Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5272

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-10-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
08.730245-14, 08.730420-14 en 08.730421-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van pinautomaten, de voordeur van een apotheek en een bushokje. Verdachte is onderzocht door een psychiater en er is een advies uitgebracht door de reclassering. De rechtbank sluit zich aan bij de conclusies van deze deskundigen en legt aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) op voor de duur van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.730245-14, 08.730420-14 en 08.730421-14 (P)

Datum vonnis: 6 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

nu verblijvende in de PPC te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 augustus 2014 en 6 oktober 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.T. Brouwer en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. B.G.M. Frencken, advocaat te ‘s Hertogenbosch, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

onder parketnummer 08.730245-14:

feit 1: drie geldautomaten heeft vernield;

feit 2: zes geldautomaten heeft vernield.

onder parketnummer 08.730420-14:

feit 1: de glazen voordeur van een apotheek heeft vernield;

feit 2: de ruit van een abri/bushokje heeft vernield.

onder parketnummer 08.730421-1:

een urinoirkruis heeft vernield.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

parketnummer 08.730245-14:

1.

hij op of omstreeks 07 april 2014, althans in het tijdvak van 05 april 2014 tot en met 07 april 2014, in de gemeente Zwolle, opzettelijk en wederrechtelijk (het beeldscherm van) drie, althans een of meer, geldautomaten van (een kantoor van) de ABN AMRO bank, gevestigd aan het Stationsplein 13 aldaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan ABN AMRO Bank N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 07 april 2014, althans in het tijdvak van 05 april 2014 tot en met 07 april 2014, in de gemeente Groningen, opzettelijk en wederrechtelijk (het beeldscherm van) zes, althans een of meer, geldautomaten van (een kantoor van) de ABN AMRO bank, gevestigd aan de Grote Markt 22 aldaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan ABN AMRO Bank N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

parketnummer 08.730420-14:

1.

hij op of omstreeks 18 april 2014 te Eindhoven, althans elders in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval glas, van de voordeur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de apotheek (gelegen aan de [adres]) en/of [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 18 april 2014 te Eindhoven, althans elders in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk (een ruit van) een abri/bushokje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Exterion Media, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

parketnummer 08.730421-1:

hij op of omstreeks 23 april 2014 te Eindhoven, althans eldes in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een urinoirkruis, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

De rechtbank nummert de bij dagvaarding met parketnummer 08.730420-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten als 3 en 4 en het bij dagvaarding met parketnummer 08.730421-14 ten laste gelegde feit als 5.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde en oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel).

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit de dossiers van:

- voor feit 1: regiopolitie IJsselland, team Zwolle-Centrum/Zuid, met dossiernummer PL04ZC-2014029550 van 6 mei 2014;

- voor feit 2: regiopolitie IJsselland, team Zwolle-Centrum/Zuid, met dossiernummer PL04ZC-2014037156 van 6 mei 2014;

- voor feiten 3 en 4: politie Eenheid Oost-Brabant, hulpofficieren van justitie, afdeling Eindhoven Centrum, met dossiernummer PL2204-2014052784 van 21 april 2014;

- voor feit 5: politie Eenheid Oost-Brabant, hulpofficieren van justitie, regionaal flexteam, met dossiernummer PL2204-2014054708 van 23 april 2014.

Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De raadsman heeft bepleit dat zijn cliënt van het onder 5 ten laste gelegde vrijgesproken moet worden, omdat er onvoldoende informatie voorhanden is om te kunnen concluderen dat het urinoirkruis door de haarlak is vernield dan wel beschadigd. Ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman gesteld dat hij, net als de officier van justitie, tot de conclusie komt dat die feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Over feit 5 overweegt de rechtbank dat niet valt vast te stellen of de haarlak die verdachte op het urinoirkruis heeft gespoten schade heeft toegebracht aan het urinoirkruis dan wel dat het zonder schade alsnog verwijderd kon worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat feit 5 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en zal verdachte van dit feit vrijspreken.

Net als de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Als bewijsmiddelen gelden:

Voor feit 1:

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 augustus 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

2. het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens ABN AMRO Bank N.V. te Zwolle, opgemaakt op 7 april 2014 door [verbalisant 1], brigadier van regiopolitie IJsselland, pag. 29 en 32 tot en met 36 (inclusief foto’s).

Voor feit 2:

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 augustus 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

2. het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] namens ABN AMRO te Groningen, opgemaakt op 9 april 2014 door [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland, pag. 12 tot en met 19 (inclusief foto’s).

Voor feit 3:

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 augustus 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

2. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], opgemaakt op 18 april 2014 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk surveillant en hoofdagent van politie Eenheid Oost-Brabant, pag. 18;

Voor feit 4:

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 augustus 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

2. het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 5], brigadier van politie Eenheid Oost-Brabant, opgemaakt op 21 april 2014, pag. 22.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 07 april 2014 in de gemeente Zwolle, opzettelijk en wederrechtelijk het beeldscherm van drie geldautomaten van een kantoor van de ABN AMRO bank, gevestigd aan het Stationsplein 13 aldaar, toebehorende aan ABN AMRO Bank N.V., heeft vernield;

2.

hij op 07 april 2014 in de gemeente Groningen, opzettelijk en wederrechtelijk het beeldscherm van zes geldautomaten van een kantoor van de ABN AMRO bank, gevestigd aan de Grote Markt 22 aldaar, toebehorende aan ABN AMRO Bank N.V., heeft vernield.

3.

hij op 18 april 2014 te Eindhoven, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de voordeur, toebehorende aan de apotheek gelegen aan de [adres] en/of [slachtoffer], heeft vernield;

4.

hij op 18 april 2014 te Eindhoven, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een abri/bushokje, toebehorende aan Exterion Media, heeft vernield.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, 2, 3 en 4

telkens het misdrijf:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel en de gronden daarvoor

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 juli 2014, waaruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor onder meer soortgelijke feiten.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend psychiatrisch onderzoek d.d. 11 juli 2014 uitgebracht door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 25 juli 2014 uitgebracht door

A.D.F.G. Koekoek werkzaam als reclasseringswerker bij het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna reclassering).

Psychiater Van Os komt tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van polymiddelen afhankelijkheid (waaronder benzodiazepinen), zwakbegaafdheid en een psychotische kwetsbaarheid en daarnaast een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens te weten een

antisociale persoonlijkheidsstoornis met de daarbij behorende beperkte gewetensfunctie, een scheefgroei, die secundair is aan het onvermogen van verdachte om zijn leven zelfstandig vorm te geven. De psychiater is niet zeker van de eerder gestelde diagnose dat bij verdachte sprake is van een schizo-affectieve stoornis.

De psychiater komt tot de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten aanzien van het aan hem ten laste gelegde. Als belangrijkste risicofactor ziet de psychiater het patroon van antisociaal gedrag dat verdachte reeds jaren heeft vertoond.

De rechtbank is van oordeel dat de deskundige op goede gronden tot zijn conclusie is gekomen en maakt het oordeel van de deskundige tot het hare. De rechtbank concludeert dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar was.

De psychiater adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Zonder behandeling blijven volgens de psychiater de risicofactoren die van belang zijn bij de verdachte ten laste gelegde feiten onveranderd. Een behandeling en langdurige intensieve begeleiding is noodzakelijk om de kans op herhaling zoals de hem ten laste gelegde feiten binnen aanvaardbare grenzen te krijgen. Met een ISD-maatregel ontstaat de tijd om binnen een duidelijke structuur meer helderheid te krijgen over de diagnose en om een passende menselijke en ook materiele prothese vast te stellen om verdachte nadien te kunnen begeleiden.

De reclassering adviseert aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De tot nog toe ingezette hulpverlening heeft geen effect gehad op de hoge recidivekans. Verdachte is bekend bij de GGzE in het kader van gedwongen opnames en ambulante behandeling. Als risicofactoren ziet de reclassering de zucht naar, en het gebruik van, diverse soorten drugs, het sociale netwerk, verdachte’s houding naar hulpverleners, de gebrekkige coping vaardigheden, het eventuele psychiatrische ziektebeeld en de financiële en huisvestingsproblemen.

Volgens de reclassering is een klinische opname, behandeling en ondersteuning binnen een kader van een ISD-maatregel noodzakelijk om de bestaande problemen op de diverse leefgebieden aan te kunnen pakken. Hoewel verdachte een dergelijke maatregel vanwege haar duur afwijst, werkte hij binnen detentie mee aan de onderzoeken van justitie. Het IFZ geeft aan een klinische opname in de Woenselse Poort te indiceren wanneer de rechtbank overgaat tot het opleggen van een ISD-maatregel.

De rechtbank sluit zich aan bij de adviezen van de psychiater en de reclassering en acht een onvoorwaardelijke ISD-maatregel noodzakelijk. De rechtbank neemt in aanmerking dat uit de rapportages blijkt dat eerdere reclasseringscontacten en hulpverlening weinig tot geen resultaat hebben gehad, omdat verdachte onvoldoende meewerkte aan de noodzakelijke behandelingen en hij meerdere malen recidiveerde. Ter terechtzitting van 18 augustus 2014 heeft de raadsman van verdachte verklaard dat zijn cliënt wel gemotiveerd is voor de behandelingen.

De rechtbank is van oordeel dat voldaan wordt aan de eisen die de wet aan oplegging van de ISD-maatregel stelt.

Immers de door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld, en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goed het opleggen van de ISD-maatregel eist.

Omdat psychiater Van Os twijfels oproept over de eerder gestelde diagnose dat bij verdachte sprake is van een schizo-affectieve stoornis, acht de rechtbank het aangewezen om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel tussentijds – 6 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel – te beoordelen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en de rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. De rechtbank wil dan in elk geval duidelijkheid hebben over de diagnose en het daaruit voortvloeiende behandelplan.

Bij brief van 26 september 2014 heeft de raadsman verzocht om de periode gelegen tussen 18 augustus en 6 oktober 2014 af te trekken van de ISD-maatregel, omdat in deze periode een benadeelde partij die door het OM over het hoofd was gezien in de gelegenheid gesteld moest worden alsnog een vordering in te dienen.

Hoewel de rechtbank in beginsel geen reden ziet om rekening te houden met de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht - omdat verdachte zo lang mogelijk moet kunnen profiteren van de behandelmogelijkheden die hem in detentie zullen worden geboden - ziet de rechtbank nochtans in deze zaak aanleiding om een deel van de voorlopige hechtenis, te weten de tijd gelegen tussen 1 september 2014 (uitspraaktermijn na de zitting van 18 augustus 2014) en 6 oktober 2014 in mindering te brengen omdat die vertragingsperiode is veroorzaakt door onduidelijkheid ten aanzien van een (professionele) benadeelde partij die in dit geval in redelijkheid niet aan verdachte kan worden toegerekend.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

Ten aanzien van feit 3:

[slachtoffer] , wonende te [woonplaats], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 1.869,45. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    plaatsing nooddeur € 786,50;

  • -

    vervanging glazen deur € 1.082,95.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn betwist op het punt van de opgevoerde btw. Voor het overige is de vordering niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.545,- en voor het overige afwijzen omdat btw voor ondernemingen geen schade betreft. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 3 is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 38m, 38n en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    feit 1, 2, 3 en 4 telkens:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, voor de tijd van twee jaren, met aftrek van de hiervoor onder 8 vermelde periode van vijf weken;

- beslist dat een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel als bedoeld in art. 38s Sr zal plaatsvinden en bepaalt als termijn daarvoor zes maanden, te rekenen vanaf de aanvang van de tenuitvoerlegging;

- bepaalt dat de officier van justitie uiterlijk veertien dagen voordien de rechtbank zal berichten als bedoeld in art. 38s, eerste lid, Sr;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] te [woonplaats] van een bedrag van € 1.545,- (zegge: vijftienhonderdvijfenveertig euro);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige (de btw) af;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.545,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 25 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T. Pos, voorzitter, mr. H.F.J.M. Schröder en mr.

H.W.H. Oude Aarninkhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2014.