Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5371

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
08/955362-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een auto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan een vrouw is komen te overlijden. Daarmee heeft hij aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte, rekening houdend met het feit dat hij nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en met het feit dat hij zijn rijbewijs nodig heeft om op zijn werk te komen, tot een taakstraf van 240 uur waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar plus een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/955362-14

Datum vonnis: 8 oktober 2014

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 september 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie de heer mr. A. Reah en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw

mr. P.S. Wibbelink, advocaat te Delden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) op

8 maart 2014 in Almelo als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij mevrouw [slachtoffer] om het leven is gekomen, dan wel (subsidiair) dat verdachte op genoemde datum in Almelo de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht waardoor een aanrijding tussen twee andere voertuigen is veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 08 maart 2014 in de gemeente Almelo als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volkswagen

[kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg N-36(komende uit de

richting Wierden en gaande in de richting Vriezenveen), roekeloos, in elk

geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam

heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

(terwijl) de rijbaan ter plaatse door middel van een (dubbele) doorgetrokken

witte streep in twee rijstroken was verdeeld, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, op het voor hem liggende

weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven

letten, en/of

(daarbij) naar links heeft gestuurd, en/of

(daarbij) niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting

zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 een (dubbel) doorgetrokken streep heeft overschreden, en/of

(daarbij) geheel of gedeeltelijk is terecht gekomen op het voor het

tegemoetkomende verkeer bestemd weggedeelte, zonder dat er enige te

rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte te (gaan) rijden,

op het moment dat een tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto, Citroën

[kenteken 2]) hem, verdachte, dicht was genaderd, en/of

(vervolgens) de bestuurder van het hem, verdachte, tegemoetkomend motorrijtuig

(Citroën) is uitgeweken naar rechts, om een aanrijding met het voertuig van

verdachte te voorkomen, en/of

(daarbij) de Citroën geheel of gedeeltelijk in de, gezien de rijrichting van

de Citroën, rechter berm terecht is gekomen, en/of

(vervolgens) de bestuurster van de Citroën een stuurcorrectie naar links heeft

gemaakt, althans naar links heeft gestuurd, en/of

(vervolgens) de Citroën geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor het

tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen (op het moment dat een haar

tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto Nissan [kenteken 3]) reeds kort genaderd

was, en/of

(vervolgens) de bestuurster van de Citroën is gebotst tegen, althans in

aanrijding is gekomen met het haar tegemoetkomende motorrijtuig (Nissan),

en aldus verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een (mede) aan zijn schuld

te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (mevrouw

[slachtoffer], passagier van de Nissan) werd gedood;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 08 maart 2014 in de gemeente Almelo als bestuurder van een

voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg N-36 (komende

uit de richting Wierden en gaande in de richting Vriezenveen),

(terwijl) de rijbaan ter plaatse door middel van een (dubbele) doorgetrokken

witte streep in twee rijstroken was verdeeld, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, op het voor hem liggende

weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven

letten, en/of

(daarbij) naar links heeft gestuurd, en/of

(daarbij) niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting

zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 een (dubbel) doorgetrokken streep heeft overschreden, en/of

(daarbij) geheel of gedeeltelijk is terecht gekomen op het voor het

tegemoetkomende verkeer bestemd weggedeelte, zonder dat er enige te

rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte te (gaan) rijden,

op het moment dat een tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto, Citroën

[kenteken 2]) hem, verdachte, dicht was genaderd, en/of

(vervolgens) de bestuurder van het hem, verdachte, tegemoetkomend motorrijtuig

(Citroën) is uitgeweken naar rechts, om een aanrijding met het voertuig van

verdachte te voorkomen, en/of

(daarbij) de Citroën geheel of gedeeltelijk in de, gezien de rijrichting van

de Citroën, rechter berm terecht is gekomen, en/of

(vervolgens) de bestuurster van de Citroën een stuurcorrectie naar links heeft

gemaakt, althans naar links heeft gestuurd, en/of

(vervolgens) de Citroën geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor het

tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen (op het moment dat een haar

tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto Nissan [kenteken 3]) reeds kort genaderd

was, en/of

(vervolgens) de bestuurster van de Citroën is gebotst tegen, althans in

aanrijding is gekomen met het haar tegemoetkomende motorrijtuig (Nissan),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 08 maart 2014 in de gemeente Almelo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volkswagen [kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg N-36 (komende uit de richting Wierden en gaande in de richting Vriezenveen), aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl de rijbaan ter plaatse door middel van een (dubbele) doorgetrokken

witte streep in twee rijstroken was verdeeld,

in onvoldoende mate, op het voor hem liggende weggedeelte van die weg, en het overige verkeer, heeft gelet en naar links heeft gestuurd, en

onvoldoende heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en

in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden, en

gedeeltelijk is terecht gekomen op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte te (gaan) rijden, op het moment dat een tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto, Citroën [kenteken 2]) hem, verdachte, dicht was genaderd, en

de bestuurder van het hem, verdachte, tegemoetkomende motorrijtuig (Citroën) is uitgeweken naar rechts, om een aanrijding met het voertuig van verdachte te voorkomen, en

de Citroën gedeeltelijk in de, gezien de rijrichting van de Citroën, rechterberm terecht is gekomen, en

de bestuurster van de Citroën een stuurcorrectie naar links heeft gemaakt, en

de Citroën geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor het

tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen op het moment dat een haar

tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto Nissan [kenteken 3]) reeds kort genaderd

was, en

de bestuurster van de Citroën is gebotst tegen het haar tegemoetkomende motorrijtuig (Nissan),

en aldus verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor mevrouw [slachtoffer] werd gedood.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft bekend toen aldaar gereden te hebben in zijn grijze VW Golf met kenteken [kenteken 1]. Hij verklaart niet gemerkt te hebben dat hij over de doorgetrokken streep is gereden. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1],

[getuige 2] en [getuige 3] leidt de rechtbank af, dat verdachte met zijn auto de dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden en gedeeltelijk terecht is gekomen op het weggedeelte bestemd voor tegemoetkomend verkeer. [getuige 3], die direct voor [getuige 1] reed, verklaart, evenals [getuige 1], dat hij moest uitwijken voor een grijze Golf die op zijn weghelft reed. [getuige 2], die direct achter het voertuig van verdachte reed, verklaart dat een auto voor hem naar links zwaaide en op de weghelft van de tegenliggers terechtkwam. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en geloofwaardigheid van deze getuigenverklaringen. Verdachte heeft derhalve een stuur- en/of aandachtsfout gemaakt waardoor hij gedeeltelijk op de verkeerde weghelft is terechtgekomen. [getuige 1] heeft als tegemoetkomende bestuurder als gevolg daarvan voor verdachte moeten uitwijken, waardoor zij met de rechter wielen van de auto in de (zachte) berm is gekomen waarna zij heeft geprobeerd haar auto uit de berm te sturen. Vanuit de berm is zij terechtgekomen op de weghelft van de tegenliggers waar zij frontaal in botsing kwam met de Nissan van [getuige 2]. Als gevolg van deze botsing is mevrouw [slachtoffer], passagier van [getuige 1], komen te overlijden.

Ten aanzien van de vraag of de stuurfout van verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet oplevert, overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op het bepaalde in artikel 6 WVW 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de

verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden, waardoor een ander werd gedood. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Het bestanddeel “schuld” is in dit geval nader omschreven als “roekeloos, in ieder geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam”.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of

één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van

artikel 6 WVW 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van

verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, NJ 2005, UN A05 822).

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, dient de rechtbank dus krachtens voormeld toetsingskader vast te stellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt in dat een bestuurder zijn rijgedrag dient aan te passen aan de omstandigheden ter plaatse. Verdachte heeft deze zorgplicht, gelet op de vastgestelde gedragingen, naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende in acht genomen. Hij is met zijn personenauto over een dubbele doorgetrokken streep op de linker weghelft gekomen als gevolg waarvan de hem tegemoetkomende bestuurder heeft moeten uitwijken. Tussen beide strepen zit een afstand van 40 centimeter. Met de breedte van de strepen zelf betekent dit dat verdachte de grens van zijn rijbaan met ten minste 70 centimeter heeft overschreden. Zelf verklaart hij daarvan niets te hebben gemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit reeds dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Te meer nu van verdachte in de gegeven situatie, waarin sprake is van elkaar tegemoetkomende rijbanen, enkel gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep, mede gelet op de toegestane snelheden ter plaatse van 80 c.q. 100 kilometer per uur, extra voorzichtigheid en oplettendheid verwacht mocht worden. Dit zou anders kunnen zijn indien er zich een uitzonderlijke omstandigheid heeft voorgedaan, bijvoorbeeld dat verdachte in verontschuldigbare onmacht verkeerde ten tijde van het ongeval. Dat dat het geval zou zijn is door verdachte niet gesteld. Ook overigens biedt het dossier geen aanknopingspunten om verontschuldigbare onmacht aan te nemen.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft als bestuurder van een auto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan mevrouw [slachtoffer] is komen te overlijden. Ter zitting hebben de dochter, zoon en broer van het slachtoffer een indrukwekkende slachtofferverklaring afgelegd. Zij hebben naar voren gebracht welke leegte het overlijden van hun moeder en zus veroorzaakt en hoe groot het gemis is. Door verdachtes handelen is aan de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer] onherstelbaar leed toegebracht. Een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, zal dit leed niet ongedaan kunnen maken. Strafoplegging dient bovendien te geschieden, niet alleen met inachtneming van de, in dit geval desastreuze, gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar ook en vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte.

Als uitgangspunt voor strafbare feiten als de onderhavige hanteert het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) ter oriëntatie een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar. Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte een volledige dienstbetrekking vervuld, in ploegendienst werkt en hij zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werkplek te kunnen bereiken.

De rechtbank acht, gelet op genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, in afwijking van voormeld oriëntatiepunt, een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Tevens acht de rechtbank het aangewezen dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt opgelegd.

De rechtbank zal deze ontzegging geheel voorwaardelijk opleggen, zodat dit vooralsnog geen gevolgen zal hebben voor de beroepsuitoefening van verdachte. Aan zowel het voorwaardelijk op te leggen deel van de taakstraf als aan het voorwaardelijk op te leggen deel van de ontzegging zal de rechtbank een proeftijd verbinden van drie jaren.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 Sr en op artikel 179 WVW 1994.

12 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

    overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende tweehonderdveertig uren, waarvan honderd uren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

  • -

    ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. C.C.S. Koppes en

mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2014.