Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5386

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
C/08/159134 / KG ZA 14-251
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De primair gevorderde onvoorwaardelijke afgifte van het motorjacht wordt afgewezen, omdat er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht een retentierecht is ingeroepen. De subsidiaire vordering, te weten afgifte van het motorjacht nadat een bedrag van € 20.091,59 is betaald, wordt eveneens afgewezen, omdat nader onderzoek nodig is voor het vaststellen van de omvang van de vordering en een kort geding zich hier niet voor leent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/159134 / KG ZA 14-251

Vonnis in kort geding van 22 september 2014

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [woonplaats 1],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats 1],

eisers,

verder te noemen [eisers],

advocaat mr. H.S. de Lint te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1],

gevestigd te [woonplaats 2],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te [woonplaats 2],

gedaagden,

verder ook te noemen [gedaagden],

advocaat mr. M.E. Kikkert te Enschede.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de nadere productie van [eisers];

  • -

    de producties van [gedaagden];

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eisers];

  • -

    de pleitnota van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 23 september 2013 hebben [eisers] met de heer [M], handelend onder de naam [C], (hierna: [M]) een koop/aannemingsovereenkomst gesloten betreffende (de aanbouw van) een standaard motorjacht van het type [K]
[K] (hierna: het motorjacht). Ten tijde van de aankoop bevond het motorjacht zich in het bedrijfspand in gebruik bij [gedaagden] aan de [adres] te [woonplaats 2].

2.2.

Volgens een kadastraal bericht d.d. 2 oktober 2013 is het motorjacht op
25 september 2013 teboekgesteld.

2.3.

[eisers] hebben op 25 oktober 2013 aan [M] betalingen gedaan ter zake het spuitwerk aan het motorjacht, welk spuitwerk in opdracht van [M] is uitgevoerd door [gedaagden]

2.4.

Bij brief van 12 november 2013 is aan [eisers] namens [gedaagden] en [H]) meegedeeld dat er een retentierecht rust op het motorjacht.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen samengevat - [gedaagden] te veroordelen om, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of een gedeelte van de dag dat [gedaagden] in gebreke blijft aan de veroordeling tot afgifte te voldoen, na betekening van het in deze te wijzen vonnis het motorjacht met nummer [1] af te geven aan [eisers], zo nodig onder de voorwaarde van betaling van € 20.091,59, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [gedaagden], in de kosten van de procedure.

3.2.

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. 4.1.

[eisers]. hebben gelet op de gestelde inbreuk op hun eigendomsrecht door uitoefening van het retentierecht voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Van [eisers] kan niet worden verlangd dat zij een bodemprocedure afwachten. De door [gedaagden] gestelde omstandigheid dat [eisers] al 10 maanden bekend zijn met het standpunt van [gedaagden] maakt dit niet anders. Het spoedeisend belang bij een bepaalde voorziening neemt niet automatisch af door enkel tijdsverloop - het tegendeel kan zelfs het geval zijn - en moet beoordeeld worden naar het moment van de uitspraak.

4.2.

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of er tegen [eisers] een retentierecht kan worden ingeroepen.

4.3.

Om een retentierecht rechtsgeldig te kunnen uitoefenen dient er aan drie vereisten te zijn voldaan. In de eerste plaatst dient er sprake te zijn van een opeisbare vordering op de schuldenaar. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagden] schuldeisers zijn van [M].

4.4.

In de tweede plaats volgt uit artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat de bevoegdheid tot opschorting enkel bestaat indien tussen vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak ‘voldoende samenhang’ bestaat. Een zodanige samenhang kan ingevolge het tweede lid van dit artikel onder meer worden aangenomen indien de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan het samenhangsvereiste is voldaan.

4.5.

Verder is vereist dat de schuldeiser de feitelijke macht uitoefent over de zaak. Aan dit vereiste dient ook te worden voldaan als het retentierecht, zoals in het onderhavige geval, wordt ingeroepen tegen derden.

4.6.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het motorjacht een roerende zaak die tevens registergoed is. Dit betekent dat voor zover [eisers] een jonger recht hebben, van belang is dat de feitelijke macht op een voor hen kenbare wijze over het motorjacht moet worden uitgeoefend. In het arrest van 5 december 2003, NJ 2004, 340, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat - kort gezegd - derden met een ouder recht zich niet kunnen beroepen op het kenbaarheidsvereiste. Hun positie wordt beschermd door het bepaalde in artikel 3:291 lid 2 BW. Daarbij moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit het oog worden verloren dat in de praktijk bij de beoordeling of aan het vereiste van de feitelijke machtsuitoefening en de vraag of aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan veelal dezelfde omstandigheden een rol spelen. Uit het vorenoverwogene volgt niet dat - anders dan [eisers] hebben betoogd - het retentierecht kenbaar moet zijn om rechtsgeldig te worden uitgeoefend. Dit betoog faalt dan ook.

4.7.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de brief van 12 november 2013 aan [eisers] namens[D] ([gedaagden] en [H]) aan [eisers] is meegedeeld dat er een retentierecht rust op het motorjacht. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het retentierecht via een ander worden uitgeoefend. Een of meerdere schuldeisers kunnen iemand aanstellen die de zaak voor hen in zijn feitelijke macht heeft. Het is derhalve niet relevant of het houderschap middelijk of onmiddellijk wordt uitgeoefend. Degene die de zaak houdt voor een of meer schuldeisers mag niet de schuldenaar of de rechthebbende van de zaak zijn. Met inachtneming van voorgaande uitgangspunten is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval voldaan aan het vereiste van de feitelijke macht. Tussen partijen is immers niet in geschil dat het motorjacht zich ten tijde van de aankoop door [eisers] bevond in een loods waarvan het op basis van de beschikbare gegevens vanuit moet worden gegaan dat[D] eigenaar is en waar [gedaagden] zijn gevestigd. [eisers] wisten ook dat de boot zich aldaar bevond, want zij hebben het motorjacht in de loods bezichtigd. Daaraan doet niet af of er al dan niet flyers waren bevestigd aan het motorjacht. Dat [M] vrijelijk toegang had tot de loods maakt dit niet anders, nu hij het daarmee nog niet in zijn macht had om het motorjacht af te geven. In dit kader wordt door de voorzieningenrechter ook meegewogen dat het motorjacht door of namens [gedaagden] thans elders is ondergebracht. Dit duidt ook op feitelijke macht over het motorjacht.

4.8.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de primair gevorderde onvoorwaardelijke afgifte van het motorjacht zal worden afgewezen.

4.9.

Met betrekking tot het subsidiaire deel van de vordering, te weten afgifte van het motorjacht nadat een bedrag van € 20.091,59, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, is betaald, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.10.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de subsidiaire vordering eveneens te worden afgewezen. [gedaagden] betwisten de door [eisers] gestelde omvang van de vordering(en) ter hoogte van € 20.091,59 en stellen dat de vordering die zij hebben ingediend bij de bewindvoerder van [M] ruim € 75.000,-- bedraagt en dat zij nog steeds in discussie zijn met de bewindvoerder over de hoogte van de vordering. Om de omvang van de vordering(en) te kunnen vaststellen is nader onderzoek nodig, waarvoor onderhavige procedure zich niet leent. Reeds daarom dient subsidiaire vordering te worden afgewezen.

4.11.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 608,-- aan verschotten en € 816,-- aan salaris van de advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

Wijst de vorderingen van [eisers] af.

5.2.

Veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 1.424,--.

5.3.

Verklaart onderdeel 5.2. van dit dictum uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2014.1

1 type: coll: