplichting. De drie veroordeelde mannen krijgen gevangenisstraffen variërend van 1 tot 3 jaar. Drie andere mannen diebij het bedrijf betrokken waren worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996023-12, 08/993019-13 en 21/003109-08 (tul)

Datum vonnis: 17 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 januari 2013, 10 april 2013, 28 oktober 2013, 3 maart 2014, 10 april 2014, 30 juni 2014,

1 september 2014, 3 september 2014 en 3 oktober 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.W. Bollen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo bijgestaan door haar kantoorgenoot mr. J.W. Bosman., naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte inzake parketnummer 996023-12:

feit 1: in de periode van 1 januari 2005 tot en met 21 november 2010 al dan niet samen met anderen 581 individuele beleggers en een aantal beleggers, verenigd in de Stichting Belangen Obligatiehouders VSM heeft opgelicht (in totaal tot een bedrag van

€ 27.425.676,--) terzake van belegging in VSM BV,

danwel dat hij in die periode al dan niet samen met anderen feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan VSM BV en Apex Vastgoed BV terzake van voornoemde oplichting,

danwel dat hij in die periode al dan niet samen met anderen feitelijk leiding en/of opdracht heeft geven aan VSM BV en Apex Vastgoed BV terzake van verduistering van

€ 11.969.762,--,

danwel dat hij in die periode al dan niet samen met anderen een bedrag van € 11.969.762,-- heeft verduisterd;

feit 2: in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 oktober 2012 al dan niet samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van in totaal € 27.425.676,--,

danwel, dat hij in die periode feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan VSM BV en Apex Vastgoed BV terzake van voornoemd gewoontewitwassen;

feit 3: in de periode van 1 januari 2005 tot en met 21 november 2010 al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd m.b.t. de bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed BV,

danwel, dat hij in die periode feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan Apex Vastgoed BV terzake van voornoemde valsheid in geschrift;

feit 4: in de periode van 1 januari 2005 tot en met 21 november 2010 al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd m.b.t. de bedrijfsadministratie van VSM BV,

danwel, dat hij in die periode feitelijk leiding en/of opdracht geven aan VSM BV terzake van voornoemde valsheid in geschrift;

en dat verdachte ten aanzien van parketnummer 08/993019-13:

feit 1: in de periode van 1 maart 2010 t/m 1 oktober 2012 al dan niet samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan Op Maat Groep BV terzake van valsheid in geschrift m.b.t. 10 facturen van die BV,

danwel dat hij in die periode al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd m.b.t. 10 facturen van de Op Maat Groep BV;

feit 2: in de periode van 1 oktober 2012 t/m 6 oktober 2012 al dan niet samen met anderen gebruik heeft gemaakt van een valse brief van [getuige 1], gedateerd 5 oktober 2012.

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging (parketnummer 08/996023-12) aan de verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2005 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of (elders) in

Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

581, althans in elk geval een (groot) aantal personen (vermeld in overzicht

D-938 en/of AH-93), waaronder [slachtoffer 1] (G-1) en/of [slachtoffer 2]

(G-2) en/of [slachtoffer 3] (G-3) en/of [slachtoffer 4] (G-4) en/of [slachtoffer 5]

(G-10) en/of één of meer andere belegger(s) verenigd in de Stichting

Belangen Obligatiehouders VSM (en namens wie de stichting zich heeft gevoegd)

(hier na te noemen beleggers) heeft bewogen tot de afgifte van één of meerdere

geldbedrag(en) (van in totaal EUR 27.425.676,-, althans één en/of meer

geldbedragen genoemd op het overzicht D-938, althans een groot geldbedrag)

(AH-18), in elk geval (telkens) enig goed

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend en/of doen/laten

voorwenden (mondeling en/of schriftelijk) - ondermeer-:

- dat de door Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of één of meer aan haar

gelieerde rechtsperso(o)n(en) ontvangen gelden grotendeels, althans in

belangrijke mate zouden worden belegd/geïnvesteerd in (Nederlands) onroerend

goed en/of in de aankoop en/of verkoop en/of exploitatie van vastgoedobjecten

in Nederland en/of dat de doelstelling van Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

was het behalen van optimaal rendement door het investeren in Nederlands

Vastgoed, althans dat de kernactiviteit van VSM is/was vastgoedontwikkeling,

handel in vastgoed en vastgoedbeleggingen (D/2, p. 29), terwijl in

werkelijkheid een deel van de inleg groot EUR 11.969.762,- althans een

relatief groot bedrag van de inleg, aan andere doeleinden (niet zijnde de

genoemde kernactiviteiten) is besteed (o.a. mondeling en/of Folder VSM 0-AH4c

en/of D/2, p. 29)

en/of

- dat aan belegger(s) een rendement zou worden vergoed van minimaal 4.5% tot

9% op jaarbasis en/of tot 4.5% winstdelende rente per jaar, met een

maandelijkse /kwartaal uitkering van de vaste rente en/of jaarlijkse

uitkering van de variabele rente (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder VSM 0-AH4c), terwijl in werkelijkheid

hetgeen werd uitgekeerd geen rendement was doch (gelden) afkomstig uit de

inleg(gen) van nieuwe beleggers

en/of

- dat de te vergoeden rente op 4.5% - 9% winstdelende obligaties Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. (VSM) praktisch geheel gebaseerd zou zijn op

cashflow van de vastgoedinvestering (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c)

en/of

- dat investering in commercieel onroerend goed van Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. zekerheid zou geven van een aantrekkelijk rendement en een

laag risicoprofiel (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250)

en/of

- dat de afgelopen jaren meer dan 8% rendement was uitgekeerd (o.a. brochure

VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c

en flyer VSM D-407)

en/of

- dat met het VSM product geïnvesteerd zou worden in een veilig product en/of

"een steenharde investering met een steengoed rendement" en/of dat een VSM

obligatie een product zou zijn met een goed rendement en een laag risico en/of

(o.a. folder VSM 0-AH-4c)

en/of

- dat de (potentiële) belegger(s) in het vooruitzicht werd gesteld dat zij hun

inleg na 20 jaar terug zouden krijgen (o.a. brochure D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c), terwijl de wijze van

beleggen en besteding der gelden dit in feite onmogelijke maakten

en/of

- dat de initiatiefnemer van Vastgoed Solide Maatschappij B.V., Vastgoed

Solide Fondsen B.V. zichzelf de verplichting had opgelegd om in de onderneming

gemaakte winst direct uit te keren aan obligatiehouders tot een maximum van 9%

(o.a. Folder VSM 0-AH4c)

en/of

- dat middels het binnen concern doorlenen van bedragen tegen een vast

rentevergoeding van 12% (de indruk werd gewekt en/of gemaakt) dat winsten

werden gerealiseerd, terwijl de concernmaatschappijen in werkelijkheid niet in

staat waren die rente daadwerkelijk te voldoen (o.a. folder VSM 0-AH-4c)

en/of

- dat winsten van VSM werden geflatteerd, door kosten bij andere

vennootschappen (APEX) te verantwoorden

en/of

- het vertrouwen van beleggers gewekt door de navolgende handelingen en/of

(schriftelijke) uitlatingen:

A dat Vastgoed Solide Maatschappij B.V. samenwerkt met diverse gerenommeerde

partijen en/of toonaangevende professionele vastgoedorganisaties (zoals

advocatenkantoor en/of PWC) (o.a. folder VSM 0-AH4c)

en/of

B dat onttrekkingen en/of vervroegde aflossing en/of uitstappen (ten alle

tijden kosteloos) mogelijk zou zijn (o.a. brochure VSM, D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder VSM, 0-AH-04c)

en/of

C dat de prospectus gedeponeerd is bij Stichting Autoriteit Financiële

Markten (AFM) (o.a Brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of

D-290)

en/of

D dat de benodigde ontheffing verleend was door De Nederlandse Bank (o.a.

Brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290)

en/of

E dat moedermaatschappij Vastgoed Solide Fondsen B.V. krachtens een

garantieovereenkomst onherroepelijk de nakoming van de verplichting die

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. uit hoofde van de 4,5 - 9%

winstdelingsobligaties VSM aan de obligatiehouders had, zou garanderen en/of

dat een onderneming garant zou staan voor de nakoming van de obligaties (o.a.

prospectus VSM D/2 en/of D-290 en/of mondeling)

en/of

F door na een eerste inleg (van beleggers) gelden uit te betalen en/of rente

te betalen en/of rente op nieuw te beleggen,

waardoor (telkens) één of meer belegger(s) (telkens) werd/werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(Noot: de hier boven opgenomen verwijzingen dienen als volgt te worden gelezen

Folder VSM 0-AH4c, papieren dossier vindplaats: pagina 20000056, e.v.

Brochure VSM D/9, papieren dossier vindplaats: pagina 60000295, e.v.

Brochure VSM D-250, papieren dossier vindplaats: pagina 60001196 e.v.

Prospectus VSM D/2, papieren dossier vindplaats: pagina 60000027, e.v.

Prospectus VSM D-290, papieren dossier vindplaats: pagina 60001532)

art 326 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of Apex Vastgoed B.V.

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2005 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O), en/of Arnhem en/of elders in

Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

581, althans in elk geval een (groot) aantal personen (vermeld in overzicht

D-938 en/of AH-93), waaronder [slachtoffer 1] (G-1) en/of [slachtoffer 2]

(G-2) en/of [slachtoffer 3] (G-3) en/of [slachtoffer 4] (G-4) en/of [slachtoffer 5]

(G-10) en/of één of meer andere belegger(s) verenigd in de Stichting

Belangen Obligatiehouders VSM (en namens wie de stichting zich heeft gevoegd)

(hier na te noemen beleggers)

heeft bewogen tot de afgifte van één of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal

EUR 27.425.676,-, althans één en/of meer geldbedragen genoemd op het overzicht

D-938, althans een groot geldbedrag) (AH-18), in elk geval (telkens) enig goed

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend en/of doen/laten

voorwenden (mondeling en/of schriftelijk) - ondermeer-:

- dat de door Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of één of meer aan haar

gelieerde rechtsperso(o)n(en) ontvangen gelden grotendeels, althans in

belangrijke mate zouden worden belegd/geïnvesteerd in (Nederlands) onroerend

goed en/of in de aankoop en/of verkoop en/of exploitatie van vastgoedobjecten

in Nederland en/of dat de doelstelling van Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

was het behalen van optimaal rendement door het investeren in Nederlands

Vastgoed, althans dat de kernactiviteit van VSM is/was vastgoedontwikkeling,

handel in vastgoed en vastgoedbeleggingen (D/2, p. 29), terwijl in

werkelijkheid een deel van de inleg groot EUR 11.969.762,- althans een

relatief groot bedrag van de inleg, aan andere doeleinden (niet zijnde de

genoemde kernactiviteiten) is besteed (o.a. mondeling en/of Folder VSM 0-AH4c

en/of D/2, p. 29)

en/of

- dat aan belegger(s) een rendement zou worden vergoed van minimaal 4.5% tot

9% op jaarbasis en/of tot 4.5% winstdelende rente per jaar, met een

maandelijkse /kwartaal uitkering van de vaste rente en/of jaarlijkse

uitkering van de variabele rente (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder VSM 0-AH4c), terwijl in werkelijkheid

hetgeen werd uitgekeerd geen rendement was doch (gelden) afkomstig uit de

inleg(gen) van nieuwe beleggers

en/of

- dat de te vergoeden rente op 4.5% - 9% winstdelende obligaties Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. (VSM) praktisch geheel gebaseerd zou zijn op

cashflow van de vastgoedinvestering (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c)

en/of

- dat investering in commercieel onroerend goed van Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. zekerheid zou geven van een aantrekkelijk rendement en een

laag risicoprofiel (o.a. brochure VSM D/9 en/of D-250)

en/of

- dat de afgelopen jaren meer dan 8% rendement was uitgekeerd (o.a. brochure

VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c

en flyer VSM D-407)

en/of

- dat met het VSM product geïnvesteerd zou worden in een veilig product en/of

"een steenharde investering met een steengoed rendement" en/of dat een VSM

obligatie een product zou zijn met een goed rendement en een laag risico en/of

(o.a. Folder VSM 0-AH-4c)

en/of

- dat de (potentiële) belegger(s) in het vooruitzicht werd gesteld dat zij hun

inleg na 20 jaar terug zouden krijgen (o.a. brochure D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder VSM 0-AH4c), terwijl de wijze van

beleggen en besteding der gelden dit in feite onmogelijke maakten en/of

- dat de initiatiefnemer van Vastgoed Solide Maatschappij B.V., Vastgoed

Solide Fondsen B.V. zichzelf de verplichting had opgelegd om in de onderneming

gemaakte winst direct uit te keren aan obligatiehouders tot een maximum van 9%

(o.a. Folder VSM 0-AH4c)

en/of

- dat middels het binnen concern doorlenen van bedragen tegen een vast

rentevergoeding van 12% (de indruk werd gewekt en/of gemaakt) dat winsten

werden gerealiseerd, terwijl de concernmaatschappijen in werkelijkheid niet in

staat waren die rente daadwerkelijk te voldoen

en/of

- dat winsten van VSM werden geflatteerd, door kosten bij andere

vennootschappen (APEX) te verantwoorden

en/of

- het vertrouwen van beleggers gewekt door de navolgende handelingen en/of

(schriftelijke) uitlatingen:

A dat Vastgoed Solide Maatschappij B.V. samenwerkt met diverse gerenommeerde

partijen en/of toonaangevende professionele vastgoedorganisaties (zoals

advocatenkantoor en/of PWC) (o.a. folder VSM 0-AH4c)

en/of

B dat onttrekkingen en/of vervroegde aflossing en/of uitstappen (ten alle

tijden kosteloos) mogelijk zou zijn (o.a. brochure VSM, D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder VSM, 0-AH-04c)

en/of

C dat de prospectus gedeponeerd is bij Stichting Autoriteit Financiële

Markten (AFM) (o.a Brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of

D-290)

en/of

D dat de benodigde ontheffing verleend was door De Nederlandse Bank (o.a.

Brochure VSM D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290)

en/of

E dat moedermaatschappij Vastgoed Solide Fondsen B.V. krachtens een

garantieovereenkomst onherroepelijk de nakoming van de verplichting die

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. uit hoofde van de 4,5 - 9%

winstdelingsobligaties VSM aan de obligatiehouders had, zou garanderen en/of

dat een onderneming garant zou staan voor de nakoming van de obligaties (o.a.

prospectus VSM D/2 en/of D-290 en/of mondeling)

en/of

F door na een eerste inleg (van beleggers) gelden uit te betalen en/of rente

te betalen en/of rente op nieuw te beleggen,

waardoor (telkens) één of meer belegger(s) (telkens) werd/werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

(Noot: de hier boven opgenomen verwijzingen dienen als volgt te worden gelezen

Folder VSM 0-AH4c, papieren dossier vindplaats: pagina 20000056, e.v.

Brochure VSM D/9, papieren dossier vindplaats: pagina 60000295, e.v.

Brochure VSM D-250, papieren dossier vindplaats: pagina 60001196 e.v.

Prospectus VSM D/2, papieren dossier vindplaats: pagina 60000027, e.v.

Prospectus VSM D-290, papieren dossier vindplaats: pagina 60001532)

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 326 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of APEX vastgoed B.V. in of omstreeks de

periode van 1 januari 2005 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of

Arnhem en/of elders in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

(telkens) opzettelijk -ondermeer- één of meer van onderstaande geldbedragen

(tot een totaal van circa EUR 11.969.762,-, (zijnde ongeveer 43,64 procent

van de totale inleg van EUR 27.425.676,-) in elk geval enig(e) geldbedrag(en)

en/of in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan één of meer van hieronder genoemde

personen , en/of één of meer belegger(s) genoemd in het overzicht D-938 en/of

één of meer belegger(s) verenigd in de Stichting Belangen Obligatiehouders VSM

(en namens wie de stichting zich heeft gevoegd)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan Vastgoed Solide Maatschappij

B.V. en/of APEX vastgoed B.V en/of haar mededader(s), welk(e) goed(eren)

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of APEX vastgoed B.V en/of haar

mededader(s), anders dan door misdrijf, te weten als inleggeld voor

beleggingen/investeringen van VSM producten en/of lening(en) onder zich

had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend en/of doen/laten toe-eigenen;

12281 [slachtoffer 1] EUR 92.100,00

12403 [slachtoffer 2] EUR 72.700,00

12236 [slachtoffer 3] EUR 29.700,00

12459 [slachtoffer 4] EUR 415.800,00

12462 [slachtoffer 5] EUR 142.900,00

(althans een percentage (43,64%) hiervan)

(bron D-938)

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 321 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2005 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in

Nederland

telkens) tezamen en in vereniging met elkaar, althans met één of meer

natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen

(telkens) opzettelijk -ondermeer- één of meer van onderstaande geldbedragen

(tot een totaal van circa EUR 11.969.762,-, (zijnde ongeveer 43,64 procent

van de totale inleg van EUR 27.425.676,-) in elk geval enig(e) geldbedrag(en)

en/of in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of

APEX en/of één of meer aan hen gelieerde rechtsperso(o)n(en) (die dit

had/hadden verkregen als inleg op obligatieleningen van één of meer genoemde

personen in het overzicht D-938)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s), anders dan

door misdrijf, te weten als inleggeld voor beleggingen/investeringen van VSM

producten en/of lening(en)

en/of feitelijk leidinggevende van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. onder

zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend en/of doen/laten

toe-eigenen;

12281 [slachtoffer 1] EUR 92.100,00

12403 [slachtoffer 2] EUR 72.700,00

12236 [slachtoffer 3] UR 29.700,00

12459 [slachtoffer 4] EUR 415.800,00

12462 [slachtoffer 5] EUR 142.900,00

(althans een percentage (43,64%) hiervan)

(bron D-938)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2005 tot en met 1 oktober 2012 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in

Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

- ( telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR

EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans EUR 1.442.875,-, althans

één of meer geldbedrag(en) (telkens) heeft verworven en/of voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet

en/of

- ( telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR

EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans EUR 1.442.875,-, althans

één of meer geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of

de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen

en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op

(een) voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerpen voorhanden had,

terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of APEX vastgoed B.V. op één of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 oktober 2012 te Hengelo (O), en/of Arnhem en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

- ( telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR

EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans één of meer

geldbedrag(en) (telkens) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen en/of heeft omgezet

en/of

- ( telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR

EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans één of meer

geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de

vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of

verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een)

voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerpen voorhanden had,

terwijl Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of APEX vastgoed B.V en/of haar

mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden,

dat bovenomschreven voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf, terwijl Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of

APEX vastgoed B.V en/of haar mededader(s) van het plegen van witwassen een

gewoonte heeft/hebben gemaakt

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2005 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of Rijswijk

en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (digitale) bedrijfsadministratie van

Apex Vastgoed B.V. - (elk) zijnde een samenstel van geschriften dat in

onderlinge samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans (elk) zijnde een geschrift/geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft doen opmaken, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die

bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed B.V.;

A zesentwintig, althans één/of meerdere valse overeenkomst(en) van geldlening

en/of vervalste overeenkomst(en) van geldlening gesloten tussen Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. en Apex Vastgoed B.V. (gedateerd op één of meer

tijdstip(pen) in de periode 25 februari 2005 tot en met 29 juni 2006)was/waren

opgenomen en/of verwerkt (dossier vindplaats D-26 t/m D-51)

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

overeenkomst(en) was vermeld dat de aldaar genoemde geldlening(en) was/waren

afgelost, terwijl dit in werkelijkheid niet of niet geheel had plaatsgevonden

en/of

B één en/of meerdere valse en/of vervalste boekingen op/in de/het

grootboekrekening was/waren opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt, bestaande

die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - in die

grootboek(rekening) van Apex Vastgoed B.V. personeelskosten en/of algemene

kosten (bedrijfsvoering) was/waren opgenomen, terwijl in werkelijkheid

voornoemde kosten te relateren waren aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

en/of toe te rekenen waren aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

en/of

C één en/of meerdere valse leningsovereenkomsten gesloten tussen Apex Vastgoed

B.V. en [verdachte 1] (d.d. 28 november 2005) was/waren opgenomen en/of

geboekt en/of verwerkt (dossier vindplaats D-168)

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

overeenkomst(en) was vermeld dat er een leningsovereenkomst was afgesloten

en/of dat [verdachte 1] een geldbedrag had geleend aan Apex Vastgoed B.V.,

terwijl dit in werkelijkheid niet had plaatsgevonden en/of de verstrekte

geldbedragen en/of de op de overeenkomst genoemde geldbedragen, niet verstrekt

zijn in het kader van een geldlening

en/of

D een groot aantal, althans één en/of meerdere valse facturen was/waren

verwerkt en/of geboekt en/of opgenomen waaronder:

- één en/of meerdere factu(u)r(en) regeling geldlening [verdachte 1] en/of

inlosnota's (gedateerd op één of meer tijdstip(pen) in de periode 1 januari

2006 tot en met 30 april 2007) (dossier vindplaats D-169 t/m D-183)

en/of

- vier, althans één en/of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van Europe Finance

GmbH en gericht aan Apex Vastgoed B.V. (gedateerd op één of meer tijdstip(pen)

in de periode 24 juli 2007 tot en met 28 augustus 2007) (dossier vindplaats

D-719 t/m D-722)

en/of

- een factuur afkomstig [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex

Vastgoed B.V. d.d. 1 april 2009 (dossier vindplaats D-019)

en/of

- één of meerdere factu(u)r(en) (gedateerd op één of meer tijdstip(pen) in de

periode 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2009) afkomstig van [verdachte 1]

en gericht aan Apex Vastgoed B.V. (dossier vindplaats D-433 t/m

D-439 en/of D-441)

en/of

- een factuur (gedateerd 15 maart 2009) afkomstig van Europe Finance GmbH en

gericht aan Apex Vastgoed B.V. (dossier vindplaats D-346)

en/of

- zes, althans één of meerdere factu(u)r(en) (gedateerd op één of meer

tijdsti(pen) in de periode 31 januari 2009 tot en met 26 augustus 2009

afkomstig van [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex Vastgoed B.V.

(dossier vindplaats D-341 en/of D-342 en/of D-442 en/of D-443 en/of D-444

en/of D-445)

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

factu(u)r(en) was vermeld dat een bepaalde dienst/goed was geleverd, terwijl

in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende

dienstverlening(en) niet of niet geheel heeft/hebben plaatsgevonden

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzingen dienen als volgt gelezen te worden:

D-26 t/m D-51, papieren dossier vindplaats: pagina 60000508 t/m 60000611

D-168, papieren dossier vindplaats: pagina 60000795

D-169 t/m D-183, papieren dossier vindplaats: pagina 60000796 t/m 60000810

D-719 t/m D-722, papieren dossier vindplaats: pagina 60003348 t/m 60003351

D-019, papieren dossier vindplaats: pagina 60000493

D-433 t/m D-439, papieren dossier vindplaats: pagina 60001907 t/m 60001913

D-441, papieren dossier vindplaats: pagina 60001915

D-346, papieren dossier vindplaats: pagina 60001736

D-341, papieren dossier vindplaats: pagina 60001731

D-342, papieren dossier vindplaats: pagina 60001732

D-442 - D-443 - D-444 D-445, papieren dossier vindplaats: pagina 60001916 t/m

60001919)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

APEX vastgoed B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2005 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of

Rijswijk en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (digitale) bedrijfsadministratie

van APEX vastgoed B.V - (elk) zijnde een samenstel van geschriften dat in

onderlinge samenhang

bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans (elk)

zijnde een geschrift/geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft doen

opmaken, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die

bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed B.V.;

A zesentwintig, althans één/of meerdere valse overeenkomst(en) van geldlening

en/of vervalste overeenkomst(en) van geldlening gesloten tussen Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. en Apex Vastgoed B.V. (gedateerd op één of meer

tijdstip(pen) in de periode 25 februari 2005 tot en met 29 juni 2006)was/waren

openomen en/of verwerkt (dossier vindplaats D-26 t/m D-51),

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

overeenkomst(en) was vermeld dat de aldaar genoemde geldlening(en) was/waren

afgelost, terwijl dit in werkelijkheid niet of niet geheel had plaatsgevonden

en/of

B één en/of meerdere valse en/of vervalste boekingen op/in de/het

grootboekrekening was/waren opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt, bestaande

die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - in die

grootboek(rekening) van Apex Vastgoed B.V. personeelskosten en/of algemene

kosten (bedrijfsvoering) was/waren opgenomen, terwijl in werkelijkheid

voornoemde kosten te relateren waren aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

en/of toe te rekenen waren aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

en/of

C één en/of meerdere valse leningsovereenkomsten gesloten tussen Apex Vastgoed

B.V. en [verdachte 1] (d.d. 28 november 2005) was/waren opgenomen en/of

geboekt en/of verwerkt (dossier vindplaats D-168)

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin -

zakelijk weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op

die overeenkomst(en) was vermeld dat er een leningsovereenkomst was

afgesloten en/of dat [verdachte 1] een geldbedrag had geleend aan Apex

Vastgoed B.V., terwijl dit in werkelijkheid niet had plaatsgevonden en/of de

verstrekte geldbedragen en/of de op de overeenkomst genoemde geldbedragen,

niet verstrekt zijn in het kader van een geldlening

en/of

D een groot aantal, althans één en/of meerdere valse facturen was/waren

verwerkt en/of geboekt en/of opgenomen waaronder:

- één en/of meerdere factu(u)r(en) regeling geldlening [verdachte 1] en/of

inlosnota's (gedateerd op één of meer tijdstip(pen) in de periode 1 januari

2006 tot en met 30 april 2007) (dossier vindplaats D-169 t/m D-183)

en/of

- vier, althans één en/of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van Europe Finance

GmbH en gericht aan Apex Vastgoed B.V. (gedateerd op één of meer tijdstip(pen)

in de periode 24 juli 2007 tot en met 28 augustus 2007) (dossier vindplaats

D-719 t/m D-722)

en/of

- een factuur afkomstig [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex Vastgoe

B.V. d.d. 1 april 2009 (dossier vindplaats D-019)

en/of

- één of meerdere factu(u)r(en) (gedateerd op één of meer tijdstip(pen) in de

periode 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2009) afkomstig van [verdachte 1]

en gericht aan Apex Vastgoed B.V. (dossier vindplaats D-433 t/m

D-439 en/of D-441)

en/of

- een factuur (gedateerd 15 maart 2009) afkomstig van Europe Finance GmbH en

gericht aan Apex Vastgoed B.V. (dossier vindplaats D-346)

en/of

- zes, althans één of meerdere factu(u)r(en) (gedateerd op één of meer

tijdsti(pen) in de periode 31 januari 2009 tot en met 26 augustus 2009

afkomstig van [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex Vastgoed B.V.

(dossier vindplaats D-341 en/of D-342 en/of D-442 en/of D-443 en/of D-444

en/of D-445)

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

factu(u)r(en) was vermeld dat een bepaalde dienst/goed was geleverd, terwijl

in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende

dienstverlening(en) niet of niet geheel heeft/hebben plaatsgevonden

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzingen dienen als volgt gelezen te worden:

D-26 t/m D-51, papieren dossier vindplaats: pagina 60000508 t/m 60000611

D-168, papieren dossier vindplaats: pagina 60000795

D-169 t/m D-183, papieren dossier vindplaats: pagina 60000796 t/m 60000810

D-719 t/m D-722, papieren dossier vindplaats: pagina 60003348 t/m 60003351

D-019, papieren dossier vindplaats: pagina 60000493

D-433 t/m D-439, papieren dossier vindplaats: pagina 60001907 t/m 60001913

D-441, papieren dossier vindplaats: pagina 60001915

D-346, papieren dossier vindplaats: pagina 60001736

D-341, papieren dossier vindplaats: pagina 60001731

D-342, papieren dossier vindplaats: pagina 60001732

D-442 - D-443 - D-444 D-445, papieren dossier vindplaats: pagina 60001916 t/m

60001919)

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2005 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of Rijswijk,

en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (digitale) bedrijfsadministratie

van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. - (elk) zijnde een samenstel van

geschriften dat in onderlinge samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs

van het daaringestelde, althans (elk) zijnde een geschrift/geschriften

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft/hebben opgemaakt en/of heeft doen opmaken, met het oogmerk om die/dat

geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die

bedrijfsadministratie van Vastgoed Solide Maatschappij B.V.;

A tien, althans een/of meerdere valse factu(u)r(en) en/of vervalste

factu(u)r(en) afkomstig van de Op Maat Groep B.V. en gericht aan Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. over de periode 1 maart 2010 tot en met augustus 2010

(D-381 t/m D-390) was/waren opgenomen en/of verwerkt

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

factu(u)r(en) was vermeld dat een bepaalde dienst/goed was geleverd, terwijl

in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende

dienstverlening(en) niet of niet geheel heeft/hebben plaatsgevonden

en/of

B zesentwintig, althans één/of meerdere valse overeenkomst(en) van geldlening

en/of vervalste overeenkomst(en) van geldlening tussen Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. en Apex Vastgoed B.V. was/waren opgenomen en/of verwerkt

(D-26 t/m D-51),

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

overeenkomst(en) was vermeld dat de aldaar genoemde geldlening(en) was/waren

afgelost, terwijl dit in werkelijkheid niet of niet geheel had plaatsgevonden

en/of

C twee, althans één/of meerdere valse overeenkomst(en) van geldlening en/of

vervalste overeenkomsten(en) van geldlening tussen Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. en Vastgoed Solide Fondsen B.V. was/waren opgenomen en/of

verwerkt (D-52 en/of D-53),

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin -

zakelijk weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op

die overeenkomst(en) was vermeld dat de aldaar genoemde geldlening(en)

was/waren afgelost, terwijl dit in werkelijkheid niet of niet geheel had

plaatsgevonden

en/of

D kosten die ten behoeve van Vastgoed Solide Maatschappij waren gemaakt

(waaronder personeelskosten en/of algemene kosten en/of kosten voor de

bedrijfsvoering), niet zijn verantwoord in de administratie van Vastgoed

Solide Maatschappij

en/of

E één en/of meerdere valse en/of vervalste boekingen op/in de/het

grootboekrekening waaronder 8708 rentelening VSF en/of 87010 rentebaten RC

gelieerde vennootschappen (D-76 en/of D-78) was/waren opgenomen en/of geboekt

en/of verwerkt, bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens)

hierin - zakelijk weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de

waarheid - in die grootboek(rekening) van Vastgoed Solide Maatschappij B.V.

was opgenomen en/of vermeld dat Apex Vastgoed B.V. en/of Vastgoed Solide

Fondsen B.V. rente had/hadden betaald over de aan Apex Vastgoed B.V. en/of

Vastgoed Solide Fondsen B.V. verstrekte lening(en), terwijl deze rente in

werkelijkheid niet of niet geheel betaald was, althans (waren verrekend) met

een civielrechtelijke verrekening die fictief was

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzingen dienen als volgt gelezen te worden:

D-381 t/m D-390, papieren dossier vindplaats: pagina 60001798 t/m 60001807

D-26 t/m D-51, papieren dossier vindplaats: pagina 60000508 t/m 60000611

D-52 en/of D-53, papieren dossier vindplaats: pagina 60000612 t/m 60000617

D-76 en/of D-78, papieren dossier vindplaats: pagina 60000701 t/m 60000703)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks

de periode van 1 januari 2005 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O)

en/of Arnhem en/of Rijswijk, en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (digitale) bedrijfsadministratie

van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. en/of één meer aan haar gelieerde

rechtspersonen

- ( elk) zijnde een samenstel van geschriften dat in onderlinge samenhang

bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans (elk)

zijnde een geschrift/geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft doen

opmaken,

met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die

bedrijfsadministratie van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. ;

A tien, althans een/of meerdere valse factu(u)r(en) en/of vervalste

factu(u)r(en) afkomstig van de Op Maat Groep B.V. en gericht aan Vastgoed

Solide Maatschappij B.V. over de periode 1 maart 2010 tot en met augustus 2010

(D-381 t/m D-390) was/waren opgenomen en/of verwerkt

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

factu(u)r(en) was vermeld dat een bepaalde dienst/goed was geleverd, terwijl

in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende

dienstverlening(en) niet of niet geheel heeft/hebben plaatsgevonden

en/of

B zesentwintig, althans één/of meerdere valse overeenkomst(en) van geldlening

en/of vervalste overeenkomst(en) van geldlening tussen Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. en Apex Vastgoed B.V. was/waren opgenomen en/of verwerkt

(D-26 t/m D-51),

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op die

overeenkomst(en) was vermeld dat de aldaar genoemde geldlening(en) was/waren

afgelost, terwijl dit in werkelijkheid niet of niet geheel had plaatsgevonden

en/of

C twee, althans één/of meerdere valse overeenkomst(en) van geldlening en/of

vervalste overeenkomsten(en) van geldlening tussen Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. en Vastgoed Solide Fondsen B.V. was/waren opgenomen en/of

verwerkt (D-52 en/of D-53),

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin -

zakelijk weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - op

die overeenkomst(en) was vermeld dat de aldaar genoemde geldlening(en)

was/waren afgelost, terwijl dit in werkelijkheid niet of niet geheel had

plaatsgevonden

en/of

D kosten die ten behoeve van Vastgoed Solide Maatschappij waren gemaakt

(waaronder personeelskosten en/of algemene kosten en/of kosten voor de

bedrijfsvoering), niet zijn verantwoord in de administratie van Vastgoed

Solide Maatschappij

en/of

E één en/of meerdere valse en/of vervalste boekingen op/in de/het

grootboekrekening waaronder 8708 rentelening VSF en/of 87010 rentebaten RC

gelieerde vennootschappen (D-76 en/of D-78) was/waren opgenomen en/of geboekt

en/of verwerkt,

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid, in die

grootboek(rekening) van Vastgoed Solide Maatschappij B.V. was opgenomen en/of

vermeld dat Apex Vastgoed B.V. en/of Vastgoed Solide Fondsen rente had/hadden

betaald over de aan Apex Vastgoed B.V. en/of Vastgoed Solide Fondsen B.V.

verstrekte lening(en), terwijl deze rente in werkelijkheid niet of niet

geheel betaald was, althans (waren verrekend) met een civielrechtelijke

verrekening die fictief was

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzingen dienen als volgt gelezen te worden:

D-381 t/m D-390, papieren dossier vindplaats: pagina 60001798 t/m 60001807

D-26 t/m D-51, papieren dossier vindplaats: pagina 60000508 t/m 60000611

D-52 en/of D-53, papieren dossier vindplaats: pagina 60000612 t/m 60000617

D-76 en/of D-78, papieren dossier vindplaats: pagina 60000701 t/m 60000703)

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 08/993019-13

1.

Op Maat Groep B.V., (althans de rechtspersoon bekend onder het

handelsregister nummer 20131761) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks

de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 oktober 2012 te Hengelo (O) en/of

Arnhem en/of Rozendaal en/of elders in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

tien, althans één en/of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van de Op Maat Groep

B.V. en gericht aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V. (D-381 t/m D-390)

waaronder:

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 15 maart 2010 (D-381) en/of

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 1 mei 2010 (D-383) en/of

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 1 augustus 2010 (D-389)

zijnde (telkens) (een) geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit

te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken

en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben

zij, verdachte, en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd

met de waarheid - zakelijk weergegeven -

-op die/dat factu(u)r(en) aangegeven dat (een) goed(eren) en/of (een)

dienst(en) door Op Maat Groep B.V. was/waren geleverd aan Vastgoed Solide

maatschappij B.V., terwijl in werkelijkheid de op die/dat factu(u)r(en)

(genoemde) geleverde dienst(en) en/of goeder(en) niet (volledig) door de Op

Maat Groep B.V. (ter hoogte van het op de factu(u)r(en) aangegeven bedrag)

was/waren geleverd en/of was/waren verricht

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel

feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzing dient als volgt gelezen te worden:

D-381 t/m D-390, papieren dossier vindplaats: pagina 60001798 t/m 60001807)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2010

tot en met 1 oktober 2012 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of Rozendaal en/of

elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een (andere(n)) natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen

tien, althans één en/of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van de Op Maat Groep

B.V. en gericht aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V. (D-381 t/m D-390)

waaronder:

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 15 maart 2010 (D-381) en/of

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 1 mei 2010 (D-383) en/of

-Een factuur van de Op Maat Groep B.V. gericht aan Vastgoed Solide

Maatschappij B.V. d.d. 1 augustus 2010 (D-389)

zijnde (telkens) (een) geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit

te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken

en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd

met de waarheid - zakelijk weergegeven -

-op die/dat factu(u)r(en) aangegeven dat (een) goed(eren) en/of (een)

dienst(en) door Op Maat Groep B.V. was/waren geleverd aan Vastgoed Solide

maatschappij B.V., terwijl in werkelijkheid de op die/dat factu(u)r(en)

(genoemde) geleverde dienst(en) en/of goeder(en) niet (volledig) door de Op

Maat Groep B.V. (ter hoogte van het op de factu(u)r(en) aangegeven bedrag)

was/waren geleverd en/of was/waren verricht

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzing dient als volgt gelezen te worden:

D-381 t/m D-390, papieren dossier vindplaats: pagina 60001798 t/m 60001807)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober

2012 tot en met 6 oktober 2012, te Zwolle en/of elders in Nederland en/of in

Duitsland

(telkens) tezamen en in vereniging met een (andere(n)) natuurlijke

perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen

opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft

afgeleverd (van) (een) valse of vervalste brief d.d. 5 oktober 2012 afkomstig

van dhr. [getuige 1] en gericht aan het Functioneel Parket (D-925)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enige feit te

dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken en/of voorhanden hebben en/of afleveren hierin dat

verdachte en/of zijn mededader(s) voormeld(e) geschrift(en) per fax naar het

Openbaar Ministerie (Functioneel Parket) te Zwolle heeft/hebben gezonden en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - zakelijk weergegeven en

vrij vertaald - in die brief staat vermeld dat de auto('s) met het kenteken

[kenteken 1] en/of [kenteken 2] [getuige 1] toebehoren, terwijl in werkelijkheid de

de auto's toebehoren aan dhr. [verdachte 1],

terwijl hij weet, althans redelijkerwijs moet vermoeden, dat dit geschrift

bestemd is voor zodanig gebruik;

(Noot, de hiervoor opgenomen verwijzing dient als volgt gelezen te worden:

D-925, papieren dossier vindplaats: pagina 60004116)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle (primair) tenlastegelegde feiten bewezen worden verklaard en dat verdachte voor deze feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren. Voorts heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de straf die verdachte bij arrest van 30 december 2010 door het Gerechtshof te Arnhem is opgelegd, zijnde drie maanden gevangenisstraf.

De officier van justitie heeft daarbij tevens gevorderd dat de gevraagde vordering tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partijen moet worden toegewezen. Voorts vordert de officier van justitie om voor recht te verklaren dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partijen.

4 De voorvragen

4.1

Geldigheid van de dagvaarding

Verweer van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging op een aantal onderdelen nietig is en heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde is partieel nietig voor wat betreft het 1e gedachtestreepje, omdat niet duidelijk is wat precies bedoeld wordt.

Het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde is nietig omdat de tenlastelegging met betrekking tot dit feit onvoldoende feitelijk is.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat in de tenlastelegging voldoende duidelijk is omschreven wat aan verdachte ten laste wordt gelegd. Er is daarom geen reden om over te gaan tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de dagvaarding.

Oordeel van het rechtbank

De rechtbank overweegt voor zover de rechtbank er aan toekomt met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding als volgt.

Op grond van artikel 261 lid 1 Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog gehouden worden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk. Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig als daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar bestaanbaar zijn.

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt. Ook de inhoud van de door de verdediging overlegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen, net als de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder feit 1 primair en subsidiair partieel nietig is voor wat betreft de term ‘ondermeer’. Door het gebruik van deze term is, afgezien van de nader omschreven oplichtingsmiddelen, niet meer duidelijk waartegen verdachte zich moet verdedigen.

Het partiële nietigheidsverweer met betrekking tot feit 1 meer subsidiair en nog meer subsidiair verwerpt de rechtbank. Bezien in samenhang met het gehele dossier en gezien de verklaring van verdachte ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijk en duidelijk omschreven wat verdachte verweten wordt.

Onder feit 2 is primair aan verdachte het medeplegen van (gewoonte)witwassen van een geldbedrag van in totaal € 27.425.676,--, althans € 11.969.762,--, althans € 1.442.875,--, althans één of meer geldbedrag(en) ten laste gelegd. Subsidiair wordt hem ten laste gelegd dat hij al dan niet samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan/tot (gewoonte)witwassen door VSM en/of Apex van een geldbedrag van in totaal

€ 27.425.676,--, althans € 11.969.762,--, althans één of meer geldbedrag(en).

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in staat moet worden geacht om het onder feit 2 ten laste gelegde, bezien in samenhang met de inhoud van het complete dossier, te kunnen begrijpen. De herkomst en de berekeningswijze van de genoemde geldbedragen zijn terug te vinden in het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD. Daarnaast is mede gelet op de inhoud van de pleitnota, ter terechtzitting niet gebleken dat het voor de verdachte en de verdediging niet duidelijk was tegen welke verdenking(en) de verdachte zich moest verdedigen. De rechtbank ziet in de argumenten van de verdediging dan ook geen reden om af te wijken van de jurisprudentie dat de termen verwerven, voorhanden hebben, overdragen, verbergen en verhullen voldoende feitelijke betekenis toekomt. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat het onder feit 3 primair en subsidiair ten laste gelegde partieel nietig is voor wat betreft onderdeel B. Dit onderdeel betreft telkens valse of vervalste boekingen in de grootboekrekening van Apex Vastgoed BV (hierna: Apex), als gevolg waarvan de bedrijfsadministratie van Apex valselijk zou zijn opgemaakt. Nu niet is aangegeven waar de onderliggende grootboekkaarten in het dossier zijn opgenomen en de rechtbank deze ook niet in het dossier heeft aangetroffen is de tenlastelegging op dit onderdeel telkens onvoldoende duidelijk.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

4.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Indien en voor zover de rechtbank toekomt aan het onder feit 1 meer subsidiair en nog meer subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank ambtshalve als volgt.

Onder feit 1 van de tenlastelegging is meer subsidiair en nog meer subsidiair ten laste gelegd dat verdachte in de periode van 1 januari 2005 tot en met 21 november 2010 feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan/tot verduistering door VSM en/of Apex, dan wel dat hij die verduistering zelf heeft (mede)gepleegd.

Voor het misdrijf verduistering geldt op grond van art. 70 lid 1, onder 2º Sv een verjaringstermijn van zes jaren. De verjaring van dit feit is gestuit op het moment dat het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris in de zaak heeft betrokken door het vorderen van een machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek ex art. 126 Sv. Deze vordering is gedateerd op 20 augustus 2012. Dit betekent dat het recht tot strafvervolging is verjaard voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 19 augustus 2006. De rechtbank zal de officier van justitie ten aanzien van deze periode niet ontvankelijk in de vervolging verklaren.

De officier van justitie is voor het overige ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4.3.

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte het onder parketnummer 08/996023-12 feit 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair en ten aanzien van parketnummer 08/993019-13 feit 1 primair en feit 2 heeft begaan. Hij voert daartoe, samengevat weergegeven, aan dat verdachte samen met medeverdachten [verdachte 2]. [verdachte 6] en [verdachte 4] het bestuursbeleid binnen VSM bepaalde en dat hij alsmede deel uitmaakte van het managementteam van VSM. VSM heeft om obligaties te kunnen uitgeven en om aan de daartoe gestelde voorwaarden van DNB en AMF te kunnen voldoen, een prospectus uitgegeven. Hetgeen in de prospectus wordt genoemd, kan worden gezien als een belofte aan de beleggers. De beleggers zijn mede door de inhoud van de prospectus bewogen tot het investeren in VSM obligaties. De prospectus had bij de beleggers een vertrouwenwekkend karakter en heeft velen bewogen tot het inleggen op de obligaties. De prospectus is dan ook een belangrijk oplichtingsmiddel in deze. Er is slechts een deel van de inleg besteed aan vastgoedbeleggingen. Grote bedragen zijn uitgeleend aan moedermaatschappij Apex, maar waar deze gelden aan zijn besteed is niet duidelijk. De in de prospectus opgenomen beloftes zijn jegens de inleggers bewust en listiglijk niet nagekomen, zodat er sprake is van oplichting door VSM waaraan verdachte en de medeverdachten feitelijk leiding hebben gegeven.

Volgens de officier van justitie waren alle directieleden hierbij betrokken. Naast de medeverdachte [verdachte 2], die als algemeen directeur optrad was verdachte de initiatiefnemer en commercieel directeur en de baas binnen de onderneming. Verdachte was hoewel als directeur was teruggetreden tot het laatste moment betrokken bij de besluitvorming en heeft zo grote bedragen ontvangen uit de ingelegde middelen. Verdachte is als statutair bestuurder vanuit het Slavenburgcriterium reeds daarom verantwoordelijk. Hij had vanwege die hoedanigheid de bevoegdheid én de plicht om in te grijpen als de zaken niet lopen zoals aan de inleggers was beloofd, maar verdachte heeft willens en wetens aanvaard dat de zaken liepen zoals ze liepen en dat grote bedragen van de inleg niet werden belegd. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van feitelijk leiding geven aan oplichting.

Hetzelfde geldt volgens de officier van justitie voor het ten laste gelegde gewoontewitwassen. Geldbedragen zijn via oplichting of verduistering ter beschikking gekomen van Apex en daarna verhuld in uitgaven en kosten die niet werkelijk hebben bestaan of niet op de bedrijfsvoering van VSM betrekking hebben en in elk geval niet conform de doelstelling zijn aangewend, terwijl een deugdelijke verantwoording ontbreekt. In de onjuiste of nagelaten verantwoording bestaat het verhullen van de opbrengsten uit de oplichting danwel verduistering, zo stelt de officier van justitie.

Ook voor het vervalsen van de boekhouding van Apex door daarin zogenaamde aflossingen en rentelasten van 12% op te nemen, en de niet-bestaande leenovereenkomst die verdachte had opgesteld in de boekhouding te laten verwerken, is verdachte verantwoordelijk. Evenals voor de valselijke verwerking van fictieve facturen van de OpMaatGroep in de bedrijfsadministratie van VSM, het niet verwerken van de werkelijke kosten in de bedrijfsadministratie van VSM en het opvoeren van een fictieve rentebate, aldus de officier van justitie.

De onder feit 1 van parketnummer 993019-13 ten laste gelegde valsheid waar verdachte kosten voor kosten voor werkzaamheden declareert kan volgens de officier van justitie eveneens bewezen worden nu verdachte deze werkzaamheden volgens de officier van justitie niet heeft verricht. Ten aanzien van het feit 2 van parketnummer 9930119-13 heeft de officier van justitie aangegeven dat uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat de brief van 5 oktober 2012 mede door verdachte is opgesteld en is vervalst.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat op basis van het onderliggende strafdossier en zich daarin bevindende stukken alle (primair) tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben betoogd dat verdachte noch VSM BV (hierna: VSM) noch Apex zich schuldig hebben gemaakt aan het -kort gezegd- gebruiken van de gelden van obligatiehouders voor andere doeleinden dan de kernactiviteiten van VSM. Voor obligatiehouders was het duidelijk dat zij niet investeerden in een vastgoedfonds of een vastgoedportefeuille. Obligatiehouders investeerden in een vastgoedmaatschappij. Zij investeerden met andere woorden in een bedrijf dat zich richtte op de aankoop, verkoop en exploitatie van vastgoed. Dit bedrijf had niet alleen ten doel de aankoop, verkoop en exploitatie van vastgoed maar daaromheen bijvoorbeeld ook het aantrekken van gelden, verstrekken van geldleningen en kredieten, deelnemen in vennootschappen of ondernemingen, het verstrekken van zekerheden of garanties voor schulden van andere vennootschappen, het verlenen van diensten aan ondernemingen, het adviseren van ondernemingen en het verhuren van materieel en bedrijfsmiddelen aan ondernemingen, het optreden als trustee, bewindvoerder en administrateur van leningen, kapitalen, trustvermogens, partnerships en participaties en het verrichten van al hetgeen met vorenstaand verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Eén en ander volgt volgens de verdediging uit zowel de statuten als uit de in de tenlastelegging aangehaalde VSM prospectus van 2006.

Ten aanzien van feit 1 primair stellen de raadslieden dat door de obligatiehouders een geldbedrag van ruim 27 miljoen euro is ingelegd. Hiervan is 6 miljoen euro teruggevloeid naar de obligatiehouders. Vanaf de rekeningen van VSM is in totaal 21,2 miljoen euro geïnvesteerd in vastgoed. Verder zijn er geen gelden verdwenen, zijn er geen schimmige banktransacties gedaan en er zijn er geen grote contante geldbedragen opgenomen om gelden weg te sluizen. De FIOD heeft geen enkele frauduleuze banktransactie ontdekt. Tegen de achtergrond van deze cijfers past het dan ook niet om VSM c.q. verdachte het verwijt te maken dat van de door de obligatiehouders ingelegde gelden, te weinig geld is gegaan naar de kernactiviteiten van VSM. Een groot deel van de inleg van de obligatiehouders is juist besteed aan de aankoop van vastgoed en een aanzienlijk deel van de inleg is teruggevloeid naar de obligatiehouders. Volgens de raadslieden blijkt nergens uit dat het geldbedrag van

€ 11.969.762,--, dat zou zijn besteed aan de ‘andere doeleinden’, afkomstig zou zijn van de inleg van obligatiehouders zoals het Openbaar Ministerie stelt.

Daarnaast heeft verdachte nooit opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) gehad op het oplichten van obligatiehouders dan wel op het verduisteren van hun gelden.

Ook is er geen sprake van wederrechtelijk toe-eigenen van gelden van obligatiehouders.

Ook heeft verdachte zich volgens de verdediging zichzelf niet verrijkt. Verdachte heeft zelf eigen geld in VSM gestopt als startkapitaal. Verdachte was als commercieel directeur vooral onderweg voor werkzaamheden binnen en buiten Nederland en trek je die kosten die daar mee gemoeid zijn af van de ontvangen geldbedragen, dan is het salaris van verdachte niet buitensporig te noemen.

Daarbij is door de FIOD nagelaten inzicht te geven in waar het gros van de

management fee aan is besteed. Er is simpelweg volstaan met de opmerking

dat er naast een aantal kostenposten (salariskosten personeel, declaraties, overboekingen

interne rekening en contante opnames) vanaf genoemde rekeningen diverse crediteuren zijn betaald, maar dat is geen verduisteren van geld.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging gesteld dat de ontvangen gelden niet middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn, laat staan dat VSM c.q. verdachte wist of

had moeten vermoeden dat genoemde gelden uit misdrijf afkomstig zou zijn.

Voorts heeft VSM noch Apex noch verdachte zich schuldig gemaakt aan het

verhullen of verbergen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaatsvervreemding of verplaatsing van een voorwerp dat afkomstig zou zijn uit enig misdrijf. VSM c.q. Apex c.q. verdachte heeft geen grote contante geldbedragen opgenomen, geen gelden van obligatiehouders verdoezeld of zich niet anderszins schuldig gemaakt aan witwasconstructies. Immers de geldstromen binnen het VSM-concern zijn netjes vastgelegd in financiële administraties, welke zijn goedgekeurd door accountants van PWC (Price Waterhouse en Coopers) en KroeseWevers.

Ten aanzien van feit 3 heeft verdediging gesteld dat nergens uit blijkt dat VSM c.q. Apex c.q. verdachte op de geldleningsovereenkomsten zou hebben vermeld dat de overeenkomsten zouden zijn afgelost. Al met al kunnen een heleboel mensen de geldleningsovereenkomsten wel hebben vervalst, temeer nu de vermeende vervalsing enkel bestaat uit het met pen op de geldlening schrijven ‘afgelost’.

De kosten van VSM onder brengen bij Apex was volkomen legaal en is goedgekeurd door accountants van PWC er kan dus geen sprake van zijn dat er valse boekingen in de bedrijfsadministratie zijn terecht gekomen.

Verdachte heeft volgens de verdediging zelf alle startkosten gedragen van het VSM-concern. Nadat zijn medevennoten (lees: [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 2] en [verdachte 6]) toetraden

tot de maatschap is beslist dat cliënt zijn inleg tweemaal terug zou krijgen, gelet ook op het feit dat de inleg risico dragend startkapitaal betrof. Om ervoor te zorgen dat Apex niet direct werd geconfronteerd met uitbetaling van een dergelijk geldbedrag, is beslist tegen een rentevergoeding de terugbetaling van het geldbedrag uit te spreiden. Een en ander is niet alleen in overleg gegaan met de vennoten maar ook met de accountant van KroeseWevers.

De € 140.000,-- betrof startkapitaal. Met dit geld zijn kosten gemaakt voorafgaand aan de oprichting van het VSM concern. Het is evident dat dit geldbedrag niet in de boeken of op de

bankrekeningafschriften van Apex te vinden is.

Ten aanzien van de facturen in verband met verrichte dienstverlening heeft de verdediging gesteld dat er niet eens fatsoenlijk onderzoek verricht naar de vraag welke dienstverlening achter de facturen zat. Dit gaat ook op voor de eerste twee gedachte streepjes die onder letter D van feit 3 staan vermeld.

Ten aanzien van het derde gedachtestreepje onder letter D van feit 3 heeft de verdediging betoogd dat [werknemer] een contract met Europe Finance GmbH had en werkzaamheden verrichtte voor cliënt. Per 30 maart 2009 is het contract met [werknemer] beëindigd. De factuur voor de betaling van [werknemer] heeft volgens de verdediging deel uitgemaakt van de afvloeiingsregeling met [werknemer]. [verdachte 1] Holding heeft daarom kosten gedeclareerd.

De laatste drie gedachtestreepjes van feit 3 zijn volgens de verdediging het directe resultaat van de FIOD verklaring van de getuige [getuige 2]. Enig bewijs dat VSM c.q. Apex c.q. verdachte geschriften valselijk zou hebben opgemaakt ontbreekt echter. Terwijl uit verschillende andere bewijsstukken blijkt dat er wel degelijk hard werken van verdachte ten grondslag lag aan de desbetreffende facturen.

Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging gesteld dat de facturen van Opmaat Groep zijn opgesteld omdat er wel degelijk werkzaamheden aan te grondslag liggen. Bovendien blijkt ook nergens uit het dossier dat er geen werkzaamheden door verdachte zijn verricht.

Voor het overige tenlastegelegde van feit 4 wordt verwezen naar hetgeen de verdediging hierover al bij feit 3 heeft opgemerkt.

Ten aanzien van feit 1 van de zaak met parketnummer 08/ 993019-13 heeft de verdediging gesteld dat er niets vals is aan de in de tenlastelegging genoemde facturen. Verdachte en anderen hebben daadwerkelijk werkzaamheden verricht ten behoeve van VSM. Dit waren ook werkzaamheden die noodzakelijk waren om een faillissement te voorkomen en de overdracht naar Annexum te faciliteren. Bovendien blijkt uit het dossier ook nergens uit dat genoemde werkzaamheden niet zouden zijn verricht. Er is simpelweg geen onderzoek gedaan naar de vraag welke werkzaamheden verband houden met de genoemde facturen.

Ten aanzien van feit 2 van de zaak met 08/ 993019-13 heeft de verdediging gesteld dat de verdenking jegens verdachte enkel en alleen bestaat uit de schriftelijke verklaringen van [getuige 1] en dat er geen andere bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken is geweest bij het opstellen c.q. afleveren van de brief gericht aan het Functioneel Parket.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Algemeen

De rechtbank stelt vast dat het dossier van het opsporingsonderzoek van de Belastingdienst/FIOD weinig structuur kent, moeilijk toegankelijk is en wat betreft de daarin opgenomen gegevens geen sluitend beeld geeft. Voor wat betreft de beoordeling van de ten last gelegde feiten stelt de rechtbank op grond van de gegevens die wel uit het dossier naar voren komen het volgende vast.

2004

Apex en Vastgoed Solide Maatschappij BV (hierna VSM) zijn op 3 mei 2004 opgericht. Beide vennootschappen maken deel uit een concern. Binnen dit concern is Apex via een andere vennootschap, te weten Vastgoed Solide Fondsen BV (hierna VSF), moedermaatschappij en middellijk bestuurder van VSM, die op haar beurt bestuurder is van Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen B.V. (hierna VSMB).

2005

Op 7 februari 2005 brengt VSM een prospectus uit met betrekking tot de uitgifte van 400.000 obligaties van elk 100,-- (maximale omvang van de beoogde emissie 40 miljoen) met een looptijd van 20 jaar. Als doel staat in het prospectus omschreven de aankoop/verkoop van vastgoed, ontwikkeling van vastgoed en exploitatie van vastgoed.

Over de bedrijfskosten vermeldt het prospectus het volgende: “De algemene kosten hebben betrekking op de exploitatie van VSF en V.S.M.B. Hieronder vallen kosten als: salarissen, managementvergoeding, kosten van ING-bank. de bewaarder, etc... Om deze kosten te betalen wordt er maandelijks 0,2% van het netto belegd vermogen door V.S.M. aan Apex/V.S.F. betaald. (exclusief het belegd hypothecair vermogen)”

De directie bestaat volgens dit prospectus uit: verdachte, commercieel directeur,

[verdachte 5], directeur vastgoed; [verdachte 2], directeur ontwikkeling;

[verdachte 6], directeur operations en er is een vacature voor een directeur financiën.

Vanaf 15 februari 2005 is inschrijven mogelijk. In het jaar 2005 is door obligatiehouders

€ 2.730.000,-- ingelegd.

Vanaf 25 februari 2005 worden er diverse leningsovereenkomsten opgesteld tussen VSM en Apex waarbij VSM geldbedragen uitleent aan Apex tegen een rente van 12% per jaar. Uit onderzoek van bankrekeningen (volgens de verbalisant is dit onderzoek niet volledig geweest wegens het niet beschikbaar hebben van alle bankrekeningoverzichten) volgt dat in 2005 door VSM in ieder geval een bedrag van € 720.108,-- overgemaakt aan Apex. Rente over de uitgeleende gelden is niet betaald, maar is in rekening courant geboekt.

Vanuit Apex worden de kosten van VSM betaald.

Op 30 juni 2005 wordt het eerste pand aangekocht.

Op 1 december 2005 wordt een managementovereenkomst opgesteld met [verdachte 4].

2006

In 2006 is door de obligatiehouders een bedrag van € 3.210.000,-- ingelegd. Ook in 2006 worden panden aangekocht. Daarnaast worden de leningen van VSM aan Apex uitgebreid en vervolgens vervangen door nieuwe leningsovereenkomsten.

In 2006 wordt een bedrag van € 1.590.000,-- vanuit VSM overgeboekt naar Apex.

Op 8 december 2006 wordt door VSM een nieuwe prospectus uitgebracht. Hierin is opgenomen dat de directie bestaat uit verdachte, commercieel directeur, [verdachte 5], directeur vastgoed, [verdachte 2], directeur ontwikkeling, [verdachte 6], directeur operations en [verdachte 4], directeur financiën. Allen zijn tevens 20% aandeelhouder van de moedermaatschappij Apex. In het prospectus is opgenomen dat VSM de opbrengst van de obligaties uitleent aan vennootschappen behorend tot de groep waarvan VSM deel uit maakt, dit ter financiering van hun ondernemingen. Over kosten is opgenomen dat de managementvergoeding maandelijks 0,1% (exclusief omzetbelasting) bedraagt te berekenen over de waarde van de activa van Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen.

2007

Op 1 januari 2007 is het op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) niet langer toegestaan om door te gaan met het aantrekken van opvorderbare gelden buiten besloten kring van andere dan professionele markt partijen. Daartoe is een ontheffing vereist.

In 2007 worden meerdere panden aangekocht. Daarnaast worden veilingpanden aangekocht en die later weer worden verkocht.

In het jaar 2007 wordt door de obligatiehouders een bedrag van € 6.686.000,-- ingelegd en wordt door Apex indirect een bedrag van VSM ontvangen van € 3.050.000,--.

Op 3 september 2007 geeft [verdachte 4] in een mail, met kopie aan de andere directieleden, aan dat voor een vergunning via De Nederlandse Bank (DNB) het niet is toegestaan voor VSM geld uit te lenen aan een moedermaatschappij. Dit is per jaarrekening 2006 nog wel het geval. [verdachte 4] geeft aan dat het middels aktes van cessie mogelijk is deze financiering vanuit VSM aan VSF te verplaatsen via VSMB naar BVSM. Na herfinanciering voldoet VSM, aldus [verdachte 4], aan het vereiste dat zij geld dat zij in de markt ophaalt, doorleent aan de dochtervennootschap.

2008

Op 5 maart 2008 wordt aan VSM ontheffing op grond van de Wft verleend.

Ook in 2008 worden panden aangekocht en verkocht.

In 2008 is door obligatiehouders € 9.587.000,-- ingelegd. Uit het onderzoek van bankrekeningen volgt dat in 2008 in ieder geval € 1.675.000,-- is overgemaakt aan Apex.

Op 27 juni 2008 wordt de jaarrekening van 2007 goedgekeurd. Eerdere jaarrekeningen zijn ook goedgekeurd. [naam 1] is namens KroeseWevers vanaf 2004 betrokken geweest bij Apex, VSF en VSM bij de advisering omtrent de structuur en de fiscale paragraaf van het prospectus. Hij heeft ook een concept gemaakt van de aan Price Waterhouse Coopers (PWC) verstrekte jaarrekeningen over 2004 tot en met 2007.

[naam 2] is namens PWC in de periode van november 2004 tot en met november 2006 bij VSM betrokken geweest en heeft accountantsverklaringen afgegeven bij de jaarrekeningen van VSM over 2005 en van VSF over 2004 en 2005. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat de goedkeurende verklaringen 2004 en 2005 nimmer zijn ingetrokken en dat daaruit is af te leiden dat de verklaringen en de daaraan ten grondslag liggende informatie correct zijn en dat de jaarrekeningen aldus een getrouw beeld geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de betrokken vennootschappen per 31 december 2004, respectievelijk 2005.

Vanaf december 2006 is [naam 3], namens PWC betrokken geweest bij de controle van de jaarrekeningen van VSF, VSM en VSMB over de jaren 2006, 2007 en 2008. Bij de rechter-commissaris heeft zij hierover verklaard dat [verdachte 4] haar belangrijkste aanspreekpunt was en dat er gevraagd is om de controle van de jaarrekeningen te doen en de beoordeling van het prospectus van 8 december 2006. Zij heeft de accountantsverklaring bij dat prospectus afgegeven. In het kader van de controle van de jaarrekening over 2006 is de in company-lening tussen VSF en Apex besproken met het management inclusief [verdachte 4]. Dat was toen een belangrijk onderwerp. Daarbij is aan de orde geweest wat Apex met de ontvangen lening heeft gedaan, hoe deze activiteiten linken naar de activiteiten van VSM/VSF, aan welke voorwaarden (groei/omvang) moet worden voldaan om de lening te kunnen terugbetalen en op welke wijze die lening in twee jaren zou worden terugbetaald. In juni 2007 was het, gegeven de initiatieven van VSF en de markt op dat moment in vergelijkbare initiatieven, aannemelijk dat Apex de lening zou kunnen terugbetalen. De in company- lening tussen VSF en Apex is ook beoordeeld als onderdeel van de controle van de jaarstukken over 2007 en daarbij is het plan van de directie besproken om tot terugbetaling te komen. Op basis daarvan is de goedkeurende verklaring er gekomen. In juni 2009 heeft het management geconcludeerd dat de lening moest worden afgewaardeerd omdat er op dat moment geen onderbouwingen waren om de lening te kunnen betalen. Voor PWC waren er twee momenten waarop duidelijk werd dat voor 2008 geen goedkeurende verklaring kon worden afgegeven, namelijk: in december 2008/januari 2009 toen werd meegedeeld dat [verdachte 4] was vertrokken en de status van de initiatieven met betrekking tot de terugbetaling van de lening aan Apex werd besproken en in juni 2009 tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Bij de controle van de jaarrekeningen van VSM is het prospectus er steeds weer bij gepakt. [naam 3] had geen gecontroleerde stukken van het eigen vermogen van Apex, ze heeft niet de feitelijke uitstroom van gelden gezien vanuit Apex. Haar is verteld dat de gelden van Apex zijn besteed ten behoeve van het opzetten van de organisatie.

[verdachte 4] geeft in zijn verklaring bij de curator A.J. v.d. Knijff aan dat hij zich in oktober 2008 voor het eerst serieus zorgen ging maken over de mogelijkheden tot voortbestaan van Apex en VSM.

Fortis heeft toen aangegeven dat zij niet akkoord ging met het plan tot verpanding van de aandelen. [verdachte 4] geeft aan dat hij toen extra heeft benadrukt dat er gesneden moest worden in de kosten, maar hij kreeg de handen hiervoor niet op elkaar.

Op 12 december 2008 heeft een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden waarbij alle aandeelhouders aanwezig waren. Uit de aantekeningen van die vergadering van [verdachte 4] is op te maken dat hij voor de bespreking van de stand van zaken iedere aandeelhouder een overzicht heeft gegeven van de verwachte stand met ingang van 1 januari 2009 en het verwachte resultaat en de verwachte cash flow rekening houdend met deze stand. In een toelichting heeft [verdachte 4] aangegeven dat het niet mogelijk is om ook nog maar € 1,= direct dan wel indirect te onttrekken aan VSM anders dan conform prospectus is toegestaan en dat het noodzakelijk is dat Apex vanaf heden maandelijks rente moet betalen aan VSM. Vervolgens geeft [verdachte 4] aan dat als dat niet gebeurt het dan in 2009 niet mogelijk zal zijn om een winstdelende rente uit te keren. Reactie van de overige vier bestuurders/aandeelhouders was dat het risico van het niet betalen van de management fee nota's, inclusief de additionele nota's van verdachte, die aangaf € 48.000,-- per maand nodig te hebben, te groot zou zijn en dat daardoor waarschijnlijk die initiatieven zouden mislukken. [verdachte 4] geeft aan dat hij reeds meerdere keren gezegd heeft dat er geen additionele gelden direct dan wel indirect konden worden onttrokken aan Vastgoed Solide Maatschappij BV en dat hij heeft aangegeven dat dat geld uit andere middelen moest komen. [verdachte 4] heeft in de diverse directie- dan wel aandeelhoudersvergaderingen de anderen steeds geïnformeerd over de financiële stand van zaken. Hij schrijft dat geen van de bestuurders/aandeelhouders op basis van de informatie die aan hen is verstrekt kan zeggen dat zij niet op de hoogte zijn van de situatie. [verdachte 4] treedt vervolgens af als directeur financiën.

2009

In de loop van 2009 worden onverkort kosten van VSM gedeclareerd bij Apex.

Op 25 augustus 2009 vindt er een onderzoek plaats bij VSM door DNB. Als aanleiding wordt onder andere aangegeven dat in de ontvangen jaarrekeningen over 2008 aanwijzingen waren aangetroffen dat VSM voor eigen rekening kredietuitzettingen zou hebben verricht (anders dan het doorlenen aan de dochtervennootschap) en daarmee mogelijk in strijd met de Wft zou hebben gehandeld. Tevens trof DNB enkele niet uit de toelichting te verklaren afboekingen op leningen aan. Volgens DNB heeft [verdachte 2] tijdens het onderzoek ter plaatse in augustus 2009 verklaard, dat er geen managementvergoeding meer zou worden betaald.

Op 28 september 2009 wordt de ontheffing ingetrokken.

Op 16 oktober 2009 geeft DNB in een e-mail aan VSM aan dat VSM, als gevolg van de intrekking van de ontheffing per 28 september 2009, gehouden is om haar activiteiten in de huidige vorm te staken en af te wikkelen. In beginsel resulteert de constatering van een overtreding in de verplichting voor VSM om de gelden die zij onder zich houdt aan de inleggers terug te betalen. VSM kan zich immers niet meer beroepen op de ontheffing.

Op 5 november 2009 wordt er een dienstverleningsovereenkomst opgesteld tussen de Op Maat Groep B.V. (hierna OMG) en VSF. De overeenkomst is voor akkoord getekend door [verdachte 2] namens VSF, VSM, VSMB en Bewaarder Solide Maatschappij en door [verdachte 3] namens OMG. In de overeenkomst staat dat OMG de opdracht verstrekt tot het uitvoeren van administratieve werkzaamheden. In de bijlage staat: "Inclusief managementondersteuning door [verdachte 3] en [verdachte 1] € 43.900 per maand exclusief BTW”. Vervolgens factureert OMG kosten aan Apex en later rechtstreeks aan VSM.

In het jaar 2009 is door de obligatiehouders ingelegd een bedrag van € 1.750.802,--.

Volgens onderzoek bankrekeningen (niet volledig) is in ieder geval overgemaakt aan Apex (al dan niet via VSMB, BVSM, VSF) een bedrag van € 1.488.000,--.

Per 31 december 2009 is er belegd in 34 panden totaal met een waarde op dat moment van in totaal € 25.748.207,-- waar een hypotheek op rust van € 14.948.000,--, zodat werd geïnvesteerd in onroerend goed voor een bedrag van € 10.800.207,--.

2010

Op 19 maart 2010 heeft DNB besloten mr. C.W. Houtman, kantoorhoudend te Nijmegen, te benoemen tot (stille) curator als bedoeld in artikel 1:76 Wft.

In de periode april tot en met december 2010 rapporteert Houtman aan DNB in een aantal brieven omtrent gebeurtenissen bij VSM. Hij geeft daarbij aan vanaf 23 maart 2010 gesprekken te hebben gevoerd met de leiding van VSM, waarbij hij vanaf het begin te kennen heeft gegeven dat er geen rechtshandelingen en/of betalingen mogen plaatvinden zonder zijn toestemming.

In 2010 stuurt OMG diverse facturen aan VSM. Op 5 augustus 2010 worden vier facturen bij wijze van spoedboeking gelijktijdig betaald. In totaal heeft OMG in de periode van

2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 € 84.719,- ontvangen van Apex en € 490.523,-- van VSM. Op 7 december 2010 is Apex failliet verklaard.

Feit 1 primair en subsidiair: oplichting

Ten aanzien van de onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde oplichting overweegt de rechtbank dat van oplichting in dit verband slechts sprake is als bewezen is dat verdachte en/of zijn medeverdachten met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling door het aannemen van een valse naam/hoedanigheid of door listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels iemand hebben bewogen tot afgifte van een geldbedrag. De genoemde oplichtingsmiddelen hoeven niet te zijn aangewend jegens degene van wie de afgifte van het geldbedrag werd verwacht. Zij kunnen ook gebruikt zijn tegen een derde, mits de bedoeling om afgifte te verkrijgen vaststaat en het geld ook daadwerkelijk als gevolg van de oplichtingsmiddelen is afgegeven.

Voorts dient zonder redelijke twijfel te worden vastgesteld dat bij verdachte en/of zijn medeverdachten van meet af aan het oogmerk heeft bestaan om de ingelegde gelden niet te investeren zoals voorgespiegeld in de prospectussen van 7 februari 2005 en 8 december 2006, maar ten eigen bate aan te wenden.

Uit het dossier valt niet méér af te leiden dan dat van het totaal aantal inleggers, waarvan de officier van justitie stelt dat het er 581 zijn, slechts een beperkt aantal personen is gehoord. Van de gehoorde personen zijn er vijf in de tenlastelegging genoemd. Dat deze vijf personen door de oplichtingsmiddelen als genoemd in de dagvaarding zijn bewogen tot afgifte van de door hen ingelegde gelden blijkt niet uit hun verklaringen. Geen van hen geeft aan door de inhoud van folders, brochures en prospectussen, zoals in de tenlastelegging weergegeven, te zijn bewogen tot inleg. Evenmin geven zij aan te zijn bewogen door geflatteerde winsten bij VSM. Voor zover de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen mochten zijn aangewend jegens derden die tussen de vijf genoemde personen en VSM hebben ingestaan, zijn die derden daarover niet gehoord, zodat niet is gebleken wat de uitwerking van die middelen jegens hen is geweest. Indien en voorzover medeverdachte [verdachte 4] daarbij niet als mededader maar als tussenpersoon is aan te merken, is niet komen vast te staan wat hem heeft bewogen en evenmin dat het geld van de genoemde personen ook daadwerkelijk als gevolg van door hem gedane mededelingen -voor zover al in de tenlastelegging opgenomen- is afgegeven.

Wat de beweegredenen van de overige, niet met naam in de tenlastelegging genoemde, inleggers zijn geweest is onbekend. Daarover geeft het dossier geen uitsluitsel.

Bovendien zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte en/of één of meer van de medeverdachten vanaf het begin het oogmerk hebben gehad de ingelegde gelden niet te investeren. Dat dit oogmerk in de loop der tijd zou zijn ontstaan is evenmin gebleken, te meer uit het dossier juist blijkt, zoals in de hiervoor geschetste gang van zaken is weergegeven, dat VSM over de gehele periode van 2005 tot en met 2009 wel degelijk in vastgoed heeft geïnvesteerd. Voor zover dat oogmerk in de loop der tijd al uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken zou zijn af te leiden, is er geen enkele relatie te leggen met de beweegredenen tot afgifte van gelden van de inleggers die vanaf dat moment instapten. Uit het dossier is daarover immers niets af te leiden. Ook de officier van justitie heeft daarover geen opheldering verschaft.

De rechtbank komt tot de slotsom dat geen wettig en overtuigend bewijs is geleverd dat sprake is geweest van oplichting door verdachte en/of een of meer van de medeverdachte (rechts)personen, zodat verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Feit 1 meer subsidiair: verduistering

Ten aanzien van de onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde verduistering door de in de dagvaarding genoemde rechtspersonen overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals hiervoor reeds overwogen zijn de tenlastegelegde feiten voor zover deze hebben plaatsgevonden tot en met 19 augustus 2006 verjaard. De rechtbank zal zich derhalve bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van verduistering beperken tot de ten laste gelegde periode daarna.

Van verduistering is sprake als een iemand enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toe-eigent. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gemachtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van zodanig beschikken kan – afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval – onder meer sprake zijn indien aan een ander dan verdachte toebehorende gelden aan verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd, doel en verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt1.

De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat indien een bedrag niet enkel in bewaring wordt gegeven, maar uitgeleend of geïnvesteerd c.q. belegd in het bedrijf van een ander (in de hoop er via rente, aandelen etc. financieel beter van te worden), men dan een zeker risico loopt. De uitlener, investeerder of belegger geeft dan immers de ontvanger de bevoegdheid dat bedrag te gebruiken of uit te geven voor zover dit in overeenstemming is met het doel van de lening, investering of belegging. Hoewel deze zogenoemde doelbinding de ruimte beperkt waarbinnen de ontvanger het geld rechtmatig kan aanwenden, neemt dat niet weg dat hij binnen die ruimte als heer en meester over dat geld kan beschikken. Van het zich wederrechtelijkheid toe-eigenen is geen sprake zolang de ontvanger binnen de door de doelbinding geboden ruimte handelt.2

In het licht van vorenstaand juridisch kader is dus van belang welke bevoegdheden tot gebruik van de gelden VSM zich ten opzichte van de obligatiehouders -al dan niet contractueel vastgelegd- heeft toegemeten.

Om daarin inzicht te krijgen zijn, ook ten aanzien van de reeds vóór de verjaring ingelegde gelden van obligatiehouders, de bepalingen uit het prospectus van 2005 en het prospectus van 2006 van belang. Daaruit komt naar voren dat VSM nimmer heeft voorgespiegeld dat de ingelegde gelden louter voor investeringen in vastgoed zouden worden gebruikt. Zowel in het prospectus 2005 als in het prospectus 2006 is aangegeven dat de inleg ook gebruikt wordt voor ontwikkeling en om kosten te dekken. Bovendien wordt in het prospectus 2006 uitdrukkelijk vermeld gemaakt dat de ingelegde gelden ook worden gebruikt ter financiering van activiteiten in eigen onderneming en die van de andere groepsvennootschappen. Dat in afwijking van de prospectussen, al dan niet contractueel vastgelegde, andere afspraken zijn gemaakt is niet gebleken.

In verband met het vorenstaande zijn gelden van obligatiehouders al dan niet rechtstreeks vanuit VSM aan Apex overgemaakt. Dat aan deze overboekingen in de te beoordelen periode een andere titel ten grondslag heeft gelegen dan de in de administratie van VSM en Apex aangetroffen leningsovereenkomsten is uit het opsporingsonderzoek niet af te leiden. Nu dit niet is gebleken moet er vanuit worden gegaan dat het allemaal binnen het begrip in company-lening valt.

De rechtbank is van oordeel dat zolang een in company-lening als reële lening, met mogelijkheid om tot terugbetaling te komen, in de boekhouding van VSM en Apex is opgenomen er gelet op de doelbinding geen sprake is van handelen in strijd met enig al dan niet contractueel vastgelegd doel. Dit wordt eerst anders indien de onmogelijkheid tot, dan wel aanmerkelijke bemoeilijking van, terugbetaling evident is.

PWC heeft tot en met 27 augustus 2008, toen de jaarrekeningen van VSM over 2007 werd goedgekeurd, deze in company-lening als reële, terug te betalen lening beschouwd. Uit de verklaring van [naam 3] komt in dit verband naar voren dat bij de controle van de jaarrekening het prospectus is betrokken, dat de in company-lening ook is beoordeeld als onderdeel van de controle van de jaarstukken over 2007 en dat daarbij het plan van de directie is besproken om tot terugbetaling te komen.

Het dossier bevat geen aanknopingspunten waaruit zou zijn af te leiden dat PWC daarbij al dan niet opzettelijk foutief is voorgelicht, zodat voor wat betreft de vraag of binnen de doelbinding is gehandeld er vanuit moet worden gegaan dat de lening als reëel is beoordeeld.

Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval tot 27 augustus 2008 geen sprake zijn van verduistering.

Zoals gezegd dient de vraag of het handelen van verdachte en/of de mededaders met betrekking tot de storting van gelden naar Apex al dan niet onder het contractueel vastgelegd doel valt, anders te worden beantwoord indien de onmogelijkheid tot, dan wel aanmerkelijke bemoeilijking van, terugbetaling van de lening evident is.

In dit verband is van belang dat [verdachte 4] in de aandeelhoudersvergadering van 12 december 2008 alle aandeelhouders/bestuurders in detail op de hoogte heeft gesteld van de stand van zaken, de financiële problemen en van het feit dat in het belang van de obligatiehouders een andere koers moest worden gevaren, waarbij geen additionele gelden meer direct of indirect aan VSM worden onttrokken. Zijn plan is toen van tafel geveegd. Dit sluit aan bij de verklaring van [naam 3] waarin zij aangeeft dat het ook voor PWC in december 2008/januari 2009 duidelijk werd dat voor 2008 geen goedkeurende verklaring kon worden afgegeven, toen er werd meegedeeld dat [verdachte 4] was vertrokken en de status van de initiatieven met betrekking tot de terugbetaling van de lening aan Apex werd besproken.

In weerwil van de wetenschap omtrent de financiële situatie en in de wetenschap omtrent de onmogelijkheid om op de oude voet door te gaan is VSM gedurende het hele jaar 2009, vanaf 9 januari tot 10 december 2009, stelselmatig doorgegaan met het al dan niet rechtstreeks overboeken van gelden van obligatiehouders naar Apex.

In totaal is in dat jaar een bedrag van € 1.488.000,-- overgemaakt. Dit terwijl vanaf begin 2009 bij VSM duidelijk was dat deze bedragen niet terugbetaald zouden worden, althans dat een en ander daardoor aanmerkelijk zou worden bemoeilijkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit bedrag van € 1.488.000,-- dat VSM voor de obligatiehouders in beheer had deels in strijd met het doel aangewend en door VSM tegen de afspraken in voor andere doeleinden aangewend. Hierbij dient de kanttekening te worden gemaakt dat van dit bedrag moet worden afgetrokken het bedrag dat VSM blijkens het prospectus 2006 als managementkosten heeft voorgewend zijnde 0,1 % per maand van de waarde van de activa van VSM, hetgeen uitgaande van een vastgoedportefeuille in 2009 van 25 miljoen neerkomt op een bedrag van 25.000 per maand, een en ander tot en met augustus (het moment waarop [verdachte 2] aan DNB heeft aangegeven dat er geen managementvergoeding meer zou worden betaald). Dit levert op een totaalbedrag van

€ 200.000,--. Wat het exacte bedrag is geweest, dat aan managementvergoeding had mogen worden overgeboekt is op basis van het dossier niet vast te stellen, maar de rechtbank gaat er op grond van het vorenstaande van uit dat dit om en nabij € 200.000,-- is geweest. Een en ander leidt tot de conclusie dat van het bedrag van € 1.488.000,-- een groot deel tegen de afspraken in voor een andere doel is aangewend. Uit het feit dat, onder de gegeven omstandigheden, voor wat betreft de geldstroom naar en de onttrekking door middel van kostendeclaraties uit Apex de oude koers onverdroten is voortgezet leidt de rechtbank af dat de opzet van VSM erop gericht is geweest om, in nauwe en bewuste samenwerking met Apex, gelden die aan anderen toebehoren zich wederrechtelijk toe te eigenen door deze als niet terug te betalen “lening”, ter betaling van buitensporige (ruim boven de afgesproken managementvergoeding) kosten, aan Apex ter beschikking te stellen en aldus daarover als heer en meester beschikken. De rechtbank is van oordeel dat VSM zich aldus samen met Apex schuldig heeft gemaakt aan verduistering van enig geldbedrag.

Voor wat betreft de € 490.523-- die in de periode van 2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 rechtstreeks van VSM aan OMG in verband met kosten is overgemaakt heeft te gelden dat dit heeft plaatsgevonden in dezelfde wetenschap bij VSM en onder dezelfde feitelijke omstandigheden. Daar komt nog bij dat zich inmiddels de nodige ontwikkelingen hadden voorgedaan, waaruit moet worden afgeleid dat VSM verplicht was de gelden onder zich te houden om aan inleggers terug te betalen.

De rechtbank overweegt in verband daarmee het volgende. Begin december 2008 bestond de directie van VSM en APEX onder meer uit verdachte, commercieel directeur,

[verdachte 2], directeur ontwikkeling en [verdachte 4], directeur financiën.

Op 12 december 2008 is [verdachte 4] afgetreden. Hij trad af vanwege de in zijn ogen zorgwekkende financiële situatie van VSM en APEX in combinatie met het feit dat overige bestuursleden niet in wilden stemmen met het niet betalen van additionele nota’s van bestuurders en verlaging van hun management fee.

Vanaf januari 2009 is [verdachte 3] betrokken bij VSM en APEX. Zijn werkzaamheden waren er met name op gericht om bij VSM orde op zaken te stellen en de kosten van VSM te verminderen. Voor zijn werkzaamheden ontving hij een management fee van € 12.500,-- per maand excl. BTW, vermeerderd met onkosten.

Uit een e-mail van 7 december 2008 volgt dat verdachte, [verdachte 2] en interimmanager [verdachte 3] afspreken elke maandag bespreking te houden.

In juni 2009 heeft het management van VSM geconcludeerd dat de in company leningen tussen VSM en APEX moesten worden afgewaardeerd, omdat op dat op dat moment de financiële situatie van VSM zodanig slecht was dat voorzienbaar was dat die leningen niet zouden kunnen worden terugbetaald. Op dat moment was ook al duidelijk geworden dat PWC geen goedkeurende verklaring voor 2008 af zou kunnen geven.

Op 28 september 2009 is de ontheffing die de DNB aan VSM op grond van de Wft had verleend, ingetrokken. Op 16 oktober 2009 heeft DNB aangegeven dat VSM, als gevolg van de intrekking van de ontheffing per 28 september 2009, gehouden is om haar activiteiten in de huidige vorm te staken en af te wikkelen. Vanaf dat moment was VSM gehouden om de gelden die zij van de beleggers onder zich had aan hen terug te betalen.

Weliswaar is [verdachte 3] niet als feitelijk leidinggever van VSM aan te merken, maar uit het vorenstaande volgt dat hij uit hoofde van zijn taakvervulling als interimmanager, zoals hij die zelf omschrijft, op de hoogte moet zijn geweest van de situatie waarin VSM verkeerde, zoals hiervoor weergegeven.

In die wetenschap is [verdachte 3] namens OMG op 5 november 2009 een contract aangegaan met VSM en gelieerde vennootschappen, waarbij een dienstverleningsovereenkomst is gesloten en aan OMG de opdracht is vertrekt tot het uitvoeren van administratieve werkzaamheden, “inclusief managementondersteuning door [verdachte 3] en [verdachte 1]” tegen een vergoeding van € 43.900,-- per maand exclusief BTW.

In de vergoeding voor die administratieve werkzaamheden is begrepen een management fee van verdachte van € 11.000,-- per maand.

Over OMG is op grond van het dossier het volgende bekend: verdachte, [verdachte 2] en [verdachte 3] zijn de drie eigenaren van SCM Swiss Capital Management AG. (verder: Swiss Capital). Swiss Capital was van 16 juli 2009 tot 19 augustus 2011 enig aandeelhouder van de op 27 juni 2007 opgerichte OMG.

Getuige [getuige 3] heeft onder meer verklaard:

“[verdachte 1] zit in diverse bedrijven, maar overal onzichtbaar. We hebben het veel over [verdachte 1] gehad, maar het gaat in feite over drie mensen: [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 2]. Het is een drie-eenheid. Ze hebben elkaar nodig.”

In zijn e-mail van 2 mei 2009 aan [getuige 3] schrijft verdachte onder meer:

Swiss Capital heeft drie eigenaren te weten:

-[verdachte 3]

-[verdachte 2]

-[verdachte 1]

Het is een AG (Actien Geselschaft in het Nederlands een Naamloze Vennootschap) en derhalve zie je de aandeelhouders niet. Dit omdat anders steeds dezelfde personen boven tafel komen en de mensen daarbuiten verbanden gaan zien ….. das niet handig zeg maar.”

Op 19 maart 2010 heeft DNB mr. C.W. Houtman bij VSM benoemd tot stille curator. De eerste bespreking tussen Houtman en [verdachte 2] heeft plaatsgevonden op 23 maart 2010. In zijn brief van 15 juli 2010 aan DNB schrijft Houtman dat hij [verdachte 2] heeft gezegd dat [verdachte 2] zonder zijn toestemming geen rechtshandelingen mag verrichten. Verder schrijft hij in die brief dat [verdachte 2] met geen enkel woord heeft gezegd dat de maandelijkse vergoedingen aan VSM voor het verrichten van de administratie zo hoog waren als later is gebleken. In december 2010 schrijft Houtman aan DNB dat [verdachte 2] bij die eerste bespreking heeft gezegd dat [verdachte 3] en verdachte ervan wisten dat hij het er niet mee eens was met de betalingen aan OMG en daarbij is gezegd dat OMG niet meer zou factureren. Over de werkzaamheden van [verdachte 3] en verdachte zegt de Houtman in die brief:“Het is aperte flauwekul dat in de periode na dat ik de opdracht verkreeg door de heren [verdachte 3] en [verdachte 1] nog aan “productontwikkeling, verkoopactiviteiten, intermediair bezoek en klantbezoek, communicatievraagstukken en juridische ondersteuning" zou zijn gedaan.”

Op grond van de vorengenoemde dienstverleningsovereenkomst heeft OMG diverse facturen aan VSM gestuurd, waarop betaling heeft plaatsgevonden. Bij de laatste betaling zijn op 5 augustus 2010 vier facturen bij wijze van spoedboeking gelijktijdig betaald. In totaal heeft OMG in de periode van 2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 van VSM een bedrag van € 490.523,-- ontvangen.

Tussen 26 maart 2010 en 24 augustus 2011 ontvangt GING, een aan [verdachte 3] gelieerde vennootschap, van OMG een totaal bedrag van € 166.300,-- onder de omschrijving "fee periode 7". Verdachte en zijn toenmalige vriendin [naam 4] ontvangen een totaal bedrag van € 168.500,-- onder dezelfde omschrijving "fee periode 7".

Uit de vorenstaande gang van leidt de rechtbank af dat [verdachte 3], als directeur van de OMG, waarvan hijzelf, verdachte en [verdachte 2] via Swiss Capital de eigenaren waren, met VSM, waar [verdachte 2] en verdachte zeggenschap hadden, op 5 november 2009 een dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan buitensporig hoge kostenvergoedingen konden worden uitbetaald. Feitelijk werd € 52.241,-- per maand door VSM aan de OMG betaald. Uit de maandelijkse facturen die door OMG aan VSM werden gezonden, blijkt dat in het bedrag van € 52.241,-- steeds een management fee van € 11.000,-- voor [verdachte 3] en een management fee van € 11.000,-- voor verdachte was begrepen. Verder kan het ook [verdachte 3] niet zijn ontgaan dat DNB op 19 maart 2010 DNB mr. C.W. Houtman bij VSM tot stille curator heeft benoemd en die curator vanaf 23 maart 2010 heeft aangegeven dat er zonder zijn toestemming geen rechtshandelingen en betalingen plaats zouden mogen vinden en dat hij het er niet eens was met betalingen in verband met buitensporige kostenvergoedingen aan OMG.

Zelfs daarna ging de OMG door met het sturen van haar facturen en werden die facturen ook door VSM betaald. Op deze wijze werd van november 2009 tot en met augustus 2010 een bedrag van € 490.523,-- aan het vermogen van VSM onttrokken. Op het laatst zijn nog gelijktijdig vier facturen van de OMG door middel van een spoedboeking voldaan.

Uit vorenstaande verklaringen en gebeurtenissen in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat er tussen VSM, OMG en [verdachte 3] een nauwe en bewuste samenwerking is geweest en dat die samenwerking erop gericht is geweest om de gelden die derden in VSM hadden ingelegd tegen de afspraken in voor andere doeleinden aan te wenden, te weten het aanwenden van gelden als buitensporige kostenvergoedingen voor verdachte en medeverdachten, die zich deze gelden dus wederrechtelijk hebben toegeëigend.

Door aldus te handelen heeft VSM zich eveneens schuldig gemaakt medeplegen van verduistering van enig geldbedrag. In dit geval een totaalbedrag van € 490.523,--.

(Medeplegen van) feitelijk leidinggeven

Ten aanzien van de vraag of verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de hiervoor bedoelde strafbare gedragingen van VSM overweegt de rechtbank het volgende.

Naar vaste jurisprudentie3 is van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging sprake indien:

1. de verdachte maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en

2. hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.

Hieruit volgt dat niet alleen statutaire bestuurders van een rechtspersoon feitelijk leiding kunnen geven aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit, maar ook organisatorisch ondergeschikte personen en dat dat leiding geven ook kan bestaan uit een nalaten.

Voornoemd nalaten is alleen strafbaar indien de verdachte bevoegd was maatregelen te nemen en hij ook redelijkerwijs daartoe gehouden was. Deze bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht en het tevens tot de taak van de verdachte behoorde in te grijpen.

Verdachte is in 2004 de bedenker en oprichter geweest van Apex en de daaraan gelieerde vennootschappen VSF, VSM, VSMB en BVSM. Hij was bestuurder van [verdachte 1] Holding BV en via deze holding ook bestuurder van Apex en de onderliggende vennootschappen, waaronder VSM.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich in 2006 heeft laten uitschrijven als bestuurder van Apex en VSM en dat hij vanaf het moment van uitschrijving geen bemoeienis meer heeft gehad met de besluitvorming binnen beide ondernemingen. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit e-mails en verslagen van (aandeelhouders)vergaderingen blijkt dat verdachte na zijn uitschrijving als bestuurder regelmatig door zijn medeverdachten op de hoogte werd gehouden van de financiering van de vastgoedprojecten, de overige activiteiten van de betrokken bedrijven en de financiën van Apex en VSM. Daarnaast blijkt uit verklaringen van getuigen en medeverdachten dat verdachte ook na zijn uitschrijving als bestuurder bij de directievergaderingen van Apex aanwezig was en dat hij in die vergaderingen een beslissende stem had. Voorts is verdachte, blijkens de door hem ingediende facturen gewoon doorgegaan met het in rekening brengen van managementfee bij Apex. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte na zijn uitschrijving als bestuurder van Apex en VSM weliswaar niet meer formeel bestuurder was van deze vennootschappen, maar dat hij feitelijk wel leidinggevende van beide vennootschappen is gebleven. Hij heeft steeds feitelijke zeggenschap gehouden over de gedragingen van Apex en VSM, zowel over het in 2009 onverdroten voortzetten van de oude koers om geld onder de noemer van kostendeclaraties van VSM naar Apex te laten stromen, als over het in 2009 en 2010 rechtstreeks van VSM maar OMG overmaken van gelden in verband met kosten, zoals hiervoor vastgesteld.

Verdachte heeft hierbij naar het oordeel van de rechtbank nauw en bewust samengewerkt met medeverdachte [verdachte 2], die zich na het vertrek van [verdachte 4] in december 2008 met de financiële gang van zaken binnen VSM is gaan bezighouden. [verdachte 2] is ook degene geweest die namens VSM in 2009 de contacten heeft onderhouden met DNB en in 2010 aanspreekpunt was voor de (stille) curator Houtman.

De rechtbank is op grond van voorgaande overwegingen van oordeel dat verdachte samen met [verdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven aan het door VSM medeplegen van verduisteren van gelden van inleggers.

Feit 2: witwassen

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen overweegt de rechtbank het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo’n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het ‘voorhanden hebben’ daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd4.

De weergegeven rechtsregels betreffende witwassen zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven onderscheidenlijk voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf bewezen is verklaard en hebben in beginsel geen betrekking op het “overdragen” en het “gebruik maken” van zulke voorwerpen, en evenmin op het begrip “omzetten”.

Niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk “overdragen”, “gebruik maken” of “omzetten” van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de bedoelde rechtsregels worden omzeild enkel door het ten laste leggen onderscheidenlijk bewezen verklaren van een andere delictsgedraging dan “verwerven” of “voorhanden hebben”. In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als “witwassen”, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft5.

In het licht van vorenstaande vaste jurisprudentie beziet de rechtbank het medeplegen van verduistering en de daarop volgende geldstromen zoals uit het hierboven (onder feit 1 meer subsidiair) overwogene als volgt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van gelden van VSM door deze ter uitvoering van een dienstverleningsovereenkomst tussen VSM en OMG naar OMG weg te sluizen, waarna door OMG uitbetalingen aan verdachte, zijn toenmalige vriendin en [verdachte 3] hebben plaatsgevonden. Om een en ander te maskeren is boven OMG de Zwitserse moedermaatschappij Swiss Capital geplaatst. De kwalijke intentie om bewust te voorkomen dat gezien wordt dat (deels) dezelfde mensen achter VSM en OMG zitten blijkt uit het hiervoor weergegeven e-mailbericht van verdachte van 2 mei 2009.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en zijn mededaders door te handelen zoals zij deden tezamen en in vereniging de geldbedragen niet alleen hebben verworven en voorhanden hebben gehad maar ook hebben overgedragen en daarbij de werkelijke herkomst verborgen hebben gehouden en hebben verhuld.

Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Feiten 3 en 4: valsheid in geschrift

De rechtbank stelt vast dat het dossier, op een tweetal hierna te noemen uitzonderingen na, geen wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de in de tenlastelegging genoemde stukken de valsheden bevatten die in de dagvaarding zijn opgenomen.

Daar waar er sprake is van overeenkomsten van geldlening spitst de tenlastelegging zich toe op het punt dat de valsheid bestond uit een daarop gestelde aantekening “Afgelost” met daarachter een datum. Wie dit erop heeft gesteld en met welke intentie dit is geschied is niet gebleken. Nu niet uitgesloten kan worden dat met deze aantekening is bedoeld aan te geven dat er nieuwe leningsovereenkomsten voor in de plaats zijn gekomen kan deze aantekening niet zonder meer als vals worden aangemerkt.

Daar waar er sprake is van facturen waarin kosten worden opgevoerd wordt in de tenlastelegging telkens gesteld dat de valsheid hierin bestond dat een bepaalde dienst/goed zou zijn geleverd terwijl dit niet of niet geheel het geval zou zijn (feit 3 onder D, zelfs bij eerste gedachtestreepje waar sprake lijkt te zijn van inlosnota’s en dus helemaal geen sprake is van leveranties van goederen of diensten). Dat diensten en/of goederen niet of niet geheel zijn geleverd is niet, dan wel onvoldoende gebleken. Concrete aanknopingspunten daarvoor zijn in het dossier niet te vinden en een enkele algemene verklaring dat gesproken zou zijn over “fake facturen” is in dit verband niet doorslaggevend. Ook de omstandigheid dat omtrent een aantal facturen van een bepaalde soort is opgemerkt dat deze direct van de computer moesten worden verwijderd maakt nog niet dat zonder meer vaststaat dat de daarop gestelde diensten en/of goederen niet of niet geheel zijn geleverd.

Daar waar de tenlastelegging ziet op het niet verantwoorden van kosten in de administratie van VSM is niet komen vast te staan dat daaruit zonder meer een valsheid in de bedrijfsadministratie is ontstaan.

Daar waar voorts de tenlastelegging ziet op valse (grootboek)boekingen in verband met van “renteleningen” en “rentebaten” spitst de tenlastelegging zich erop toe dat er werd voorgewend dat rente was betaald, terwijl die rente niet was betaald, dan wel fictief was verrekend. Voor zover uit het dossier is op te maken hoe een en ander boekhoudkundig werd verwerkt moet worden vastgesteld dat de verschuldigde renten in rekening courant werden geboekt en dat de kosten van VSM bij Apex werden geboekt. Dat hiermee iets anders werd voorgewend dan werkelijkheid gebeurde is niet gebleken.

Ten aanzien van hetgeen onder feit 3 primair onder C tenlastegelegde heeft de verdediging betoogd dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft volgens de verdediging alle startkosten van het VSM-concern, zijnde een bedrag van € 140.000,--, zelf gedragen. Daardoor is het evident dat het geldbedrag niet is terug te vinden in de boeken of op de bankafschriften van Apex. Nadat de medevennoten waren toegetreden in Apex zou zijn beslist dat verdachte tweemaal zijn inleg zou terugkrijgen vanwege het feit dat de inleg risicodragend was geweest. Om te zorgen dat Apex niet direct werd geconfronteerd met uitbetaling van een dergelijk geldbedrag is tevens beslist om tegen een rentevergoeding de terugbetaling uit te spreiden.

Bij de beoordeling van de vraag of het tenlastegelegde bewezen kan worden, stelt de rechtbank het volgende voorop.

Voor een bewezenverklaring van het valselijk opmaken van een geschrift als bedoeld in art. 225 lid 1 Sr is impliciet vereist dat sprake is van opzet op die gedraging.

De ondergrens van die opzet ligt bij het voorwaardelijk opzet, waarvan volgens constante jurisprudentie sprake is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het gaat daarbij niet om de aard van het gevolg maar om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Vereist is dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden én dat hij die kans op het gevolg ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Wie weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg maar naar het oordeel van de rechter er van is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, heeft gehandeld met (grove) onachtzaamheid maar niet met voorwaardelijk opzet op het gevolg. Evenwel kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg heeft aanvaard.

Verdachte heeft bij brief van 28 november 2005 aan Apex (onder meer) geschreven dat is afgesproken dat [verdachte 1] privé – zijnde verdachte – zijn investering terug zal krijgen tegen een prijs welke onafhankelijk is ten opzichte van de waarde van het bedrijf; dat de prijs is bepaald op tweemaal de inleg die verdachte in privé heeft gedaan; en dat verdachte als privé persoon € 140.000,-- als lening heeft gegeven aan Apex Vastgoed BV.

Ook schrijft verdachte dat hij recht heeft op een terugbetaling van € 280.000,--, dat deze lening reeds deels is afbetaald, in gelijke delen terug zal worden betaald in tien termijnen en dat Apex gedurende de looptijd een rente zal vergoeden van 6%.

De brief is twee keer ondertekend door verdachte; enerzijds en keer door hem als privé persoon en anderzijds door hem namens Apex Vastgoed BV.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat voor het ingelegde bedrag kosten zijn gemaakt. Verdachte heeft daarbij niet inzichtelijk gemaakt welke kosten hij toentertijd heeft moeten maken. Onduidelijk blijft ook wanneer het bedrag door verdachte is voldaan en waarom hij recht zou hebben op een terugbetaling van een bedrag van € 280.000,--, zijnde een verdubbeling van het ingelegde bedrag.

Dat deze kosten betrekking zouden hebben op het oprichten van de vennootschap acht de rechtbank niet aannemelijk, nu VSM reeds in 2004 was opgericht en de onderhavige overeenkomst dateert van 28 november 2005. De rechtbank merkt in dit verband overigens nog op dat, voor zover verdachte destijds al kosten zou hebben gemaakt, die door verdachte gemaakte kosten niet juist zijn geadministreerd. Verdachte doet in dit geval ten onrechte voorkomen dat het om een lening gaat. Daarnaast is het alleen verdachte die stelt dat hij dit bedrag heeft ingelegd. Noch uit het dossier noch uit verklaringen van medeverdachten of getuigen blijkt dat verdachte daadwerkelijk voor een bedrag van

€ 140.000,-- heeft ingelegd.

Ten aanzien van hetgeen onder feit 3 primair onder D, derde gedachtestreepje ten laste gelegde heeft de verdediging betoogd dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, omdat de kosten die zijn gedeclareerd te maken hebben met de afvloeiingsregeling van de betrokken werknemer [werknemer] en niet zien op loonkosten van deze werknemer.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat [werknemer] een arbeidsovereenkomst had met Europa Finance GmbH. Deze arbeidsovereenkomst is per

30 maart 2009 ontbonden. [werknemer] had derhalve geen arbeidsovereenkomst met [verdachte 1] Holding BV, terwijl deze vennootschap op 1 april 2009 wel “kosten inzake [werknemer]” heeft gedeclareerd bij Apex BV. Deze kosten, los van de vraag of het loon- of afvloeiingskosten betreffen, hadden niet via [verdachte 1] Holding BV mogen worden gedeclareerd, nu [werknemer] niet daar, maar bij Europa Finance GmbH in dienst was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door met die wetenschap en in weerwil van hetgeen zich klaarblijkelijk naar de uiterlijke verschijningsvorm voordoet, een overeenkomst van geldlening en een factuur in de bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed BV op te voeren, wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat de administratie daardoor valselijk werd opgemaakt. Voorts heeft verdachte door het opnemen van die overeenkomst en die factuur in de officiële, ter controle voor te leggen, bedrijfsadministratie ook het oogmerk gehad de administratie als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verdachte ten aanzien van de onderdelen 3 primair onder C en 3 primair onder D derde gedachtestreepje, zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Verdachte wordt voor het overige, van de onder feit 3 primair en subsidiair en feit 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten, vrijgesproken.

Parketnummer 08/993019-13 Feit 1 primair en subsidiair: (feitelijk leiding geven aan) valsheid in geschrift

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder sub 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

De tenlastelegging is zodanig opgesteld dat verdachte zich als feitelijk leidinggevende danwel in persoon schuldig zou hebben gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift inzake het opstellen van een tiental valse facturen bij Op Maat Groep BV omdat in die facturen is vermeld dat er een bepaalde dienst of goed zou zijn geleverd aan VSM, terwijl dit in werkelijkheid niet zou zijn geschied. Dat diensten en/of goederen niet of niet geheel zijn geleverd is niet, dan wel onvoldoende gebleken. Concrete aanknopingspunten daarvoor zijn in het dossier niet te vinden en een enkele algemene verklaring dat gesproken zou zijn over “fake facturen” is in dit verband niet doorslaggevend.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat niet bewezen is dat verdachte zich ten aanzien van dit zowel primair als subsidiair ten laste gelegde feit schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Ten aanzien van parketnummer 08/993019-13 Feit 2: een vals geschrift afleveren/voorhanden hebben

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan. Bewijs dat een verdachte heeft begaan wat hem verweten wordt kan niet worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. In het dossier bevindt zich slechts één bewijsmiddel waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde kan volgen, te weten een brief van [getuige 1]. Verdachte heeft het hem tenlastegelegde ter terechtzitting ontkend en uit de brief gedateerd 4 december 2012 en afkomstig van [getuige 1] aan het Functioneel Parket volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat verdachte enige bemoeienis heeft gehad bij het opstellen c.q. afleveren van de brief die op 5 oktober 2012 is afgeleverd bij het Functioneel Parket te Zwolle.

Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte ten aanzien van parketnummer 08/996023-12 sub 1 primair, sub 1 subsidiair, sub 4 primair, sub 4 subsidiair en ten aanzien van parketnummer 08/993019-13 sub 1 primair, sub 1 subsidiair en sub 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte hetgeen onder sub 1 meer subsidiair, sub 2 primair en sub 3 primair inzake parketnummer 08/996023-12 is tenlastegelegd heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Vastgoed Solide Maatschappij B.V. in de periode van 1 januari 2009 tot en met

21 november 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en rechtspersonen, opzettelijk geldbedragen toebehorende aan anderen dan aan Vastgoed Solide Maatschappij B.V., welke goederen Vastgoed Solide Maatschappij B.V., anders dan door misdrijf, te weten als inleggeld voor beleggingen/investeringen van VSM producten onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

2.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 oktober 2012 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een natuurlijke personen en rechtspersonen, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen

en telkens de werkelijke aard en herkomst heeft verborgen en verhuld, terwijl hij verdachte en zijn mededaders telkens wisten dat bovenomschreven voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 21 november 2010 in Nederland, meermalen, telkens een (digitale) bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed B.V.,

zijnde een samenstel van geschriften dat in onderlinge samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken telkens hierin bestaan, dat in die bedrijfsadministratie van Apex Vastgoed B.V.:

C een valse leningsovereenkomst gesloten tussen Apex Vastgoed B.V. en [verdachte 1] (d.d. 28 november 2005) was opgenomen en geboekt en verwerkt, bestaande die valsheid hierin – zakelijk weergegeven – dat valselijk in strijd met de waarheid op die

overeenkomst was vermeld dat er een leningsovereenkomst was afgesloten en dat [verdachte 1] een geldbedrag had geleend aan Apex Vastgoed B.V., terwijl dit in werkelijkheid niet had plaatsgevonden, en

D een valse factuur was verwerkt en geboekt en opgenomen: een factuur afkomstig van [verdachte 1] Holding B.V. en gericht aan Apex Vastgoed B.V. d.d. 1 april 2009, bestaande die valsheid hierin - zakelijk weergegeven - dat valselijk in strijd met de waarheid op die factuur was vermeld dat een bepaalde dienst was geleverd, terwijl in werkelijkheid de aan de genoemde factuur ten grondslag liggende dienstverlening niet heeft plaatsgevonden.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder sub 1 meer subsidiair, sub 2 primair en sub 3 primair inzake parketnummer 08/996023-12 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 225, 321 en 420bis Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van verduistering, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen –en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte als feitelijk leidinggevende heeft gefunctioneerd van een professioneel opererende rechtspersoon Apex die zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van verduistering en daarnaast heeft verdachte zich in persoon schuldig gemaakt aan witwassen en valsheid in geschrift.

Verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van niets vermoedende particulieren. Er is een nauwe en bewuste samenwerking geweest tussen verschillende mededaders en rechtspersonen en die samenwerking is erop gericht geweest om de gelden die derden in VSM hadden ingelegd tegen de afspraken in voor andere doeleinden aan te wenden, te weten het aanwenden van gelden als buitensporige kostenvergoedingen voor verdachte en medeverdachten. Op deze wijze werd van december 2008 tot en met augustus 2010 een bedrag van plusminus 1,7 miljoen euro aan het vermogen van VSM onttrokken. Bovenstaande praktijken vormen een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich alleen maar laten leiden door hun eigen verlangen naar gewin en zich niets gelegen laten liggen aan de grote financiële en emotionele gevolgen voor de slachtoffers, die hun beleggingen in rook hebben zien opgaan zonder dat verdachte en zijn medeverdachten - naar het zich laat aanzien - nog enige reële verhaalsmogelijkheid bieden.

Voorts heeft de handelwijze van verdachte geleid dat er een smet is geworpen op de legale vastgoed/beleggingswereld. De integriteit van de financiële wereld is hierdoor aangetast.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die in geval van een benadelingsbedrag dat ligt tussen

€ 1.000.000,-- en hoger een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vermelden van 24 maanden en hoger;

- de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het stelselmatige karakter van de bewezenverklaarde feiten;

- het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld;

- dat verdachte van een groot aantal feiten wordt vrijgesproken.

Op grond van voorgaande overwegingen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren op zijn plaats.

De rechtbank voegt aan deze overwegingen nog toe dat zij niet toekomt aan beoordeling van de vordering van de officier van justitie om voor recht te verklaren dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partijen. De rechtbank dient immers de vragen van de art. 348, 349 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden. Daarbij is geen plaats voor een dergelijke door de officier van justitie gevorderde verklaring.

9 De schade van benadeelden

De benadeelde partijen Stichting Belangen Obligatiehouders VSM, gezeteld te Nijmegen, alsmede Vastgoed Solide Maatschappij BV, Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen BV, Vastgoed Solide Fondsen BV en Bewaarder Vastgoed Solide Maatschappij BV, allen gevestigd te Amsterdam, hebben ter terechtzitting van 3 september 2014 gevorderd verdachte hoofdelijk te veroordelen in de door hen gemaakte kosten van rechtsbijstand van in totaal € 29.040,--.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand het volgende voorop.

De benadeelde partij Stichting Belangen Obligatiehouders VSM heeft ter zitting van

28 oktober 2013 een vordering tot vergoeding van de door haar obligatiehouders geleden schade ingediend. Het onderzoek ter terechtzitting van 28 oktober 2013 is onderbroken en vervolgens hervat op 1 november 2013, alwaar de rechtbank de benadeelde partij kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering.

De benadeelde partijen Vastgoed Solide Maatschappij BV, Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen BV, Vastgoed Solide Fondsen BV en Bewaarder Vastgoed Solide Maatschappij BV hebben ter zitting van 3 september 2014 een vordering tot schadevergoeding ingediend.

De rechtbank heeft op deze zitting ook deze benadeelde partijen in hun vordering kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Niettegenstaande deze beslissing dient de rechtbank bij vonnis te beslissen op de vordering die strekt tot veroordeling van verdachte in de kosten van rechtsbijstand6.

Ten aanzien van deze vordering is rechtbank van oordeel dat nu geen vordering tot schadevergoeding is toegewezen, er evenmin plaats is voor het toewijzen van een vordering strekkende tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, temeer nu deze kosten nauw samenhangen met de vordering tot schadevergoeding. De rechtbank zal de benadeelde partijen ook in deze vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De vordering tenuitvoerlegging

Bij de stukken bevindt zich de op 31 januari 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie van het Functioneel Parket in de zaak met parketnummer 21/003109-08, betreffende het onherroepelijk geworden arrest d.d.

30 december 2010 van het Gerechtshof te Arnhem, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De bewezen geachte strafbare feiten zijn voor het einde van de proeftijd begaan zodat de tenuitvoerlegging in beginsel kan worden gelast.

In de omstandigheid dat verdachte is door gegaan met het plegen van soortgelijke feiten ziet

de rechtbank aanleiding de tenuitvoerlegging van het eerder genoemde voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 14g, 14h, 14i, 47, 51 en 57 Sr.

12 De beslissing

De rechtbank:

nietigheden

- verklaart dat de tenlastelegging onder feit 1 primair en subsidiair partieel nietig is voor

wat betreft de term “ondermeer”;

- verklaart dat de tenlastelegging onder feit 3 primair en subsidiair partieel nietig is voor

wat betreft onderdeel B;

ontvankelijkheid

- verklaart de officier van justitie voor de periode van 1 januari 2005 tot en met

19 augustus 2006 voor hetgeen onder feit 1 meer subsidiair is tenlastegelegd niet ontvankelijk omdat het recht tot strafvervolging is verjaard;

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het ten aanzien van parketnummer 08/996023-12 sub 1 primair, sub 1 subsidiair, sub 4 primair, sub 4 subsidiair en ten aanzien van parketnummer 08/993019-13 sub 1 primair, sub 1 subsidiair en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder sub 1 meer subsidiair, sub 2 primair en sub 3 primair inzake parketnummer 08/996023-12 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder sub 1 meer subsidiair, sub 2 primair en sub 3 primair inzake parketnummer 08/996023-12 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    feit 1

het misdrijf: medeplegen van verduistering, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1 meer subsidiair, sub 2 primair en sub 3 primair inzake parketnummer 08/996023-12 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Stichting Belangen Obligatiehouders VSM, gezeteld te Nijmegen, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Vastgoed Solide Maatschappij BV, gevestigd te 1077 XX Amsterdam, Strawinskylaan 485, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Vastgoed Solide Maatschappij Beleggingen BV, gevestigd te 1077 XX Amsterdam, Strawinskylaan 485, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Vastgoed Solide Fondsen BV, gevestigd te 1077 XX Amsterdam, Strawinskylaan 485, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Bewaarder Vastgoed Solide Maatschappij BV, gevestigd te 1077 XX Amsterdam, Strawinskylaan 485, niet-ontvankelijk is in haar vordering tot veroordeling van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 21/003109-08

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 30 december 2010, te weten van 3 maanden gevangenisstraf;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.

1 Hoge Raad 11 december 2012, LJN BX3620.

2 Conclusie AG Hofstee bij HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR 2014;859 a contrario afgeleid uit HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620.

3 HR 16 december 1986, NJ 1987, 321 en NJ 1987, 322; HR 21 januari 1992, NJ 1992, 414 en tevens HR 18 januari 1994, DD 91 206.

4 Hoge Raad d.d. 26 oktober 2010, LJN BM4440.

5 Hoge Raad 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716.

6 Op grond van art. 361 lid 1, laatste volzin Wetboek van Strafvordering.