Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5496

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
C/08/157303 / FA RK 14-1325
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art 1:253n BW. Kinderrechter belast de moeder alleen met het gezag, nu vader of niet bereikbaar is of niet reageert op verzoeken van moeder, stiefvader en de minderjarigen. Vader neemt zijn verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het gezag niet. De vraag is of dat op termijn zal veranderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Team jeugdrecht

zaaknummer: C/08/157303 / FA RK 14-1325 (SL(O)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 20 augustus 2014

inzake

[verzoekster],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats 2], [adres 2],

verzoekster,

advocaat: mr.drs. P.L. Hellinga te Zwolle,

en

[belanghebbende],

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats 1], [adres 1],

belanghebbende,

advocaat: mr. C.I. Zaad te ’s-Gravenhage.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 4 juni 2014; en

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, binnengekomen op 1 augustus 2014.

De kinderrechter heeft voorts kennis genomen van aanvullende stukken van de vrouw, ingekomen op 6 augustus 2014.

De minderjarige [E] is op 13 augustus 2014 door de kinderrechter gehoord. Van dit verhoor is een apart proces-verbaal opgemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 augustus 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. De Raad voor de Kinderbescherming (verder ook de Raad te noemen) is vertegenwoordigd door de heer [C]. De standpunten zijn toegelicht. Na de behandeling is als informant gehoord de heer [M], zijnde de echtgenoot van moeder en stiefvader van de onderhavige minderjarigen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De vaststaande feiten

De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [E], geboren te '[geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

- [N], geboren te '[geboorteplaats] op [geboortedatum 2].

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Bij beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van [datum] is de echtscheiding uitgesproken.

Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 augustus 2008 zijn de minderjarigen voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden.

Nadien is bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2008 bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn. Voorts is een omgangsregeling tussen de minderjarigen en de man vastgesteld van een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school, eenmaal per twee weken op woensdag uit school tot donderdagochtend naar school, alsmede de helft van de schoolvakanties en gebruikelijke feestdagen, in onderling overleg, zonodig met de gezinsvoogd, te bepalen.

In november 2008 is moeder samen met de kinderen en haar nieuwe partner verhuisd van

[woonplaats 3] naar [woonplaats 4].

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van respectievelijk

12 november 2010 en 29 maart 2011 is de eerder vastgestelde omgangsregeling gewijzigd en stopgezet gedurende de looptijd van de toen lopende ondertoezichtstelling, dus tot

26 augustus 2011.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 augustus 2011 is de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd met ingang van

26 augustus 2011 tot 26 februari 2012, waarbij tevens is overwogen dat ook het geldende contactverbod blijft doorlopen.

In een brief van 18 januari 2012 aan Bureau Jeugdzorg Overijssel heeft de Raad voor de Kinderbescherming laten weten zich niet te verzetten tegen de beëindiging van de ondertoezichtstelling.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel van 5 juni 2013 is een verzoek van de man tot vaststelling van een verdeling van zorg- en opvoedingstaken afgewezen, welke beschikking is bekrachtigd bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014.

De vrouw heeft de [land 1] nationaliteit. De man heeft de [land 2] nationaliteit.

Het verzoek

De vrouw verzoekt thans bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat zij voortaan het gezag over de onderhavige minderjarigen alleen zal uitoefenen.

Zij voert daartoe aan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. Volgens de vrouw is er een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders en het is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, terwijl wijziging ook anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Naast het feit dat de omgangsregeling tussen vader en de kinderen nooit goed heeft gefunctioneerd, lijden de kinderen nu onder het gezamenlijk gezag, omdat vader zijn medewerking niet heeft verleend aan het verkrijgen van paspoorten en een identiteitsbewijs voor [E]. Zij meent dat de handelswijze van de man niet getuigt van inzicht in de belangen van de kinderen. Bovendien is tussen ouders geen constructief overleg over de kinderen mogelijk, en is het nemen van beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg door de ouders al langere tijd niet aan de orde, aldus de vrouw.

Het verweer

De man verzoekt de kinderrechter de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat deze haar wordt ontzegd, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

Hij voert daartoe aan dat het gezamenlijk gezag het enige is dat hij nog met zijn kinderen heeft en dat moeder door de vele procedures inzet op het ontnemen van alle invloed van de vader op de kinderen door valse beschuldigingen en door keer op keer de waarheid te verdraaien. Hij stelt dat het opstarten van deze procedure, samen met de geuite beschuldigingen, niet in lijn te plaatsen is met de verwachtingen van het hof Arnhem-Leeuwarden, aangezien in die beschikking immers werd overwogen dat moest worden ingezet op contactherstel.

Hij betwist voorts dat hij onwelwillend en/of tegenwerkend is bij gezagsbeslissingen voor zijn kinderen. Hij stelt dat hij, in de gevallen waarin zijn goedkeuring is vereist, summierlijk en vooral erg laat wordt geconsulteerd en voorgelicht en dat is de reden waarom hij niet reageert op post en verzoeken tot medewerking of instemming van moeder. Hij voelt zich niet met respect behandeld. Bovendien meent hij dat hij over het algemeen erg weinig informatie krijgt over zijn kinderen.

De beoordeling

1. De kinderrechter komt rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in artikel 8 van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II- bis).

2. Op het verzoek is krachtens artikel 15 lid 1 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) Nederlands recht van toepassing, nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

3. Op grond van artikel 1:253n in verbinding met artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigen, indien na ontbinding van het huwelijk de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige kinderen toekomt. Dit doet de rechter alleen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4. De vrouw heeft gesteld dat er in 2008 nog sprake was van enig contact tussen vader enerzijds en haar en de kinderen anderzijds, zij het dat dit contact grotendeels verliep via de gezinsvoogd. De omstandigheden zijn volgens de vrouw in die zin gewijzigd, dat de ondertoezichtstelling is opgeheven, dat er in het geheel geen sprake meer is van contact tussen vader en de kinderen en dat het contact tussen vader en moeder zich sinds medio 2012 beperkt tot e-mailberichten met informatie en (e-mail)berichten met verzoeken aan vader om medewerking. Nu de man de door de vrouw gestelde gewijzigde omstandigheden niet heeft weersproken, kan de vrouw naar het oordeel van de kinderrechter in haar verzoek worden ontvangen.

5. De ondertoezichtstelling van de minderjarigen is destijds uitgesproken omdat sprake was van een instabiele en onveilige opvoedingssituatie met diverse wisselingen van woonplek. Daarnaast waren de minderjarigen getuige van huiselijk geweld en de strijd tussen de ouders. Naast het scheppen van rust, regelmaat en duidelijkheid voor de kinderen is in het kader van de ondertoezichtstelling tevens getracht om de minderjarigen contacten te laten onderhouden met hun vader. Partijen hadden geen contact meer met elkaar en konden op geen enkele wijze met elkaar communiceren.

Die doelstelling is echter niet haalbaar gebleken omdat de voorwaarden hiervoor onvoldoende aanwezig bleken te zijn. De kinderen willen zelf geen contact met vader, er is sprake van oudervervreemding en ouders voeren een psychologische strijd met elkaar wat een negatief effect heeft op de kinderen. Hoewel vader graag omgang met de kinderen zou willen, is voorts uit eerdere rapportages gebleken dat er met vader, anders dan met moeder en stiefvader, geen constructieve samenwerking tot stand komt, ondanks meerdere pogingen daartoe. De gesprekken verlopen problematisch en er is sprake van perceptieverschillen tussen vader en Bureau Jeugdzorg, waarbij het vader niet lukt om daarbij in het belang van de kinderen te denken. Hoewel de minderjarigen thans de rust krijgen die zij nodig hebben doordat zij zich in een voorspelbare en veilige woonomgeving bevinden, heeft de ondertoezichtstelling uiteindelijk aan de onderlinge contacten en communicatie tussen partijen en tussen de man en de kinderen geen positieve wending kunnen geven.

6. Vrij recent heeft ook het hof Arnhem-Leeuwarden in haar beschikking van

18 februari 2014 partijen nog geadviseerd zich tot professionele hulpverleners te wenden, vanwege het feit dat de sleutel tot contactherstel tussen de vader en de kinderen bij de ouders ligt. Niet gebleken is dat de vrouw of de man daartoe enige actie heeft ondernomen. Naar het oordeel van de kinderrechter is het gelet op de houding van ouders ter zitting en hun verklaringen ook niet aannemelijk dat dat in de nabije toekomst nog zal gebeuren.

7. De kinderrechter stelt vast dat er tussen partijen nog immer geen sprake is van communicatie en dat vooral bij de man feitelijk de wil ontbreekt hieraan ook daadwerkelijk iets te doen. Hij wordt geïnformeerd, zij het wat weinig volgens hem, maar feit is dat hij niet of nauwelijks reageert op verzoeken om mee te werken aan het verkrijgen van een paspoort dan wel identiteitsbewijs. De vrouw heeft aangetoond dat zij vele malen op verschillende wijzen contact heeft gezocht met de man met het verzoek om medewerking, waarop vervolgens geen reactie is gekomen.

Het is dan ook alleszins begrijpelijk dat het uitermate teleurstellend voor de minderjarigen is om te moeten horen dat zij niet naar hun oma in [land 1] kunnen, omdat vader daaraan geen medewerking verleent. Het is eveneens voorstelbaar dat een en ander zijn weerslag heeft op het toch al negatieve gevoel van de kinderen jegens hun vader. Zijn handelen heeft echter tot gevolg dat de kinderen nog verder van hem afdrijven.

Weliswaar stelt de man dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, aangezien hij ten tijde van de paspoortkwestie vrijwel de gehele periode van 27 december 2013 tot 26 januari 2014 in [land 2] verbleef, maar naar het oordeel van de kinderrechter kan hem in dat geval worden verweten dat, op de momenten dat zijn medewerking dringend gewenst of anderszins noodzakelijk mocht zijn, hij voor moeder mogelijk niet te bereiken is, op welke manier dan ook. Dat is zeker niet in het belang van de kinderen te achten. Bovendien is het de vraag of de man daadwerkelijk de gehele periode in [land 2] was, aangezien de brief van

20 januari 2014 aangetekend naar vader is verstuurd, maar vervolgens persoonlijk door hem geweigerd voor ontvangst.

Hoewel deze paspoortkwestie op zich een incident zou kunnen zijn, reageert de man vervolgens ook na terugkomst niet op brieven en e-mailberichten, terwijl hij op een later ingekomen verzoek om medewerking ten aanzien van een identiteitsbewijs voor [E] evenmin reageert.

De stelling van vader dat hij ter zake niet tijdig en bovendien summierlijk wordt geconsulteerd en geïnformeerd, acht de kinderrechter gezien de vele door de vrouw overgelegde brieven en e-mailberichten niet althans niet voldoende onderbouwd. Daarnaast voert vader nog aan dat hij niet heeft gereageerd, omdat hij was geschrokken en zich beledigd heeft gevoeld door de e-mailberichten. In zijn optiek kwamen deze berichten heel dwingend en verwijtend over en werden daarnaast zelfs eisen aan hem gesteld. Ook hieraan gaat de kinderrechter voorbij. Naar het oordeel van de kinderrechter is de inhoud daarvan niet dermate schokkend dat vader daardoor niet meer in staat zou zijn om te reageren. Bovendien is het voorstelbaar dat de toon van de brieven minder genuanceerd en grimmiger wordt naarmate het langer duurt alvorens een reactie komt.

8. Op grond van het feit dat vader òf niet bereikbaar is òf, op een enkele uitzondering na, anderszins niet (voortvarend) reageert op verzoeken van moeder en/of stiefvader, dan wel van de minderjarige zelf, is de kinderrechter van oordeel dat vader zijn verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het gezag niet neemt en het is de vraag of deze houding van vader binnen afzienbare tijd zal veranderen. Als vader niet ‘bereikbaar’ is voor moeder kan zij niet samen met vader de noodzakelijke gezagsbeslissingen nemen, zoals de aanvraag voor paspoorten of identiteitsbewijzen, dan wel inschrijvingen op school van de minderjarigen tot stand brengen.

Daarbij komt dat vader na de echtscheiding (bijna) niet meer betrokken bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en ook omgang tussen hem en de minderjarigen al geruime tijd niet meer heeft plaatsgevonden. De minderjarige [E] heeft op 13 augustus 2014 in het gesprek met de rechter ook uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij geen contacten met zijn vader wil en hij spreekt zeer negatief over zijn vader.

9. De Raad stelt zich op het standpunt dat eerst een onderzoek zou moeten plaatsvinden alvorens de Raad een advies kan uitbrengen met betrekking tot de verzochte gezagswijziging. De man kan zich hierin vinden. De vrouw verzoekt de kinderrechter echter om zonder nader onderzoek een beslissing te geven, omdat de onderzoeken die in het verleden hebben plaatsgevonden een enorme impact op de kinderen hebben gehad. De rechter ziet in zo’n onderzoek geen meerwaarde. De onherstelbaar verstoorde relatie tussen de ouders blijkt evident uit de geschiedenis na de echtscheiding tot op de dag van de zitting. Vader wil niet meewerken en verschuilt zich ten onrechte achter zijn gekwetste ego.

10. Uit de stukken en uit hetgeen tijdens de behandeling ter zitting naar voren is gekomen, is genoegzaam gebleken dat in het verleden verschillende hulpverlenende instanties bij partijen betrokken zijn geweest (Bureau Jeugdzorg, Dimence, mediation), maar dat alle instanties concluderen dat de man niet wil samenwerken. Naar het oordeel van de kinderrechter zal een onderzoek door de Raad daarin weinig tot geen verandering in brengen. Dit en het feit dat een hernieuwd onderzoek te belastend voor de kinderen zal zijn, terwijl er met betrekking tot de kinderen voortdurend beslissingen moeten worden genomen waarvoor moeder steeds tevergeefs bij vader aanklopt om mee te werken, maakt dat de kinderrechter voorbij gaat aan het aanbod van de Raad om een onderzoek in te stellen.

11. De kinderrechter is van oordeel dat op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk is geworden dat de omstandigheden zijn gewijzigd, dat de ouders in de huidige situatie niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen niet in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Door op deze wijze te handelen hindert de man de vrouw, die feitelijk steeds de beslissingen ten aanzien van de kinderen neemt, in de uitoefening van het ouderlijk gezag. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Met name door het niet tijdig meewerken aan paspoorten ten behoeve van familiebezoek aan [land 1] heeft vader bij de kinderen, in elk geval bij [E], veel kapot gemaakt. [E] spreekt over “die man” en niet meer over “mijn vader”. Hij is al verloren geraakt. Nu bovendien niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, dient de vrouw overeenkomstig haar verzoek alleen te worden belast met het ouderlijk gezag.

12. Nu partijen gewezen echtelieden zijn, bestaat er aanleiding om de proceskosten te compenseren.

De beslissing

De kinderrechter:

I. Bepaalt dat de vrouw voortaan alleen met uitsluiting van de man wordt belast met het gezag over de minderjarigen:

- [E], geboren te '[geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

- [N], geboren te '[geboorteplaats] op [geboortedatum 2].

II. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

III. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.