Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5271

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
3389285 CV EXPL. 4802-14
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering. Situatieve arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0844

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 3389285 CV EXPL. 4802-14

Uitspraak : 30 september 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. M. van Wijk – Van den Berg, werkzaam bij CNV Vakmensen te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

vertegenwoordigd door haar directeur [R].

De procedure

De eisende partij heeft gesteld en gevorderd als staat vermeld in de dagvaarding van

9 september 2014.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 23 september 2014.

[eiser] heeft haar standpunt doen toelichten door haar gemachtigde.

[gedaagde] heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

Het vonnis is bepaald op heden.

De feiten, het geschil en de motivering van de beslissing

1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de inhoud van overgelegde bescheiden, voor zover niet bestreden, staat het volgende tussen partijen vast:

-[eiser] is op 1 juni 1997 in dienst getreden bij [gedaagde], in de functie van Financieel medewerker, tegen een loon van € 2154,00 bruto per maand, exclusief emolumenten;

-[gedaagde] heeft op 14 mei 2014 bij UWV Werkbedrijf een ontslagaanvraag ingediend, op bedrijfseconomische gronden. Op 25 juni 2014 heeft [gedaagde] van het UWV toestemming gekregen om de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen en [gedaagde] heeft daarvan gebruik gemaakt: er is opgezegd op 26 juni 2014 tegen 30 september 2014;

-[gedaagde] heeft vanaf 1 juli 2014 het loon van [eiser] niet meer doorbetaald.

2.

[eiser] vordert, kort weergegeven, doorbetaling van loon, vanaf 1 juli 2014 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, te vermeerderen met wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en nakosten. [eiser] heeft voorts gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van loonstroken ter zake, op straffe van een dwangsom.

3.

[eiser] heeft het volgende hiertoe aangevoerd, kort samengevat. [gedaagde] is ten onrechte gestopt met doorbetaling van het loon vanaf 1 juli 2014. In juli 2014 heeft hij nog wel een nettobetaling van € 721,35 gedaan, zijnde minder dan het gebruikelijke loon, zonder daarbij een loonspecificatie te verstrekken. [eiser] heeft zich vóór 1 juli 2014 ziek gemeld (26 mei 2014) en een deskundige van het UWV heeft een oordeel gegeven over de arbeidsongeschiktheid van [eiser]. De deskundige heeft onder meer geoordeeld:

“Er kan geconcludeerd worden dat er op 01-07-2014 en enige tijd daarvoor sprake was van een arbeidsconflict. Mediation heeft niet plaatsgevonden. Verder blijkt dat er een juridische procedure loopt en dat terugkeer naar de eigen werkgever en het eigen werk door cliënte met “onwaarschijnlijk” wordt ingeschat. Ook de werkgever wil een einde aan de arbeidsverhouding gezien het feit dat hij bij het UWV in mei 2014 een ontslagaanvraag heeft ingediend, die overigens door het UWV is afgewezen. Door de problematiek is de situatie geëscaleerd op grond waarvan ik van mening ben dat nu op datum onderzoek, conform de STECR-richtlijnen, gesteld kan worden dat de huidige situatie dermate ontwricht is dat de feitelijke arbeid inclusief alle daarbij behorende specifieke werkomstandigheden op cliënt een ziekmakende werking zullen hebben.”

Tot een zinvol mediationgesprek of werkhervatting is het hierna niet meer gekomen; dat lag niet aan [eiser]. [gedaagde] dient op grond hiervan het loon door te betalen. Vanaf het stopzetten van de loonbetaling heeft [gedaagde] ook ten onrechte geen loonstroken verstrekt.

4.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. [eiser] was volgens de bedrijfsarts en het UWV wel degelijk in staat om te werken en zij heeft dat ten onrechte niet gedaan, ondanks dat zij wist dat er dringend zaken uitgezocht moesten worden. De financiële situatie van [gedaagde] was en is slecht. [gedaagde] heeft een derde moeten inhuren om het werk van [eiser] te doen. Van een arbeidsconflict was geen sprake. Het loon van [eiser] kan overigens ook niet betaald worden. In juli 2014 is nog wel loon betaald, zijnde 70% van het loon onder aftrek van hetgeen teveel betaald is in juni 2014: in juni 2014 heeft [gedaagde] 100% doorbetaald terwijl er maar 70% doorbetaald hoefde te worden.

5.

De kantonrechter overweegt het volgende. Het vereiste spoedeisend belang is in deze zaak, gelet op de aard van de vordering en het daaromtrent door [eiser] gestelde, aanwezig. De kantonrechter dient te beoordelen of de vordering van [eiser] een zodanige kans van slagen heeft in een eventuele bodemprocedure dat de toewijzing daarvan als voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.

6.

[gedaagde] heeft ter zitting overgelegd een conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie. [eiser] heeft hierover onder meer opgemerkt dat de eis in reconventie laat is ingediend en zij er geen kennis van heeft kunnen nemen. De kantonrechter zal de eis in reconventie verder niet behandelen; de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor staan hieraan in de weg nu de vordering in reconventie niet tevoren is aangekondigd (conform het rolreglement) en pas tijdens de mondelinge behandeling bekend is gemaakt. De conclusie van antwoord is inhoudelijk niet voorgedragen en zal evenmin worden meegenomen. [gedaagde] heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd en dat verweer zal worden meegenomen in de beoordeling.

7.

De kern van het geschil betreft het antwoord op de vraag of [gedaagde] loon aan [eiser] is verschuldigd over de periode 1 juli 2014 tot en met heden (gelet op de opzegging per heden).

Tussen partijen staat vast dat [eiser] op 1 juli 2014 niet ziek was, zodat [gedaagde] niet op grond van art. 7: 629 BW verplicht was het loon door te betalen. [eiser] heeft gesteld dat er een arbeidsconflict was en heeft doorbetaling van loon gevorderd op grond van art. 7: 628 BW.

8.

De Hoge Raad heeft hierover in zijn arrest van 27 juni 2008 (Mak-SGBO, LJN BC7669) het volgende overwogen:

3.5.2. In een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, kan zich de situatie voordoen dat de werknemer zich op grond van (dreigende) psychische of lichamelijke klachten niet in staat acht tot het verrichten van zijn werkzaamheden, hoewel ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid geen medische beperkingen van psychische of fysieke aard kunnen worden vastgesteld, zodat van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte in de zin van art. 7:629 BW geen sprake is. Dit geval wordt wel aangeduid als ‘‘situatieve arbeidsongeschiktheid’’ en de vraag doet zich voor in hoeverre in zo’n geval gezegd kan worden dat de werknemer zijn werkzaamheden niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, als bedoeld in art. 7:628 lid 1 BW.

3.5.3. De werknemer, zoals Mak, die zich erop beroept dat hij als gevolg van de hiervoor bedoelde ‘‘situatieve arbeidsongeschiktheid’’ zijn werkzaamheden niet heeft verricht en over de betrokken periode doorbetaling van zijn loon vordert, zal feiten en omstandigheden moeten stellen en zonodig aannemelijk moeten maken die tot het oordeel kunnen leiden dat in die periode de arbeidsomstandigheden, door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, voor hem zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten. Hierbij verdient aantekening dat de werknemer in een zodanig geval van ‘‘situatieve arbeidsongeschiktheid’’ in beginsel gehouden is alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken daarvan weg te nemen. De werknemer behoudt dan ingevolge art. 7:628 BW zijn recht op loon, en ‘‘werkweigering’’ kan dan geen ontslaggrond vormen.

9.

[eiser] heeft onder meer gewezen op het oordeel van de arbeidsdeskundige, die onder meer heeft overwogen: Door de problematiek is de situatie geëscaleerd op grond waarvan ik van mening ben dat nu op datum onderzoek, conform de STECR-richtlijnen, gesteld kan worden dat de huidige situatie dermate ontwricht is dat de feitelijke arbeid inclusief alle daarbij behorende specifieke werkomstandigheden op cliënt een ziekmakende werking zullen hebben.”.

10.

Uitgaande van dat oordeel ging [gedaagde] te kort door de bocht door te stellen dat [eiser] na het deskundigenoordeel weer aan het werk kon omdat ze niet ziek was. Pas later is via mediation getracht een oplossing te bereiken. Het eerste mediation gesprek liep op niets uit ([gedaagde] was niet aanwezig) en het tweede mediationgesprek was pas daags voor de zitting en heeft evenmin een oplossing gebracht. Daarbij speelt dat [gedaagde] heeft aangegeven geen geld voor loon te hebben en ook meegespeeld zal hebben dat partijen in het achterhoofd hebben gehad dat de arbeidsovereenkomst toch op korte termijn zou eindigen. Hoe dies ook precies zij, gesteld noch gebleken is dat [eiser] in het traject na het deskundigenoordeel van het UWV niet alle medewerking heeft verleend aan inspanningen die er op gericht zijn de oorzaken van de situatieve arbeidsongeschiktheid weg te nemen, zodat zij het recht op loon op grond van art. 7: 628 BW heeft behouden. De kantonrechter heeft verder begrip voor de financiële problemen bij [gedaagde] maar die problemen staan toewijzing van de vordering niet in de weg. [gedaagde] dient voorts gelet op art. 7: 628 lid 1 BW het volledige loon en niet 70% van het loon door te betalen; van ziekte is immers geen sprake geweest.

11.

De vordering van [eiser] zal daarom als volgt worden toegewezen, met inachtneming van de betaling in juli 2014 van € 721,35 netto. De gevorderde wettelijke verhoging zal in het kader van dit kort geding worden beperkt tot 10% en de gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar. Voorts zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijsbaar, met dien verstande dat het bedrag hoger is dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. [gedaagde] zal eveneens worden veroordeeld om loonstroken aan [eiser] te verstrekken. De gevorderde dwangsom zal worden gewijzigd als na te melden.

12.

[gedaagde] dient, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten te dragen.

De gevorderde nakosten zullen conform de landelijke aanbeveling worden begroot op het tarief van een half punt gemachtigdesalaris, met een maximum van € 100,00. Gelet op het gemachtigdesalaris in deze zaak, van € 200,00 per punt, zal worden toegewezen € 100,00, indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving voldaan wordt aan het vonnis.

De beslissing in kort geding

Veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen:

a. het salaris ad € 2154,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, vanaf 1 juli 2014 tot en met heden, op welk bedrag in mindering strekt het bedrag van € 721,35 netto.

b. de wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW, beperkt tot 10%, over de bedragen ad a, voor zover deze niet tijdig zijn of zullen worden voldaan.

c. de wettelijke rente over de bedragen sub a en sub b vanaf de dag dat de desbetreffende bedragen verschuldigd zijn tot de dag der voldoening.

d. de buitengerechtelijke kosten ad € 876,08 inclusief btw.

Veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis (gecorrigeerde) loonstroken aan [eiser] te verstrekken over de periode 1 juli 2014 tot en met heden, op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag, tot een maximum van € 1000,00.

Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 712,80, waaronder € 400,00 wegens het salaris van de gemachtigde. Begroot de nakosten ten laste van [gedaagde] op € 100,00, indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving voldaan wordt aan het vonnis.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G. van Eerden, kantonrechter, en op 30 september 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.