Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5397

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-10-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
08/760034-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 30-jarige man uit Duitsland tot een gevangenisstraf van vijf jaar. De man overviel op 17 februari van dit jaar een tankstation in Glanerbrug. Twee dagen later beroofde hij twee mannen in Enschede onder bedreiging van een wapen van hun auto. Een vrouw die hem geholpen zou hebben bij de overval op het tankstation is door de rechtbank vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760034-14

Datum vonnis: 10 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1984 in de Sovjetunie,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfsplaats in Nederland,

nu verblijvende in de P.I. Leeuwarden in Leeuwarden.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 juni 2014 en 26 september 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. de Valk en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. A. de Witte, advocaat te Delden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander een gewapende overval op een tankstation heeft gepleegd;

feit 2: [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op gewelddadige wijze van hun auto heeft beroofd;

feit 3: twee gaspistolen en bijbehorende knalpatronen voorhanden heeft gehad;

feit 4: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 17 februari 2014 te Glanerbrug, gemeente Enschede, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot

de afgifte van een hoeveelheid geld en/of sigaretten, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] tankstation en/of die [slachtoffer 2]

en/of die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- ( in het bezit van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp) dat tankstation is binnen gegaan en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en/of voorgehouden en/of

(vervolgens)

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp (voortdurend

afwisselend) op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gericht en/of

(vervolgens)

- tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen en/of geschreeuwd: "op de knieen, op

de knieen", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer 2] heeft geroepen en/of geschreeuwd: "geld, geld, alles"

en/of "dit is een overval", aldus woorden van gelijke aard of strekking en/of

(vervolgens)

- dat tankstation in het bezit van die hoeveelheid geld en/of die sigaretten

heeft verlaten en/of (vervolgens)

- ( nadat die [slachtoffer 1] een achtervolging had ingezet) met dat vuurwapen,

althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op en/of in de richting van

die [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of (vervolgens);

- in een reeds (met chauffeur) gereedstaand voertuig is vertrokken en/of

gevlucht;

2.

hij op of omstreeks 19 februari 2014 te Enschede, met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot

de afgifte van een personenauto (Fiat Brava, [kenteken]), in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- dreigend (en in het bezit van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp) in de richting van de personenauto is gegaan en/of

(vervolgens)

- het portier van die personenauto heeft geopend en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gezegd: "der aus der aus ich musse

fahren", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp getoond en/of duidelijk zichtbaar voorgehouden en/of

(vervolgens)

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft

doorgeladen, in elk geval de slede van dat wapen naar achteren heeft gehaald

en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 4] uit de auto heeft getrokken en/of (vervolgens)

- het wapen op die [slachtoffer 3] heeft gericht en/of (vervolgens)

- in de personenauto is gestapt en/of (vervolgens) is weggereden;

EN/OF

hij op of omstreeks 19 februari 2014 te Enschede met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Fiat Brava,

[kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan N.

[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- dreigend (en in het bezit van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp) in de richting van de personenauto is gegaan en/of

(vervolgens)

- het portier van die personenauto heeft geopend en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gezegd: "der aus der aus ich musse

fahren", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp getoond en/of duidelijk zichtbaar voorgehouden en/of

(vervolgens)

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft

doorgeladen, in elk geval de slede van dat wapen naar achteren heeft gehaald

en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 4] uit de auto heeft getrokken en/of (vervolgens)

- het wapen op die [slachtoffer 3] heeft gericht en/of (vervolgens)

- in de personenauto is gestapt en/of (vervolgens) is weggereden;

3.

hij in of omstreeks de periode van 17 februari 2014 tot en met 19 februari

2014 te Glanerbrug en/of te Enschede, in elk geval binnen de gemeente

Enschede, een of meer wapens van categorie III, te weten een gaspistool (merk

Walther P99) en/of een gaspistool (merk Piexon), en/of munitie van categorie

III, te weten 13, althans één of meer knalpatronen (waarvan 3 van het merk

Walther en 10 van het merk Wadie), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij in of omstreeks de periode van 17 februari 2014 tot en met 19 februari

2014 te Glanerbrug en/of te Enschede, in elk geval binnen de gemeente

Enschede, (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp

waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden

gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 tot en met 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast heeft hij gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De feiten 1, 3 en 4

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat verdachte van het bestanddeel medeplegen onder feit 1 moet worden vrijgesproken.

5.2

Feit 2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gesteld dat het eerste onderdeel van dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte de inzittenden van de auto niet heeft bedreigd, maar heeft gevraagd om hun auto, zodat geen sprake is van afpersing. De verdediging is van mening dat sprake is van zogenaamde car-jacking. Het subsidiair tenlastegelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op

17 februari 2014 [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft afgeperst. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 19 februari 2014 reed [slachtoffer 4] samen met zijn vriend [slachtoffer 3] in diens Fiat Brava met het kenteken [kenteken] op de Deurningerstraat in Enschede. Aangekomen bij de kruising met de Lasondersingel/Boddekampsingel moesten zij wachten voor een rood stoplicht. Plotseling werd de deur aan de bestuurderszijde van de auto open getrokken door verdachte, die tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] zegt: “der aus, der aus, ich musse fahren”. De man ritste zijn vest open, pakte een vuurwapen en laadde dit wapen door. Hij toonde het wapen aan [slachtoffer 4], die daarop direct uit de auto stapte. Daarop richtte verdachte het wapen op [slachtoffer 3], die daarop ook de auto verliet. Verdachte stapte daarop in de auto en reed weg.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij naar de auto van de twee jongens is gelopen en tegen de bestuurder heeft gezegd dat hij de auto mee wilde nemen en dat hij op de vlucht voor de politie was. Hij heeft hen de wapens laten zien, maar hij kan zich niet herinneren dat hij een wapen in zijn handen heeft gehad. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de jongens de wapens moeten hebben gezien, omdat hij tijdens zijn vlucht zijn jas had verloren. Hij ontkent de jongen met een wapen te hebben bedreigd.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte in grote lijn overeenkomt met de gedetailleerde aangiftes van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de juistheid van de gang van zaken, zoals door de beide aangevers is beschreven, zodat de rechtbank op grond van vorenstaande concludeert dat verdachte de handelingen zoals onder 2 in de eerste plaats tenlastegelegd heeft gepleegd.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 17 februari 2014 te Glanerbrug, gemeente Enschede met het oogmerk om

zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld toebehorende aan die [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- in het bezit van een vuurwapen dat tankstation is binnen gegaan en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] een vuurwapen heeft getoond en voorgehouden en

- dat vuurwapen afwisselend op die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heeft gericht en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft geroepen of geschreeuwd: "op de knieën, op

de knieën", en vervolgens

- tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen of geschreeuwd: "geld, geld, alles"

en "dit is een overval" en vervolgens

- dat tankstation in het bezit van die hoeveelheid geld heeft verlaten en

- nadat die [slachtoffer 2] een achtervolging had ingezet met dat vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten;

2.

hij op 19 februari 2014 te Enschede, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een personenauto (Fiat Brava, [kenteken]), toebehorende aan die [slachtoffer 3], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- dreigend en in het bezit van een vuurwapen in de richting van de personenauto is gegaan en

- het portier van die personenauto heeft geopend en vervolgens

- tegen die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gezegd: "der aus der aus ich musse

fahren", en

- die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] een vuurwapen getoond en duidelijk zichtbaar voorgehouden en

- dat vuurwapen heeft doorgeladen en

- het wapen op die [slachtoffer 3] heeft gericht en vervolgens

- in de personenauto is gestapt en is weggereden;

3.

hij in de periode van 17 februari 2014 tot en met 19 februari 2014 te Glanerbrug en te Enschede wapens van categorie III, te weten een gaspistool (merk Walther P99) en een gaspistool (merk Piexon), en munitie van categorie III, te weten 13 knalpatronen (waarvan 3 van het merk Walther en 10 van het merk Wadie), voorhanden heeft gehad;

4.

hij in de periode van 17 februari 2014 tot en met 19 februari 2014 te Glanerbrug en te Enschede, een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp

waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden

gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 317 Sr en bij artikel 55 Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 en feit 2

telkens het misdrijf: afpersing;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de hoogte hiervan allereerst rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, die tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Door het landelijk overleg vakinhoud strafrecht (LOVS) zijn voor de categorie overvallen oriëntatiepunten vastgesteld, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen overvallen die gepaard zijn gegaan met “licht geweld” (uitgangspunt twee jaar gevangenisstraf) of “ander geweld” (uitgangspunt drie jaar gevangenisstraf). De rechtbank dient te beoordelen van welke mate van geweld in dit geval sprake is. In de toelichting bij de oriëntatiepunten staat vermeld dat onder licht geweld wordt verstaan “een enkele ruk of duw zonder noemenswaardig letsel”. Bij de feiten 1 en 2 is evenwel geen sprake van een enkele ruk of duw, maar van het dreigen met een vuurwapen en daarmee schieten (feit 1). De rechtbank is derhalve van oordeel dat uitgegaan moet worden van “ander geweld”. De rechtbank hanteert dan ook voor de feiten 1 en 2 telkens een gevangenisstraf van drie jaren.

Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte is met een vuurwapen, dat hij droeg in een wapengordel met verschillende wapens, de shop van het tankstation binnengelopen en heeft de medewerkster achter de balie en haar zoon met dit vuurwapen bedreigd. Verdachte heeft de zoon op zijn knieën gedwongen, waarna hij de medewerkster gedwongen heeft hem geld uit de kassa te overhandigen. Op zijn vlucht heeft hij op de zoon, die hem achterna was gekomen, geschoten. Verdachte is vervolgens twee dagen voor de politie op de vlucht geweest, waarbij hij op enig moment twee mannen, die nietsvermoedend in hun auto voor het rode stoplicht stonden, onder bedreiging van een vuurwapen hun auto afhandig heeft gemaakt.

Feiten als deze houden een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en zij ondervinden daarvan nog dagelijks de negatieve gevolgen in de vorm van gevoelens van angst en onzekerheid, zoals uit de verklaringen van de slachtoffers ook blijkt. Verdachte heeft daarnaast een tweetal vuurwapens met bijbehorende knalpatronen en een stroomstootwapen voorhanden gehad en heeft niet geschuwd ook daadwerkelijk met één van die wapens te schieten om zich de vlucht mogelijk te maken. Feiten als de onderhavige veroorzaken ernstige onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte verder rekening met het feit dat hij zich heeft laten leiden door geldelijk gewin om in zijn verslaving te voorzien en geen respect heeft voor de eigendommen van anderen en zich niets gelegen laat liggen aan de gevoelens van de slachtoffers.

Tenslotte houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met eerdere veroordelingen van verdachte tot lange gevangenisstraffen in Duitsland voor soortgelijke gewelddadige feiten als thans bewezenverklaard.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de over verdachte opgemaakte psychologische en psychiatrische rapportage, opgesteld door respectievelijk D. Breuker, forensisch psycholoog van 22 mei 2014 en door H.A. de Haan, psychiater van 4 september 2014. Verdachte heeft onvoldoende meegewerkt aan het onderzoek van de psycholoog.

De rechtbank laat dat rapport verder buiten beschouwing.

In de rapportage van de psychiater wordt beschreven dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van afhankelijkheid van heroïne en cocaïne en misbruik van alcohol kortdurend in remissie, maar wel onder toezicht in een detentiesetting. Daarnaast was er bij hem zeer waarschijnlijk sprake van een psychotische stoornis met wanen en hallucinaties onder invloed van drugs, echter nu ook volledig in remissie. Dit heeft ten tijde van het tenlastegelegde ook gespeeld. Daarnaast was er ten tijde van het tweede tenlastegelegde waarschijnlijk sprake van een psychotische stoornis met wanen en hallucinaties onder invloed van heroïne en cocaïne, mogelijk mede uitgelokt door een slechte voedingstoestand, een gebrek aan slaap en meer algemene stress door zijn psychosociale, inclusief justitiële, problemen. De afhankelijkheid van middelen bevorderen, zeker op momenten van onthouding, dat verdachte tot crimineel gedrag kan komen om daarmee geld te verwerven om zich van drugs te kunnen voorzien. De gedragskeuzes waren op dat moment belemmerd, omdat bij een onthoudingsbeeld een sterke (patho)fysiologische drang is tot het gebruik van de psychoactieve middelen. De rapporteur adviseert verdachte als (licht) verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor feit 1, en volledig toerekeningsvatbaar voor de feiten 3 en 4. Voor feit 2 komt de rapporteur niet tot een advies.

De rechtbank verenigt zich met de bevindingen en conclusies van de psychiater met dien verstande dat verdachte voor de feiten 1 en 2 als licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar wordt aangemerkt.

Alle relevante omstandigheden in deze zaak afwegende, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf van vijf jaren moet worden opgelegd.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit immateriële schade.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

De rechtbank acht een bedrag van € 1.800,= wegens immateriële schade redelijk en billijk. vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

[slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.800,= wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schade is weliswaar betwist, maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

[slachtoffer 3] , wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 3.260,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Deze schade bestaat uit:

  • -

    eigen risico ziektekosten € 360,=;

  • -

    immateriële schade € 2.900,=.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn weliswaar betwist, maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk, met dien verstande dat de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid wordt bepaald op € 1.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

[slachtoffer 4] , wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 3.260,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    eigen risico ziektekosten € 360,=;

  • -

    immateriële schade € 2.900,=.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn weliswaar betwist, maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk, met dien verstande dat de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid wordt bepaald op € 1.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 en feit 2 is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 57 en 91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 in de eerste plaats, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    feit 1 en feit 2 in de eerste plaats,

telkens het misdrijf: afpersing;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 1.800,= (achttienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 februari 2014;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.800,= ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 28 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 700,= niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.800,= (achttienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 februari 2014;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.800,= ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 28 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 1.860,= (achttienhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 februari 2014;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.860,= ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 28 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.400,= niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van € 1.860,= (achttienhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 februari 2014;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.860,= ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 28 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.400,= niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. C. Verdoold en mr. F.C. Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2014.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2014041154. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1, feit 3 en feit 4

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 juni 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 17 februari 2014, pagina’s 18 en 19;

3. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 18 februari 2014, pagina’s 20 en 21;

4. Het proces-verbaal van expertise gaspistool, pepperspraypistool, stroomstootwapen, dolk en verborgen mes van 21 februari 2014, pagina’s 75 en 76.

Feit 2

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 20 februari 2014, pagina’s 139 en 140, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik ben eigenaar van de auto, een personenauto merk Fiat type Brava, kleur zwart,

kenteken [kenteken].

Gisteravond, woensdag 19 februari 2014, omstreeks 19:00 uur is bovenstaande auto

gestolen door een persoon. De diefstal van mijn auto is gepleegd onder bedreiging

van een vuurwapen. Ik kan hierover het volgende verklaren:

Ik heb gisteren, woensdag 19 februari 2014, omstreeks 17:45 uur bij de Action aan

de Boulevard te Enschede boodschappen gedaan. Ik was samen met [slachtoffer 4]

, een vriend van mij. We reden in mijn auto, de Fiat Brava. Mijn vriend

[slachtoffer 4] reed in de auto, want ik mag op dit moment niet rijden. Via de Boulevard 1945, Oldenzaalsestraat, Molenstraat, zijn we in de richting van de Deurningerstraat gereden. We gingen naar de Dönerzaak [dönerzaak]. (…) Mijn vriend [slachtoffer 4] reed weer en ik zat op de

passagiersstoel. We reden in de richting van Deurningen, dit is in de richting van

de singels. Gekomen bij de singel stond het verkeerslicht voor ons op rood. Mijn vriend zette de auto stil achter een andere auto. (..) Plotseling werd de deur aan de bestuurderszijde open gemaakt vanaf de buitenzijde van de auto. Ik hoorde dat de man

zei: "Dr aus dr aus, ich musse fahren" of woorden van gelijke strekking. De man

sprak volgens mij gebrekkig Duits/Nederlands. Ik wist in ieder geval wat de man

bedoelde. Ik zei nog tegen de man: "was ist los"? Toen zag ik dat de man zijn vest wat open

deed en een pistool pakte. De man pakte [slachtoffer 4] bij zijn arm en zei dat hij uit de auto moest. Kennelijk ging hem dit niet snel genoeg, want opeens zag ik dat de man de ritssluiting van het vest verder opende en dat hij met zijn hand iets achter het vest greep. Hij greep

met zijn rechterhand achter zijn vest. Direct hierop zag ik dat hij vanachter zijn

broeksband, van zijn blauwe spijkerbroek, een voorwerp pakte met zijn rechterhand.

Direct hierop zag ik dat dit voorwerp een op een vuurwapen gelijkend voorwerp betrof. Toen de man met zijn rechterhand het vuurwapen had gepakt, pakte hij met zijn linkerkant de bovenkant van het vuurwapen vast en trok dit naar achteren. Ik hoorde op dat moment een klik.

De man richtte het vuurwapen op mijn borst en op mijn hoofd. [slachtoffer 4] stapte eerst uit aan de bestuurderszijde. Ik stapte daarna ook uit aan de passagierszijde. Toen [slachtoffer 4] en ik waren uitgestapt, gingen we achter de auto staan. Op dat moment zag ik dat de man in mijn auto stapte. Ik zag dat hij vervolgens weg reed in de richting van de kruising

Deurningerstraat/Singels. Ik zag dat de man met mijn auto op deze kruising rechtsaf

sloeg, de singel op. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 20 februari 2014, pagina’s 143 en 144, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Gisteravond, woensdag 19 februari 2014, omstreeks 19:00 uur, was ik de bestuurder

van een personenauto merk Fiat type Brava, kleur zwart, kenteken [kenteken]. Deze auto

is van een vriend van mij, hij heet [slachtoffer 3].

Ik ging gisterenavond, woensdag 19 februari 2014, samen met [slachtoffer 3], wat eten

bij [dönerzaak] aan de Deurningerstraat te Enschede. Na het eten bij [dönerzaak] stapten we

in de auto van [slachtoffer 3]. Ik was de bestuurder. Wij rijden weg bij [dönerzaak] en bij het eerst volgende stoplicht moeten we stoppen. voor het rode verkeerslicht. In eens werd het linkervoorportier hard open getrokken. Ik keek naar links en zag een man. Ik zag een man met een wit gezicht. De man keek boos en ook zelfverzekerd in mijn richting.

Er werd door de man in het Duits gezegd "Raus Raus, ich muss fahren". Ik bleef nog

zitten en snapte eerst nog niet wat de man wilde.

[slachtoffer 3] maakte toen een opmerking en vervolgens zag ik dat de man zijn vest open deed.

Ik zag vervolgens dat de man zijn vest open ritste. Op dat moment zag ik dat de man met zijn rechterhand een vuurwapen pakte. Hij pakte dit achter de rechterzijde van zijn broeksband. Het was een groot model pistool. De man heeft het pistool aan mij laten zien. Toen

ik het vuurwapen zag bedacht ik me geen seconde en stapte ik uit de auto.

Vervolgens is de auto vooruit gereden en is de auto links langs de auto voor hem gereden. Het verkeerslicht was inmiddels op groen gegaan. De auto met de man reed naar de kruising en ging daar rechtsaf. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 juni 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb ook twee personen van hun auto beroofd. Ik heb gezegd dat zij me ergens naartoe moesten rijden, maar ik ben toen zelf weggereden.