Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5497

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
C/08/153420 / FA RK 14-631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderrechter verklaart grootmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vaststelling omgangsregeling, nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking althans family-life. Grootmoeder wordt vervolgens veroordeeld in kosten geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/153420 / FA RK 14-631 (SL(O)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 26 augustus 2014

inzake

[verzoekster],

verder ook de grootmoeder te noemen,

wonende te [woonplaats 1], [adres 1]

verzoekster,

advocaat: mr. J.C.F. Kooijmans, kantoorhoudende te Zwolle,

en

[belanghebbende],

verder ook de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats 2], [adres 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. M.E. Kikkert. kantoorhoudende Enschede.

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de navolgende stukken:

 het op 18 maart 2014 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de grootmoeder;

 het op 1 april 2014 ter griffie ontvangen verweerschrift met bijlagen van de moeder;

 de aanvullende van de moeder, ontvangen op 16 april 2014;

Op 16 april 2014 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een gesprek gehad met de minderjarige [A]. Hiervan is een verslag gemaakt.

Op 23 juni 2014 heeft een mondelinge behandeling ter zitting plaatsgehad. Hiervan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Er zijn verschenen en gehoord: de grootmoeder, bijgestaan door mr. Kooijmans, de moeder, bijgestaan door mr. Kikkert, en mevrouw [M] als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Almelo.

Na de zitting is op 25 juli 2014 een brief van de advocaat van de moeder ontvangen en

op 8 augustus 2014 een brief van de advocaat van de grootmoeder.

De beschikking is bepaald op heden.

De feiten

De moeder is gehuwd geweest met de zoon van de grootmoeder, [J], verder te noemen: de vader. Uit dit huwelijk zijn geboren:

  • -

    [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1], en

  • -

    [E], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2].

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad op [datum] is de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken.

De moeder en de vader zijn belast met het gezag over de kinderen. De kinderen verblijven bij de moeder.

Het verzoek en het verweer

De grootmoeder heeft verzocht een omgangsregeling tussen haar en de minderjarige kinderen (de kleinkinderen), vast te stellen. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de grootmoeder dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen haar en de kleinkinderen. De grootmoeder is altijd zeer betrokken geweest bij de kinderen. Vanaf hun geboorte heeft zij gemiddeld drie dagen per week op de kinderen gepast. Toen de vader en de moeder tijdens hun huwelijk verhuisden naar een andere woonplaats is grootmoeder meeverhuisd. Zij heeft een hechte band met de kinderen opgebouwd en een goede en sterke band met hen ontwikkeld. Tot een aantal maanden voor de zomervakantie 2011 was er contact tussen de vader en de kinderen en kreeg ook grootmoeder de kinderen nog regelmatig te zien. In de zomervakantie 2012 hebben de kinderen nog bij haar gelogeerd. Een logeerpartij in de zomer van 2013 werd door de kinderen afgezegd omdat zij geen contact met hun vader wilden. Daarna trachtte de grootmoeder nog wel in contact te komen met de moeder en de kinderen, maar dit is niet gelukt. Wel heeft zij brieven van de kinderen ontvangen, waarin deze aangeven boos op hun vader te zijn. De grootmoeder heeft de indruk dat zij het om die reden ook moet ontgelden.

De moeder heeft in haar verweerschrift gesteld dat geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De moeder geeft aan dat de kinderen best wel contact met grootmoeder zouden willen hebben, maar dan op initiatief van henzelf. Grootmoeder luistert niet naar de wens van de kinderen. Zij hebben grootmoeder laten weten dat, indien zij de onderhavige procedure zou doorzetten, zij zeker niet naar haar toe zullen gaan. Grootmoeder handelt niet in het belang van de kinderen. Grootmoeder blijft de kinderen belasten met de problematiek tussen hun beide ouders. Grootmoeder en vader zijn twee handen op één buik en omgang tussen de kinderen en hun vader is op dit moment niet in het belang van de kinderen. De kinderen vrezen dat zij bij grootmoeder thuis met vader worden geconfronteerd.

Moeder verzoekt het verzoek af te wijzen en grootmoeder in de proceskosten te veroordelen.

De mondelinge behandeling ter zitting, en nadien

Grootmoeder heeft te kennen gegeven dat zij vanwege haar gezondheid, zij is slecht ter been, liever heeft dat de kinderen bij haar thuis komen. Bovendien beschikt zij niet over een vervoermiddel. Moeder heeft te kennen gegeven dat grootmoeder van harte welkom is bij haar thuis. De kinderen missen hun oma immers ook, maar voor de kinderen is het een stap te ver om naar oma te gaan. Zij hebben er geen vertrouwen in dat vader daar niet zal zijn.

Ter zitting is afgesproken dat grootmoeder op zondag 13 juli 2014 om 13.00 uur de kinderen zal bezoeken in het huis van moeder. Moeder gaat dan weg, zodat grootmoeder en de beide kinderen met elkaar kunnen praten.

Uit de na de zitting ontvangen brieven van de beide advocaten is gebleken dat er contact is geweest tussen grootmoeder en de beide kinderen maar dat er geen vervolgafspraken zijn gemaakt.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna BW, heeft het kind recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

Voor de ontvankelijkheid van het verzoek van de grootmoeder tot vaststelling van een omgangsregeling is vereist dat tussen haar en de kleinkinderen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, welk begrip op één lijn te stellen is met ‘family life’ in de zin van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het bestaan van een familierechtelijke betrekking op zich is niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking althans van family life. Tevens zal moeten blijken van bijkomende omstandigheden waaruit die nauwe persoonlijke betrekking volgt.

De kinderrechter is van oordeel dat de grootmoeder onvoldoende concrete feiten heeft gesteld waaruit die bijkomende omstandigheden zouden moeten blijken.

De grootmoeder stelt dat zij -in het verleden- op de kinderen heeft gepast, hen toen heeft verzorgd, en dat de kinderen in de zomervakantie 2012 nog bij haar hebben gelogeerd. Deze stellingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dragen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 1:377a BW. Van family life is dan ook geen sprake.

De kinderrechter zal de grootmoeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

De kinderrechter merkt ten overvloede en los van de ontvankelijkheidsvraag op dat het de kinderen en grootmoeder te gunnen zou zijn dat zij ongeveer eens in de drie maanden een door moeder met grootmoeder af te spreken contact zouden kunnen hebben op een voor de kinderen prettig gevonden locatie. Echter, een rechtens afdwingbare omgangsregeling zal niet haalbaar zijn, nu [A] dit ook aan de kinderrechter heeft kenbaar gemaakt.

In zaken die een familierechterlijk karakter dragen kunnen, indien daartoe aanleiding is, de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, ongeacht gelijk of ongelijk. In zaken waarbij de ouders de partijen zijn, gebeurt dat vrijwel altijd. De kinderrechter acht in het onderhavige geval, waarin grootmoeder haar voormalige schoondochter in rechte betrekt echter termen aanwezig om de grootmoeder te veroordelen in de kosten van deze procedure. Zulks temeer nu ter zitting is besproken dat de kinderen kort voor de onderhavige procedure vertrouwelijke brieven aan grootmoeder hebben gestuurd, waarin zij vragen aan grootmoeder hebben gesteld, maar dat grootmoeder niet op die brieven heeft gereageerd. In plaats daarvan is grootmoeder de onderhavige procedure gestart. De kosten aan de zijde van de moeder worden begroot op een bedrag van € 77,= aan griffierecht, een bedrag van € 340,= voor haar eigen bijdrage en voor het verschijnen ter zitting aan salaris van de advocaat € 452,=, in totaal derhalve € 869,=

De beslissing

De kinderrechter:

1. Verklaart de grootmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek.

2. Veroordeelt grootmoeder in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van moeder begroot op een bedrag van € 869,=, waarvan € 417,= te voldoen aan de moeder en € 452,= te voldoen aan de griffier de rechtbank Overijssel team familie en jeugdrecht, locatie Almelo, onder vermelding van "proceskosten-veroordeling" en het zaaknummer C/08/153420 / FA RK 14-631.

3. Verklaart onderdeel 2. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van H.E. Abbink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2014.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.