Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5257

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
08/900007-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:8981, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt zeven leden van een criminele organisatie tot celstraffen van twee tot vier jaar. De groep pleegde allerlei diefstallen, vooral door met babbeltrucs pinpassen, sieraden en contant geld afhandig te maken van (hoog)bejaarde slachtoffers. Er is voor bijna 400.000 euro aan gestolen sieraden witgewassen bij goudinkopers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/900007-12

Datum vonnis: 3 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 3],

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 september 2013, 1 april 2014 en 4 september 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mevrouw mr. M.M. Brunsveld en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 in de gemeente Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een van zijn mededaders,

-één of meer geldbedrag(en) (in totaal een bedrag van ongeveer € 58.480,41, althans enig

geldbedrag), en/of

-een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, en/of

-een of meer (personen)auto(’s),

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of (personen)auto’s), gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud, en/of zilver en/of munten en/of (personen)auto’s) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013, in de gemeente Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens),

-één of meer geldbedrag(en) (in totaal een bedrag van ongeveer € 58.480,41, althans enig

geldbedrag), en/of

-een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, en/of

-een of meer (personen)auto’s),

heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of (personen)auto’s), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of muntenen/of (personen)auto’s) onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.

hij op een of meet verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 in de gemeente Enschede en/of elders in Nederland en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande onder meet uit [verdachte 1]. en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 8] en/of een of meet ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- gekwalificeerde diefstal zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht, en/of

- gewoontewitwassen en/of witwassen zoals bedoeld in (de) artikel(en) 420ter en/of 420bis.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen acht, gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar op te leggen.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank heeft geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen te twijfelen.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd - overeenkomstig de inhoud van het aan de rechtbank overgelegde schriftelijk requisitoir - verdachte te veroordelen ter zake het onder

1 primair en 2 tenlastegelegde.

De raadsman van verdachte heeft zich - overeenkomstig de inhoud van de door hem

aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota - op het standpunt gesteld dat verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Feit 1: witwassen

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte gedurende een periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 frequent sieraden en munten heeft ingeleverd die van misdrijf afkomstig zijn, alsook tientallen kentekens op zijn naam had staan, terwijl hij geen legale inkomsten had waaruit deze goederen betaald konden worden, zodat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte niet wist dat de door hem ingeleverde gouden sieraden of munten van misdrijf afkomstig waren. Ook zijn de bij verdachte aangetroffen geldbedragen niet dusdanig hoog dat dit een aanwijzing voor witwassen is. Verder zit er ten aanzien van de ten laste gelegde auto’s geen enkele aanwijzing in het dossier dat verdachte wist dat deze van enig misdrijf afkomstig waren. Gelet daarop moet verdachte integraal van feit 1 worden vrijgesproken.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013, tientallen malen sieraden, munten, zilver en goud heeft verkocht aan de firma [bedrijf] en beleend bij Cash Converters voor een totaalbedrag van ongeveer € 58.480,-.

Verdachte heeft erkend dat hij deze sieraden en munten en dit goud en zilver heeft ingeleverd en dat hij wist dat deze mogelijk uit misdrijf afkomstig waren. Hij deed dit, naar eigen zeggen, op verzoek van ene [naam] en (verre) familieleden of goede bekenden omdat hij het geld dat hij daarvoor kreeg nodig had om zijn gezin te kunnen onderhouden. Hij heeft zich daarbij telkens gelegitimeerd. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die verdachte heeft gegeven ten aanzien van de herkomst van de sieraden, goud, zilver en munten onvoldoende concreet is. Het enkel stellen dat de sieraden, goud, zilver en munten van een persoon genaamd [naam] en (verre) familieleden of goede bekenden afkomstig zijn, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat de alternatieven die door de verdediging zijn aangedragen voor de herkomst van de sieraden niet aannemelijk zijn geworden en dat de verklaring van verdachte daarnaast, zo die al aannemelijk zou zijn, niet verifieerbaar is. Gelet op het feit dat verdachte onderdeel uitmaakt van een groep verdachten die zich in wisselende samenstelling veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan woninginbraken en insluipingen door middel van babbeltrucs, waarbij onder meer geld en sieraden zijn buitgemaakt en gelet op het feit dat de rechtbank verdachte ook schuldig acht aan het deel uit maken van die criminele organisatie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de door hem aangeboden sieraden, goud, zilver en munten van misdrijf afkomstig waren.

Verdachte heeft in de onderzoeksperiode voor korte of langere tijd 32 kentekens op naam gehad. Het betrof auto’s waar hij zelf in reed, maar ook zogenoemde “werkauto’s” die na enige tijd op naam van katvangers werden gesteld. Verdachte, noch één van zijn huisgenoten, had in de onderzoeksperiode een zodanige legale bron van inkomsten dat hiermee de aanschaf van deze auto’s verklaard kan worden. Verdachte heeft nog verklaard dat hij, en zijn vader, tevens medeverdachte, “zwart” geld verdienden met de autohandel. De rechtbank acht dit niet aannemelijk geworden. Behalve de verklaring van verdachte en diens vader, is er geen enkele aanwijzing dat verdachte of zijn vader in de autohandel actief waren. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat ook de auto’s met van misdrijf afkomstige gelden zijn aangeschaft.

Verdachte heeft zich dan ook voor wat betreft de auto’s schuldig gemaakt aan opzetwitwassen. Gelet op de frequentie waarmee verdachte sieraden, goud zilver en munten heeft ingeleverd en hij kentekens op zijn naam heeft laten zetten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd en spreekt hem van dit onderdeel vrij.

Feit 2: criminele organisatie

Juridisch kader

Van een organisatie is sprake bij een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één andere persoon. Om te kunnen vaststellen of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient de rechtbank derhalve te bezien of sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeerden.

Vast moet komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft,

waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn. Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel.

Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen ondersteunen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Wetenschap of een andere vorm van opzet ten aanzien van één of meer concrete misdrijven is niet noodzakelijk.

Niet is vereist dat vast komt te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Uit de jurisprudentie betreffende de Hofstad-groep (HR 2 februari 2010, LJN BK 5193) volgt dat ook in geval niet is gebleken van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een bepaalde hiërarchie en een daaruit voortvloeiende druk om zich aan de regels te houden, sprake kan zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr.

Bij de beoordeling van de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een criminele organisatie en of verdachte daaraan heeft deelgenomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Aanleiding

In 2011 is door verschillende politieregio’s onderzoek gedaan naar een mogelijke criminele organisatie die, in wisselende samenstellingen, verantwoordelijk zou zijn voor inbraken en insluipingen bij ouderen door middel van een babbeltruc. Deze inbraken en insluipingen vonden plaats in heel Nederland en in Duitsland en België. Naar dit samenwerkingsverband is een grootschalig opsporingsonderzoek ingesteld, genaamd Ginaf. Tijdens het Ginaf-onderzoek zijn telefoongesprekken, gevoerd via de telefoons van meerdere personen, afgeluisterd en opgenomen. Verder zijn de mastgegevens van de telefoons van de verdachten in kaart gebracht. Ook zijn camera-observaties uitgevoerd en zijn camerabeelden uitgekeken van camera’s gericht op geldautomaten. Ook zijn getuigen, waaronder katvangers, goudinkopers en medewerkers van Cash Converters, gehoord.

Handelwijze organisatie

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen een groep personen met een zekere organisatiegraad, waarbij de organisatie en daarmee verdachte en anderen zowel (gekwalificeerde) diefstallen als gewoontewitwassen tot oogmerk hadden. Er was steeds sprake van dezelfde werkwijze, namelijk het aanspreken en afleiden van de slachtoffers, terwijl een ander of anderen de woning doorzocht(en). Was er niemand thuis dan werd er ingebroken. De buit bestond voornamelijk uit contant geld, bankpasjes en sieraden. De slachtoffers werden nadien gebeld om de pincodes van de bankpassen te achterhalen, waarbij de beller zich voordeed als bank- of politiemedewerker. Met de gestolen bankpassen werd vervolgens, al dan niet met behulp van katvangers, geld opgenomen in Nederland en Duitsland, waarbij het opvallend was dat regelmatig dezelfde geldautomaten werden gebruikt. Er waren auto’s beschikbaar om bij de slachtoffers thuis te komen. Deze voertuigen stonden in veel gevallen op naam van andere mensen (katvangers), zodat de voertuigen niet te linken zijn aan de insluipers. Ook werd in de genoemde periode door diverse leden die tot deze groep behoorden grote hoeveelheden uit misdrijf afkomstige (gouden) sieraden verkocht aan onder meer de firma [bedrijf] en beleend bij Cash Converters in Enschede.

Onderlinge contacten en sluiertaal

In de ten laste gelegde periode is gebleken van veelvuldige telefonische contacten tussen de verdachten onderling. De rechtbank constateert dat deze telefonische contacten onder andere betrekking hadden op afspraken omtrent de diefstallen en het gewoontewitwassen. Deze interpretatie is gerechtvaardigd nu vaststaat dat in genoemde telefonische contacten tussen verdachten onderling in versluierde taal werd gesproken. Zo werd er onder meer op 1 oktober 2012 om 11:43:41 uur door [verdachte 7] tegen [verdachte 8] over “kun je van mama datgene meenemen waar je ermee kan praten” gesproken en werd op 2 oktober 2012 om 20:04:36 uur door [verdachte 8] gesproken over “weet je nog dat een nn-vrouw heeft verteld, dat er een hamburger in de la lag, we zijn dat gaan kopen en vonden geen andere hamburgers”, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank - in samenhang met de aangiftes, telecomgegevens, camerabeelden en observaties - duidt op het ophalen van portofoons voorafgaand aan een tweetal insluipingen en op het niet aantreffen van de beoogde buit. De verdachten hebben geen, dan wel geen geloofwaardige alternatieve verklaring gegeven voor dit taalgebruik.

Aannemelijk is dat verdachten in de telefonische contacten willens en wetens verhullende taal hebben gebezigd en daarover kennelijk ook onderling afspraken hebben gemaakt. Zo blijkt bijvoorbeeld uit afgeluisterde telefoongesprekken, weergegeven in zaaksdossier 021, op de pagina’s 5819 e.v. dat [verdachte 1] op de vraag waar hij is zegt: “Ik mag niet zeggen waar ik ben”. Een medeverdachte, die het gesprek overneemt zegt op de herhaalde vraag: “waar ben je”: “Hier buiten, maar ik kan nu niet praten”. Op pagina 5820 zegt [verdachte 1] op de vraag waarom hij de telefoon niet opnam: “omdat ik buiten ben”, en “omdat ik bij de mensen was”. Kennelijk is dat bij leden of gelieerden aan de criminele groepering een voldoende verklaring voor het niet opnemen van de telefoon.

Verder constateert de rechtbank dat in een enkel telefonische contact, kennelijk in strijd met de gemaakte afspraken en/of geldende mores over het verhullend taalgebruik bij telefoongesprekken, ook direct gevraagd wordt of een ander mee gaat stelen. Op 18 september 2012 om 19.47 uur werd door [verdachte 1] gesproken met een NN-vrouw en gevraagd (letterlijk vertaald) : "Ga we stelen"? NN- vrouw antwoordt: "Morgen om 10 of 11".

Voor een volledig overzicht van de telefonische contacten die duiden op het bestaan van een criminele organisatie en aanwijzingen bevatten voor het criminele oogmerk van de organisatie volstaat de rechtbank op deze plaats met verwijzing naar de paragrafen 4.9.1. tot en met 4.9.11 van zaaksdossier 37.

Werkauto’s en katvangers

Bij de inbraken en insluipingen is gebruik gemaakt van verschillende voertuigen, zogenoemde ‘werkauto’s’ die in ruil voor geld of cocaïne op naam van katvangers werden gezet. Dit waren vaak personen die in een afhankelijkheidsrelatie stonden tot de dadergroep, zoals veelplegers, drugsverslaafden en alcoholisten. De katvangers werden ook vaak gebruikt om geld te pinnen met de gestolen bankpassen. Een aantal van deze ‘katvangers’ waaronder [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4], heeft bij de politie voor de verdachten belastende verklaringen afgelegd. Verder heeft een medewerkster van het postkantoor verklaard dat een aantal verdachten op het postkantoor komt om tegen betaling kentekens op naam van katvangers te zetten. Ook hadden de verdachten zelf vaak kortdurend meer kentekens op naam staan, waarvan de eigendom niet uit (toereikende) legale inkomstenbronnen kan worden verklaard.

Gebruik van portofoons en valse identiteiten

Er werd bij het plegen van de inbraken en insluipingen een opvallend gebruik gemaakt van portofoons, vaak van het merk Alecto. Deze portofoons zijn bij aanhoudingen en controles veelvuldig aangetroffen in de auto van de verdachten. Het is een feit van algemene bekendheid dat, in tegenstelling tot mobiele telefoons, portofoons niet kunnen worden getapt of getraceerd. Ook maakten leden van de dadergroep regelmatig gebruik van rekwisieten (mutsen, sjaals, brillen etcetera) en werd er met valse identiteiten gewerkt.

Inleveren sieraden:

Uit de verstrekte registratielijsten van firma [bedrijf] in Enschede blijkt dat in de periode van 1 januari 2011 tot 16 mei 2013 voor een bedrag van ongeveer € 328.000,-- aan (gouden) sieraden is ingeleverd door de leden van de Ginaf-groep dan wel hun familieleden of katvangers. Uit de administratie van Cash Converters in Enschede blijkt dat Cash Converters in de periode van 16 januari 2012 tot 30 juli 2013 na belening van met name sieraden voor een bedrag van € 55.722,01 aan de Ginaf groep heeft betaald. De medewerkers van firma [bedrijf] en Cash Converters bevestigen dat de verdachten op grote schaal sieraden inleverden.

Leden van het georganiseerd verband en rolverdeling

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een georganiseerd verband tussen

de verdachten. Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer gedurende langere tijd en structureel zijn eigen rol.

Duurzaamheid

Het georganiseerd verband was duurzaam van aard nu deze dadergroep zich - in ieder geval - gedurende de ten laste gelegde periode op de hierboven omschreven wijze bij herhaling heeft schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstallen en gewoontewitwassen.

Rol van verdachte

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang en in verband bezien met de overige bewijsmiddelen zoals vermeld in dit vonnis, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 heeft deelgenomen aan de hiervoor omschreven criminele organisatie.

Verdachte heeft een aandeel gehad en gedragingen ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de criminele organisatie. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte binnen de criminele organisatie een ondersteunende rol heeft vervuld. Met deze handelingen heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 in de gemeente Enschede, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, -geldbedragen (in totaal een bedrag van ongeveer € 58.480,41), en

-sieraden en goud en zilver en munten en

-personenauto’s,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen en sieraden en goud, en zilver en munten en personenauto’s – onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [verdachte 1]. en [verdachte 5] en [verdachte 4] en [verdachte 2] en [verdachte 6] en [verdachte 7] en [verdachte 8] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- gekwalificeerde diefstallen zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht, en

- gewoontewitwassen zoals bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 140 en 420ter Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

het misdrijf: gewoontewitwassen

Feit 2:

het misdrijf: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft gedurende een periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 een actieve rol gespeeld in een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen en (gewoonte)witwassen. Verdachte had een ondersteunende positie in deze organisatie door onder meer op grote schaal gestolen sieraden, goud, zilver en munten wit te wassen en de organisatie te faciliteren met zogenaamde “werkauto’s”. Andere leden van dezelfde criminele organisatie maakten zich schuldig aan (gekwalificeerde) diefstallen, waarbij door middel van zogenaamde babbeltrucs, insluipingen en inbraken, bij bejaarde mensen sieraden, contant geld en bankpassen werden buit gemaakt. Nadat op doortrapte wijze de bijbehorende pincode was ontfutseld, werd met de gestolen bankpassen geld opgenomen. De gestolen sieraden en munten werden op grote schaal ingeleverd bij goudinkopers, onder andere door verdachte. Zo is er in totaal voor een bedrag van ongeveer € 328.000,- aan sieraden en munten witgewassen. Er was sprake van een omvangrijke criminele organisatie die zich gedurende lange tijd, op zeer systematische en professionele wijze, bezig hield met (gekwalificeerde) diefstallen en witwassen.

Door aldus te handelen, hebben verdachte en zijn medeverdachten het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens ernstig geschaad. De rechtbank rekent de verdachte en zijn medeverdachten deze lafhartige werkwijze ernstig aan, temeer daar de slachtoffers in veel gevallen zelfstandig wonende (hoog)bejaarde mensen waren. Zij maakten derhalve deel uit van een naar zijn aard kwetsbare groep, hetgeen ook verdachte bekend moet zijn. Dit soort feiten brengt, naast financiële schade en het gemis van sieraden met een grote emotionele waarde, ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee.

Door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht worden weliswaar oriëntatiepunten gehanteerd voor diefstallen, maar nu verdachte in het kader van een georganiseerd verband heeft gehandeld spelen deze oriëntatiepunten geen rol. De rechtbank zal de strafoplegging in soortgelijke zaken bij haar overwegingen betrekken.

Gelet op de ernst van de feiten, de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie en de periode waarin hij zich aan de strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

Gelet echter op de jonge leeftijd van verdachte en het relatief gering aantal veroordelingen tot dusverre, zal de rechtbank teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen, deze straf deels voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaar en met aftrek van voorarrest passend is.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal de in beslag genomen en nog niet teruggegeven auto’s verbeurd verklaren, nu met behulp van deze voorwerpen het feit is begaan of voorbereid. De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter zitting is gebleken.

Nu het belang van strafvordering zich daar niet meer tegen verzet, gelast de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven gebreide muts en een navigatiesysteem aan verdachte.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair:

het misdrijf: gewoontewitwassen

Feit 2:

het misdrijf: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

  • -

    verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten;

  • -

    Mercedes-Benz Cls500 2006, met kenteken [kenteken 1]

  • -

    BMW 3er reihe 328i 1998, met kenteken 43-LL-JZ

  • -

    gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven gebreide muts en een navigatiesysteem.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. E. Venekatte en

mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2014.