Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5308

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
08.770013-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de verdachte schuldig aan het aanranden van een 7-jarig meisje in een zwembad in Deventer. Verdachte is, zo blijkt uit rapportages van een psychiater, een psycholoog en de reclassering, verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 137 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar en stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat behandelen en begeleiden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de verdachte tot een taakstraf van 30 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.770013-14

Datum vonnis: 7 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting
23 september 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.E. Postmaen van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw
mr. M. van der Steeg, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

een 7-jarig meisje heeft aangerand.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Deventer, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren [geboortedag] 2006) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten en/of bevoelen van de billen en/of de vagina, althans de schaamstreek en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het met zijn, verdachtes, armen vastpakken van het lichaam van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) het onverhoeds van achteren betasten en/of bevoelen van de billen en/of de vagina, althans de schaamstreek.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 167 dagen waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf dienen de algemene en bijzondere voorwaarden te worden gesteld, zoals deze staan vermeld in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 31 juli 2014, met uitzondering van het contactverbod.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een werkstraf voor de duur van 60 uren aan verdachte wordt opgelegd.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring kan volgen voor het ten laste gelegde gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte, inhoudende dat hij op 23 februari 2014 in Deventer naar het zwembad is gegaan en in het zwembad de 7- jarige [slachtoffer] heeft vastgepakt en haar bij haar billen en schaamstreek heeft betast.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 167 dagen waarvan 150 dagen voorwaardelijk met oplegging van de bijzondere voorwaarden – inhoudende een meldplicht, het volgen van een ambulante behandelverplichting en het meewerken aan de begeleiding die wordt geboden door Stichting Goed Geregeld - met een proeftijd van 5 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een werkstraf voor de duur van 60 uren aan verdachte wordt opgelegd.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die reeds is doorgebracht in voorlopige hechtenis en daarnaast een voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vraag welke bijzondere voorwaarden hieraan moeten worden gekoppeld gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf betoogd dat deze geen toegevoegde waarde heeft, omdat verdachte reeds veel tijd kwijt is aan begeleiding en behandeling en verdachte daarnaast een fulltime baan heeft en het belangrijk is dat verdachte deze baan kan behouden. Mocht de rechtbank oplegging van een werkstraf wel noodzakelijk achten, dan heeft de raadsvrouw verzocht deze te matigen.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het ten laste gelegde feit sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen1:

 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer]2;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige]3;

 De bekennende verklaring van verdachte4;

 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 september 20145.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 februari 2014 te Deventer, door een andere feitelijkheid [slachtoffer] (geboren [geboortedag] 2006) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het betasten van de billen en de schaamstreek en bestaande die andere feitelijkheid uit het met zijn, verdachtes, armen vastpakken van het lichaam van die [slachtoffer] en (vervolgens) het onverhoeds van achteren betasten van de billen en de schaamstreek.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft in een zwembad in Deventer een minderjarig meisje aangerand. Verdachte heeft zwemmend het minderjarige meisje benaderd en dit meisje onverhoeds vastgepakt en haar bij de billen en in haar schaamstreek betast. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het jonge slachtoffer en tevens heeft hij bij het slachtoffer een gevoel van angst en onveiligheid teweeggebracht. Het is algemeen bekend dat met name minderjarigen dergelijke inbreuken als (nog) ingrijpender ervaren dan volwassenen. Verdachte heeft zich ten tijde van het plegen van het feit laten leiden door zijn eigen seksuele drang, zonder zich op dat moment te bekommeren om de gevolgen van zijn handelen voor het jonge slachtoffer. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij erg eenzaam en depressief was en voor seksuele ontlading naar het zwembad was gegaan, maar door zijn PDD NOS zichzelf niet onder controle had. Achteraf heeft verdachte verklaard spijt te hebben van zijn handelen en behandeling nodig te hebben.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de met betrekking tot de persoon van verdachte uitgebrachte rapporten, te weten:

  • -

    een psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 2 mei 2014, opgemaakt door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus;

  • -

    een psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 6 juni 2014, opgemaakt door drs. G.J.W. Pol, psycholoog;

  • -

    een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 31 juli 2014, opgemaakt door
    J. de Jong- Stoel.

Uit het Pro Justitia rapport van de psychiater Van Os, voornoemd, komt naar voren dat bij

verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit sprake was van een autisme spectrum stoornis en daarnaast van parafilie in de vorm van pedofilie niet exclusieve type. Gebleken is dat verdachte vanwege zijn autisme spectrum stoornis een geïsoleerd bestaan leidt en de laatste maanden in toenemende mate depressief, geïsoleerd en eenzaam was geraakt. Het was bij verdachte bekend dat hij seksuele fantasieën krijgt als hij zich eenzaam voelt en dit ondervond hij ook in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde feit. Verdachte was bang de controle te verliezen, maar in plaats van hulp te zoeken leefde hij in de veronderstelling dat hij het zelf kon oplossen. Deze verkeerde inschatting van verdachte hangt waarschijnlijk samen met zijn autisme spectrum stoornis met een daarbij behorende inadequate zelfmonitoring. Verdachte had weliswaar voldoende inzicht in het ongeoorloofde van het hem ten laste gelegde feit, maar hij was onvoldoende in staat ten tijde hiervan – vanwege de pedofiele neigingen en vanwege zijn moeite om een eenmaal ingeslagen weg af te buigen – om zijn wil overeenkomstig te bepalen. Psychiater Van Os heeft gelet hierop geadviseerd verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

Psychiater Van Os acht het risico op herhaling groot als verdachte niet wordt behandeld voor zijn ziekelijke stoornissen en vooral als hij niet langdurig wordt begeleid. Daarbij zijn de belangrijkste risicofactoren zijn autisme spectrum stoornis met de daarmee samenhangende interpersoonlijke beperkingen, zijn gebrek aan empathie, zijn gerichtheid op jonge meisjes vanwege zijn pedofiele geaardheid, alsmede de problemen met betrekking tot zijn relaties en de ontkenning van zijn pedofiele motieven. Verdachte is door zijn autisme spectrum stoornis gecombineerd met zijn pedofiele geaardheid een kwetsbare en blijvend gehandicapte man, die reeds langdurig forensisch psychiatrische behandeling en begeleiding heeft gehad en blijvend hulp nodig zal hebben omdat hij onvoldoende vaardigheden heeft om op een normale wijze aan de maatschappij deel te nemen. Door psychiater Van Os wordt geadviseerd om aan verdachte langdurig reclasseringstoezicht op te leggen met een COSA interventie (de rechtbank begrijpt: Cirkels voor Ondersteuning, Samenwerking en Aanspreekbaarheid) en een ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische instelling zoals ‘De Tender’.

Uit het Pro Justitia rapport van de psycholoog Pol, voornoemd, komt ook naar voren dat

verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet andere omschreven (PDD-NOS). Het is aannemelijk dat de PDD-NOS een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het ten laste gelegde feit, nu verdachte in het verlengde van het bij hem – vanwege deze aandoening – aanwezige sociale onvermogen toenemend negatieve gevoelens heeft ervaren en derhalve spanningen heeft opgebouwd. Deze spanningen – eveneens als gevolg van genoemde aandoening – heeft hij niet adequaat kunnen hanteren, maar op een impulsief-seksuele wijze via het ten laste gelegde feit ontladen. Psycholoog Pol heeft gelet hierop geadviseerd verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

Hij schat het risico op recidive op lange termijn hoog in als er geen behandeling en begeleiding van verdachte plaatsvindt. Het is van belang dat verdachte behandeling ondergaat, zowel gericht op zijn sociale onvermogen als op zijn psychoseksuele huishouding, om het recidiverisico zo laag mogelijk te maken. Binnen de behandeling moet psycho-educatie, ego-versterking en sociale vaardigheidstraining plaatsvinden, alsmede het leren hanteren en uiten van negatieve gevoelens en spanningen en het leren beheersen van (pedo) seksuele impulsen. Tevens is het van belang dat verdachte blijvend een adequate dag-invulling heeft. Door de psycholoog wordt geadviseerd om verdachte als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen voortzetting van de (ambulante) behandeling en begeleiding door de Forensisch Poli- en Dagkliniek De Tender, zoals verdachte deze (met groepstherapie en individuele therapie) van 2005 tot 2009 heeft gevolgd. Tevens wordt geadviseerd verplicht reclasseringscontact op te leggen.

Uit het reclasseringsadvies van d.d. 31 juli 2014, opgemaakt door J. de Jong- Stoel, komt naar voren dat de reclassering zich aansluit bij de adviezen uit de hierboven vermelde onderzoeken. Uit het reclasseringsadvies is voorts gebleken dat bij verdachte sprake is van patroon van het plegen van zedendelicten. De delicten worden ernstiger omdat verdachte is overgegaan van een hands-off naar een hands-on delict. Verdachte heeft erkend dat hij grensoverschrijdend heeft gehandeld en dat hij wil meewerken aan begeleiding, dan wel behandeling om recidive te voorkomen. Verdachte is inmiddels gestart met het project COSA en volgt tevens vrijwillig behandeling bij de Tender in Deventer.

De rechtbank onderschrijft de inhoud van de vorengenoemde rapporten en maakt de daarin vermelde conclusies tot de hare.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd en zal bij daar bij de strafoplegging rekening mee houden.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft ter zake van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht geen oriëntatiepunten opgenomen.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat gezien de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen hulp heeft gevraagd, maar zich heeft laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en toch naar het zwembad is gegaan. Anderzijds heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met de omstandigheden dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven en blijk heeft gegeven van inzicht in het laakbare van zijn gedrag door zich reeds vóór de behandeling van deze strafzaak voor de rechtbank (wederom) onder behandeling te laten stellen bij de Tender, waarbij verdachte wekelijks wordt gezien door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en tweewekelijks door de psychiater. Tevens is verdachte reeds begonnen met de COSA-interventie.

Zoals hiervoor al is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Mede gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte eveneens een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden dient te worden opgelegd. Deze bijzondere voorwaarden houden in dat verdachte zich moet houden aan een meldplicht, een behandelverplichting en het meewerken aan de begeleiding die wordt geboden door Stichting Goed Geregeld. De rechtbank beoogt hiermee de reeds ingezette begeleiding van verdachte te laten voortduren en verdachte een behandeling te laten ondergaan zoals voorgesteld door de psychiater en de psycholoog, en mede hierdoor de kans op herhaling te verminderen.

Met betrekking tot de duur van de proeftijd zal de rechtbank bepalen dat deze vijf jaren zal bedragen. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde en het feit dat verdachte reeds vanaf 2005 tot en met 2009 behandeling bij de Tender heeft gevolgd, maar desondanks is doorgegaan met het plegen van zedendelicten – welke tevens zijn verergerd – moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van een werkstraf, in tegenstelling tot de raadsvrouw, wel noodzakelijk in het kader van vergelding naar de maatschappij. De rechtbank zal de gevorderde werkstraf matigen, vanwege het feit dat verdachte reeds een fulltime baan heeft en daarnaast een aanzienlijke hoeveelheid tijd zal moeten besteden aan de begeleiding en behandeling die hij moet ondergaan.

Alles afwegende acht de rechtbank in dit geval oplegging van een gevangenisstraf van 137 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk en oplegging van bijzondere voorwaarden met een proeftijd van 5 jaar én een werkstraf van 30 uur passend en geboden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 augustus 2014.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

    Feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 137 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 5 (vijf) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

1. De verdachte moet zich melden bij de reclassering Nederland te Zwolle, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. De verdachte wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn PDD-NOS en pedofilie, niet exclusieve type, bij (Forensische) Psychiatrie – of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Het zorgaanbod is per direct beschikbaar;

3. De verdachte wordt verplicht om mee te werken aan de begeleiding die wordt geboden door Stichting Goed Gesprek Geregeld;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 30 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.C. Hangx, voorzitter, mr. F. van der Maden en
mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2014.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer <. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Politie Oost Nederland, district IJsselland, team Zeden onder zaaknummer 2014016183, opgemaakt op 17 maart 2014.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 25 februari 2014, 21 t/m 23.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], pag. 24.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 februari 2014, pag. 34 en 35 en proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 februari 2014, pag. 49 en 50.

5 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 23 september 2014.