Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5363

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
C/08/160125 / KG ZA 14-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot staking executie en opheffing gelegde beslag afgewezen. Haviltex.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/160125 / KG ZA 14-266

datum vonnis: 19 september 2014 (sr)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. K.J.J. Kroeze te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. A.P. Maes te Apeldoorn.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 18 producties,

  • -

    9 producties aan de zijde van [gedaagde],

  • -

    producties 19 en 20 aan de zijde van [eiser],

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 augustus 2014,

  • -

    de pleitnota van [eiser],

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2

Partijen hebben op hun verzoek na de zitting een termijn gekregen om te overleggen over een minnelijke regeling. Omdat een vergelijk tussen partijen niet mogelijk is gebleken, is verzocht om vonnis te wijzen.

1.3

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1

[eiser] is in de periode van 1961 tot 1973 aannemer geweest. Daarna was hij, tot aan zijn pensioen in 2005, werkzaam als tandarts.

2.2

[gedaagde] is een pre-gepensioneerd makelaar. Hij heeft samen met de heer [X] vele jaren het makelaarskantoor [Z] in Enschede geleid.

2.3

Partijen en [X] zijn eind 2003 overeengekomen dat [eiser] een perceel grond in Enschede, dat deel uitmaakte van het gemeentelijke uitbreidingsplan “ Het Brunink” en geschikt was voor projectontwikkeling (verder te noemen: het perceel) zou kopen en dat [gedaagde] en [X] het perceel binnen zes maanden na die aankoop van [eiser] zouden kopen. [eiser] heeft het perceel op 18 november 2003 verkocht aan [Z] met als uiterste leveringsdatum 15 juni 2004.

2.4

Op 17 juni 2004 hebben [eiser], [gedaagde] en [X] nieuwe afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een op 29 juli 2004 door hen ondertekende overeenkomst en een hypotheekakte. Zij zijn hierbij onder meer overeengekomen dat de tussen hen gesloten koopovereenkomst van 18 november 2003 per 1 augustus 2004 werd ontbonden. [eiser] zou zowel aan [gedaagde] als aan [X] in privé een vergoeding betalen van € 500.000,00. [eiser] zou het bedrag aan [X] voldoen door storting op een door [X] op te geven bank- of girorekening. De vordering van [gedaagde] op [eiser] ad € 500.000,00 werd omgezet in een geldlening. [eiser] was hierover een rente verschuldigd van 6% per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen achteraf op de eerste van iedere maand, voor het eerst op 1 september 2004. Tevens diende de geldlening of het restant daarvan op 1 januari 2008 in zijn geheel te worden afgelost of zoveel eerder als het perceel in het kader van de ontwikkeling daarvan als bouwkavels zou zijn verkocht en geleverd aan derden.

2.5

De ontwikkeling van het project vorderde niet. Partijen hebben zich tot de notaris gewend om de stand van zaken met elkaar te bespreken. Op onder meer 16 april 2008, 16 mei 2008 en 17 juli 2008 hebben besprekingen plaats gevonden, waarvan gespreksverslagen zijn opgemaakt.

2.6

[eiser] heeft via een juridische procedure geprobeerd om voornoemde overeenkomst van 17 juni 2014 en 29 juli 2004 te ontbinden dan wel te wijzigen. Bij vonnis van 14 september 2001 heeft deze rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen, hetgeen is bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in haar arrest van 25 juni 2013. [eiser] heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden cassatie ingesteld, maar de Hoge Raad heeft het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.

2.7

Op 13 februari 2012 heeft [gedaagde] de hypothecaire geldlening, die werd afgesloten op 29 juli 2004, per 1 maart 2012 opgezegd.

2.8

Op 24 april 2014 heeft [eiser] van de deurwaarder een exploot ontvangen, waarin [eiser] werd bevolen een bedrag van € 701.720,44 aan [gedaagde] te voldoen.

2.9

Op 28 april 2014 heeft [eiser] aan de deurwaarder een inhoudelijke reactie gestuurd op voornoemd exploot.

2.10

Op 4 juni 2014 heeft de deurwaarder namens [gedaagde] executoriaal derdenbeslag gelegd onder [A], de stichting [B], de Sociale Verzekeringsbank en ABN Amro Bank N.V. Op 11 juni 2014 en 9 juli 2014 is tevens executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Stichting Pensioenfonds Tandartsen en Tandartsspecialisten en mevrouw [Y], de partner van [eiser].

3. Het geschil

3.1

[eiser] vordert -kort gezegd- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- [gedaagde] te bevelen de executie uit hoofde van de op 29 juli 2004 opgemaakte hypothecaire titel, met ingang van de datum waarop dit vonnis wordt gewezen, te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- [gedaagde] te veroordelen tot onmiddellijke opheffing van alle gelegde beslagen ten laste van [eiser] onder derden, op straffe van een dwangsom;

- [gedaagde] te veroordelen om de uit hoofde van de reeds door hem gelegde (derden)beslagen ontvangen geldbedragen binnen 14 dagen na dit vonnis terug te betalen aan [eiser];

- [gedaagde] te veroordelen in proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2

Op de standpunten van partijen wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat [gedaagde] beslag heeft doen leggen met gebruikmaking van de notariële akte van 29 juli 2004 als executoriale titel. Van die akte kan alleen dan als zodanig gebruik worden gemaakt indien de verplichtingen van de schuldenaren daarvoor voldoende concreet en bepaalbaar zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat het geval nu de onderhandse overeenkomst van geldlening tussen partijen in de hypotheekakte van 29 juli 2004 is opgenomen.

4.2

Conform deze akte was [eiser] over de geldlening van € 500.000,00 een rente verschuldigd van 6% per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen achteraf op de eerste van iedere maand, voor het eerst op 1 september 2004. Tevens diende de geldlening of het restant daarvan op 1 januari 2008 in zijn geheel te worden afgelost of zoveel eerder als het perceel in het kader van de ontwikkeling daarvan als bouwkavels zou zijn verkocht en geleverd aan derden. Niet in geschil is dat [eiser] op 1 januari 2008 de gehele geldlening niet had afgelost en deze derhalve in beginsel opeisbaar was.

4.3

[eiser] stelt zich op het standpunt dat partijen in 2008 aanvullende (andersluidende) afspraken hebben gemaakt over de terugbetaling van de lening en betaling van de rente. Volgens [eiser] hebben partijen toen afgesproken dat de gehele schuld (zowel de lening als de op dat moment openstaande rente) pas behoefde te worden afgelost op het moment dat de bouwkavels zouden zijn verkocht en geleverd aan derden. Nu de bouwkavels nog niet zijn verkocht en geleverd, is van enige opeisbare vordering volgens hem thans geen sprake. De executie is derhalve onrechtmatig. [gedaagde] betwist de interpretatie die [eiser] aan de aanvullende afspraken geeft. [gedaagde] stelt dat hij enkel uit coulance pas op de plaats heeft gemaakt.

4.4

Kern van het geschil is terug te voeren op de vraag wat de reikwijdte is van de na 29 juli 2004 tussen partijen gemaakte aanvullende afspraken.

4.5

[eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een gespreksverslag van de bespreking bij de notaris op 17 juli 2008. In dit verslag wordt [eiser] als BS aangeduid en [gedaagde] als HE en staat -voor zover thans van belang- het volgende:

“- BS:

* geeft aan te (moeten) stoppen met rentebetaling aan HE vanwege financiële problemen; project duurt te lang.

* (...)

* Akte van hypotheek t.b.v. HE als zekerheid voor terugbetaling aan HE: als gedeelte van de grond verkocht wordt, moet ik dan gehele schuld aflossen?

HE:

* Stopzetten rentebetaling: is zaak tussen BS en mij; is geen onderwerp om dit binnen deze groep te bespreken; zal contact opnemen met BS om dit te bespreken.

* (…)

* Als gedeelte van de grond verkocht wordt, bijv. 1 v/d 7 kavels, dient 1/7 van de schuld afgelost te worden; meeropbrengst (van die kavel) is voor BS.”

4.6

Voorts verwijst [eiser] naar een e-mail van [gedaagde] van 28 juli 2008, waarin voor zover thans van belang staat:

1. (…)

2. stopzetten rentebetaling.

Ik kan mij goed voorstellen, dat de huidige situatie financieel gezien moeilijk is, doordat het project langer duurt dan verwacht.

(..)

Een jaar geleden heb jij mij gevraagd de rentebetaling te kunnen opschorten, mijn antwoord hierop was dat dit mij niet uitkwam.

Waarom mij niet weer gevraagd om opschorting met een duidelijk signaal dat er anders problemen zouden komen?

Ik zal de stopzetting (moeten) accepteren en in elk geval geen middelen aanwenden die mij contractueel ten dienste staan.

Wel zal dit leiden tot betaling van uiteindelijk wat meer rente.

Zoals ik in het gesprek van 17 juli al aangaf, kan terugbetaling ponds-ponds gewijs gebeuren bij verkoop van de individuele percelen.

4.7

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het hier gaat om de uitleg van bepalingen in een geschrift. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.8

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] de door hem voorgestane uitleg van voornoemde bepalingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht hierbij de volgende feiten en omstandigheden van belang.

4.9

Ten aanzien van de rentebetaling blijkt uit het gespreksverslag van de bespreking van 17 juli 2008 dat [eiser] heeft medegedeeld te moeten stoppen met de rentebetaling aan [gedaagde] vanwege financiële problemen; het project duurde te lang. Ook deelde hij mede dat de zaken anders liepen dan gedacht en verwacht en dat dat niet de schuld van [gedaagde] was, maar wel een reden was om de rentebetaling te stoppen. [gedaagde] zag zich op dat moment voor geen andere keus gesteld dan deze stopzetting te accepteren (“Ik zal de stopzetting (moeten) accepteren”). Het betoog van [gedaagde] dat hij op dat moment coulance betrachtte, omdat hij enerzijds begrip had voor de financiële problemen van [eiser] en anderzijds verwachtte dat deze coulance beperkt in tijd zou zijn, acht de voorzieningenrechter aannemelijk. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat uit voornoemd verslag blijkt dat [gedaagde] er op dat moment vanuit ging dat het project geen jaar meer zou duren. [eiser] was dan ook bekend met deze veronderstelling van [gedaagde].

Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken leidt de voorzieningenrechter bovendien af dat deze veronderstelling van [gedaagde] op dat moment gerechtvaardigd was. Gelet op deze feiten en omstandigheden mocht [eiser] er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat partijen op dat moment een (in tijd ongelimiteerde) afspraak hebben gemaakt om de rente eerst te hoeven te betalen op het moment dat de bouwkavels zouden zijn verkocht en geleverd aan derden.

4.10

Hetzelfde geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van de aflossing van de lening. Uit het gespreksverslag van 17 juli 2008 blijkt dat [eiser] de vraag heeft gesteld of hij de gehele schuld moest aflossen als een gedeelte van de grond zou worden verkocht. [gedaagde] heeft hierop zowel tijdens deze bespreking als nadien in zijn e-mail van 28 juli 2004 geantwoord dat dan een corresponderend deel dient te worden afgelost. [eiser] mocht naar het oordeel van de voorzieningenrechter er niet op vertrouwen dat partijen hiermee op dat moment een (in tijd ongelimiteerde) afspraak hebben gemaakt om eerst de lening af te hoeven lossen op het moment dat de bouwkavels zouden zijn verkocht en geleverd aan derden. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat partijen in de notariële akte van 29 juli 2004 hadden afgesproken dat de lening of het restant daarvan uiterlijk op 1 januari 2008 in zijn geheel diende te worden afgelost. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat [gedaagde] ook hier coulancehalve pas op de plaats heeft gemaakt. Door deze coulance te rekken tot begin 2012, het moment waarop [gedaagde] de hypothecaire geldlening heeft opgezegd, heeft [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter ruimschoots voldaan aan hetgeen [eiser] op basis van de door [gedaagde] gedane uitlatingen mocht verwachten.

4.11

Gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.12

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van [gedaagde].

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen af;

II. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 282,00 aan verschotten en € 816,00 aan salaris van de advocaat.

III. Verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.