Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5253

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
08/900027-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:8983, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt zeven leden van een criminele organisatie tot celstraffen van twee tot vier jaar. De groep pleegde allerlei diefstallen, vooral door met babbeltrucs pinpassen, sieraden en contant geld afhandig te maken van (hoog)bejaarde slachtoffers. Er is voor bijna 400.000 euro aan gestolen sieraden witgewassen bij goudinkopers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/900027-12

Datum vonnis: 3 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 8],

geboren op [geboortedatum 1] 1991 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 mei 2014 en 2 september 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mevrouw mr. M.M. Brunsveld en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. N.J.H. Lina, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam

en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen

en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen

tot de afgifte van een pinpas en/of een pincode, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte en/of haar mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid zich voorgedaan als een medewerker van woningbouwvereniging Alliantie en/of (vervolgens) ten overstaan met die [slachtoffer 1] heeft gebeld met het

"kantoor" en in dat gesprek meegedeeld dat de lekkage nu echt moest worden

verholpen en/of aan die [slachtoffer 1] meegedeeld dat hij een rekening zou

krijgen voor de reparatiewerkzaamheden en dat zij daarvoor het bankrekeningnummer of gironummer nodig hadden en/of dat woningbouwvereniging Alliantie dan de kosten terug zou storten en/of aan die [slachtoffer 1] een briefje heeft/hebben overhandigd waarop was vermeld wanneer de reparaties zouden plaatsvinden, waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Oosterbeek tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of haar mededader(s);

3.

zij op of omstreeks 23 oktober 2012 te Schiedam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een of meer siera(a)d(en) en/of zonnebril(len,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 23 oktober 2012 te gemeente Schiedam, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer siera(a)d(en) en/of zonnebril(len) heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die siera(a)d(en) en/of

zonnebril(len) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

4.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 17 juni 2013 in

de gemeente Enschede en/of elders in Nederland en/of Duitsland heeft

deelgenomen aan een organisatie bestaande onder meer uit [verdachte 1]. en/of

[verdachte 3]. en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 4]

en/of [verdachte 7], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven, namelijk

- gekwalificeerde diefstal zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van

Strafrecht, en/of

- gewoontewitwassen en/of witwassen zoals bedoeld in (de) artikel(en) 420ter

en/of 420bis Wetboek van Strafrecht;

5.

zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1

januari 2011 tot en met 16 juni 2013, in de gemeente Enschede, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers

heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s)

- een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 6.477 euro, althans enig

geldbedrag), en/of

- een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat

geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, gebruik

gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven

geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1

januari 2011 tot en met 16 juni 2013, in de gemeente Enschede, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 6.477 euro, althans enig

geldbedrag), en/of

- een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten,

heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans

van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of

munten, gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat

bovenomschreven geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of

munten - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen acht, gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Daarnaast heeft zij toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderd tot een bedrag van € 150,- elk, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd - overeenkomstig de inhoud van het aan de rechtbank overgelegde schriftelijk requisitoir - verdachte te veroordelen ter zake het onder

1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich - overeenkomstig de inhoud van de door haar

aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota - op het standpunt gesteld dat verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Feiten 1 en 2: diefstallen in Almere en Oosterbeek

Gelet op de samenhang zal de rechtbank deze feiten gezamenlijk bespreken.

Volgens de officier van justitie kunnen de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde diefstallen in vereniging, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte zich in Almere of Oosterbeek schuldig heeft gemaakt aan diefstal of oplichting, al dan niet in vereniging gepleegd. Verdachte moet daarom integraal worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich samen met anderen te Almere en Oosterbeek schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een pinpas.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Almere

Aangever [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 1920, heeft verklaard dat er op 1 oktober 2012 omstreeks 13.00 uur bij zijn woning in Almere is aangebeld. Als aangever de deur opent, ziet hij een man, die vertelt dat hij van woningbouwvereniging Alliantie is. De man vraagt of de buren wel eens overlast veroorzaken. Aangever antwoordt ontkennend, maar vertelt dat hij wel al enige tijd last heeft van lekkage in de schuur. Daarop loopt hij samen met de man, via de woonkamer naar de schuur. De man pakt zijn mobiele telefoon en belt naar het lijkt “met kantoor”. Hij zegt aangever dat de lekkage die week nog gerepareerd zal worden. Opeens komt er een vrouw binnen die “oh ben je hier” tegen de man zegt. Als de vrouw aangever in verband met het terugstorten van de reparatiekosten vraagt om zijn bank- of gironummer, overhandigt aangever haar zijn bankpas. De volgende dag bemerkt aangever dat hij zijn bankpas kwijt is. Navraag bij de ING-bank wijst uit dat bij pinautomaten in Nederland en Duitsland in totaal € 3.000,- van zijn rekening is afgeschreven.

Getuige [getuige 1] bevestigt de lezing van aangever op onderdelen en heeft tussen 13.30 en 14.00 uur twee meisjes uit de woning van aangever zien komen. Hij zag dat de meisjes in de portiek van zijn voordeur gingen staan en na ongeveer 1 minuut weer naar de woning van aangever renden en naar binnen gingen. Na een paar minuten kwam één van de meisjes samen met een man uit de woning en stapten beiden in een Mazda. De getuige beschrijft de man als een man met een normaal postuur van 1.90 meter lang, met zwart lang haar en 30-40 jaar oud. De man droeg volgens de getuige een lange zwarte leren jas tot over de knie. De meisjes waren volgens de getuige ongeveer 18 jaar oud, 1.70 meter lang en hadden een smal postuur. Ze droegen allebei een witte broek en een zwarte jas.

Oosterbeek

Aangever [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 1926, heeft verklaard dat op 1 oktober 2012, omstreeks 21.30 uur de verlichting rondom zijn woning in Oosterbeek aan ging en hij een man in zijn tuin zag lopen. De man vertelde dat zijn auto zonder benzine stond en vroeg aangever of hij even van zijn telefoon gebruik mocht maken. Daarop liep aangever met de man via de garage zijn woning in. De man bleef vervolgens in de werkkamer van de aangever achter om te bellen. Kort daarna werd er aangebeld door een vrouw die zich voorstelde als de dochter van de man. Ze vertelde dat ze Italiaans sprak en een handigheidje wist om cijfercombinaties te houden. Daarop vroeg ze aangever naar zijn pincode. Toen aangever haar de code liet zien, schreef zij deze op en schreef ze boven de getallen allerlei tekens. Nadat de man opnieuw de woonkamer in kwam lopen en zei ‘het is gelukt’, verliet het stel haastig de woning. Later op de avond kreeg aangever het vermoeden dat er iets niet pluis was en bleek zijn bankpas te zijn verdwenen. Als aangever contact opneemt met de ING-bank blijkt er een bedrag van € 1.750,- van zijn rekening te zijn afgeschreven.

De verklaring van aangever wordt in grote lijnen ondersteund door een buurman die heeft verklaard dat hij die dag omstreeks 21.35 uur een auto hoorde stoppen en een man heeft zien lopen in de tuin van aangever. Omstreeks 22:10 is hij naar de betreffende auto gelopen en heeft hij het kenteken , [kenteken], genoteerd. Even later zag deze buurman een man en daarachter twee personen richting de groene auto lopen. Omdat ze klein van stuk waren dacht de buurman dat de twee personen kinderen waren. Uit camerabeelden van de Faberstraat in Enschede van die ochtend blijkt dat een persoon die voldoet aan het signalement van [verdachte 1]. in een auto met dat kenteken wegreed.

Om 16:52 uur wordt er die dag met de gestolen bankpas uit Almere geld opgenomen in Amsterdam en om 19:10 uur in Maarssen. Later die avond wordt met de in Oosterbeek gestolen pas om 22.26 uur geld opgenomen bij de ING-bank en om 22.28 uur bij de Rabobank in het nabijgelegen Doorwerth. Vervolgens is met de gestolen bankpas uit Almere om respectievelijk 23:05 bij de Sparkasse en om 23:17 uur bij de Volksbank in Kranenburg/Kleve gepind. Met de gestolen bankpas uit Oosterbeek is om respectievelijk 23:07 uur geld opgenomen bij de Sparkasse en om 23:18 uur bij de Volksbank in Kranenburg/Kleve. Aansluitend is op 2 oktober 2012 om 00:08 uur bij de ING-bank aan de Van Schevichavenstraat in Nijmegen en om 00:12 uur bij de Rabobank aan het Keizer Karelplein in Nijmegen opnieuw met de in Almere gestolen pas geld opgenomen.

Uit peilbakengegevens blijkt dat de telefoon van [verdachte 1]. met nummer [nummer] op 1 oktober 2012 rond 10.50 uur vanuit Enschede naar Almere is gereden en op de door aangevers genoemde tijdstippen nabij de plaatsen delict in Almere en Oosterbeek is geweest als ook nabij de geldautomaten in Amsterdam, Maarssen en Doorwerth waar met de gestolen bankpassen geld is opgenomen.

De betrokkenheid van verdachte, [verdachte 1]. en [verdachte 7] bij de diefstal van een bankpas in Almere en in Oosterbeek, blijkt naar het oordeel van de rechtbank, in onderling verband en samenhang bezien, uit de aangiftes en getuigenverklaringen, cameraobservatie, peilbakengegevens en informatie over pintransacties in Nederland en Duitsland, alsook uit de inhoud van de tapgesprekken.

Zo is op camerabeelden van de Faberstraat in Enschede te zien dat [verdachte 1]. daar op

1 oktober 2012 om 10:50 uur in een Opel Vectra komt aanrijden. Hij wordt door het observatieteam omschreven als een man met zwart haar en een fors postuur. Hij draagt op dat moment een zwarte lange jas, een donkere broek en donkere schoenen. [verdachte 1] steekt de Faberstraat over en loopt richting de Steenweg. Om 10.55 uur zien verbalisanten een auto van het merk Mazda met kenteken [kenteken] de Steenweg uitrijden en de Faberstraat inslaan. De vorm van het gezicht en de mondhoek van de bestuurder van de Mazda vertonen grote overeenkomsten met die van [verdachte 1].

De betrokkenheid van verdachte en de medeverdachten [verdachte 1]. en [verdachte 7] bij de diefstallen leidt de rechtbank voorts af uit de inhoud van de tapgesprekken. Zo belt [verdachte 7] (roepnaam: [roepnaam verdachte 7]) op 1 oktober 2012 om 11.43 uur met verdachte (roepnaam: [roepnaam verdachte 8]) en vraagt haar "kun je van mamma datgene meenemen waar je mee kan praten."

Niet lang daarna, om 11.50 uur, belt [verdachte 1] naar het telefoontoestel van [verdachte 4], de moeder van verdachte en zegt tegen haar (kennelijk neemt verdachte de telefoon op) dat verdachte naar buiten moet komen. Vervolgens rijdt de auto van [verdachte 1] naar Almere, zo blijkt uit mastgegevens. Om 12.48 belt verdachte met haar oma [naam 1] en om respectievelijk 18.05, 19:53, 20:04 en 21:29 uur belt haar echtgenoot [naam 2] (fonetisch) met verdachte.

Nu uit voornoemde gesprekken niet blijkt dat er sinds het vertrek uit Enschede iemand is bijgekomen of is weggegaan en zowel in Almere als in Oosterbeek samen met een man ‘twee meisjes of jonge vrouwen’ zijn gezien, is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [verdachte 1]. en [verdachte 7] schuldig heeft gemaakt aan de hierboven besproken diefstallen van bankpassen in Almere en in Oosterbeek. Uit de inhoud van de tapgesprekken, waarin zowel verdachte als haar medeverdachten in sluiertaal spreken, blijkt voorts dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van het plegen van de strafbare feiten.

De rechtbank heeft ook in haar overwegingen betrokken dat verdachte en haar medeverdachten er kennelijk voor gekozen hebben om voor de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, naar het oordeel van de rechtbank redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven.

Feit 3 primair: diefstal (Schiedam)

Volgens de officier van justitie kan de onder 3 primair ten laste gelegde diefstal in vereniging, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal of aan heling, al dan niet in vereniging. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 3 primair ten laste gelegde diefstal in vereniging.

De rechtbank neemt hierbij als uitgangspunt de aangifte van mevrouw [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 4] 1928, waaruit blijkt dat er op 23 oktober 2012 omstreeks 19.45 uur bij haar woning is aangebeld. Als zij de deur opent ziet zij een man, die zichzelf introduceert als “recherche”, achter de man staat op de trap nog een vrouw. De man overhandigt haar papieren en vraagt haar of ze even mee wil komen omdat er schade aan haar auto zou zijn. Aangeefster loopt met de man mee. Eenmaal buiten ziet ze dat haar auto inderdaad schade heeft. Ook ziet ze de vrouw, die ze eerder op de trap heeft gezien, weer langs lopen. Kort daarop rondt de “man van de recherche” het gesprek af. Zodra aangeefster weer in haar woning is, bemerkt ze dat de gouden sieraden, die ze die dag om had, niet meer in het schaaltje in de keuken liggen. Ook zijn dure zonnebrillen en kleding verdwenen. Nadat aangeefster de politie heeft gebeld en verbalisanten bij haar in de woning zijn gearriveerd, wordt via de intercom aangebeld. Als een verbalisant naar beneden gaat ziet hij een man die qua signalement lijkt op de man die aangeefster eerder heeft beschreven. De man gaat ervandoor en rijdt weg in een donkere auto, naar later blijkt een Volvo.

Na een achtervolging door een motoragent, waarbij ook geschoten wordt, raakt de Volvo beschadigd en wordt [verdachte 1]. nabij een tankstation aangehouden. In de auto worden goederen aangetroffen die door aangeefster worden herkend als haar eigendom.

Ook wordt een kladblok in de auto aangetroffen waarop de doordruk te zien is van een tekst bestaande uit onder meer het kenteken van de auto van het slachtoffer. Even later worden ook twee vrouwelijke verdachten aangehouden die zich, na uit de gecrashte Volvo gevlucht te zijn, in de auto van een klant van het tankstation hebben verstopt. Naar later blijkt zijn dit verdachte en medeverdachte [naam 3].

De lezing van aangeefster wordt in hoofdlijnen ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2], een overbuurman van aangeefster. De getuige heeft die dag vier personen uit een auto zien stappen. Het zou gaan om een man, een vrouw en twee kinderen. De man schreef iets op een stuk papier. Een kwartier later ziet de getuige de man terugkomen met een vrouw die hij herkent als zijn overbuurvrouw. De man wijst naar de achterkant van haar auto en zegt “dat de hele kant gespoten moet worden”. De getuige ziet een van de kinderen naar de man lopen en iets tegen hem zeggen. De man wijst naar de zwarte auto. Daarop pakt het kind een zwarte handschoen uit de auto en maakt het handvat van de bijrijdersdeur van aangeefsters auto schoon. Vervolgens komen de vrouw en het andere kind aanlopen. De vrouw heeft een tas in haar hand. De man en het kind stappen in de auto en rijden weg. Ze stoppen even kort om de vrouw en het andere kind te laten instappen.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de getuigenverklaring ondeugdelijk is nu hij spreekt over een man, vrouw en ‘twee kinderen’, overweegt de rechtbank dat uit het dossier

genoegzaam blijkt dat verdachte en [naam 3] kleine en tengere vrouwen zijn die gemakkelijk veel jonger kunnen worden ingeschat, zodat het gegeven dat zij door de getuige als ‘kinderen’ worden omschreven niet aan een bewezenverklaring in de weg staat.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande, en meer in het bijzonder gelet op het korte tijdsbestek tussen de diefstal en de aanhouding van de verdachten na een wilde achtervolging, de verklaringen van de getuigen en de in de Volvo aangetroffen voorwerpen - te weten het kladblok met doordruk, de zwarte handschoen en de van aangeefster gestolen goederen - dat verdachte zich samen met [naam 3] en [verdachte 1]., schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal.

De rechtbank heeft daarbij ook in haar overwegingen betrokken dat verdachte en zijn medeverdachten er kennelijk voor gekozen hebben om voor de hierboven beschreven feiten en omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, naar het oordeel van de rechtbank redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven.

Feit 4: deelneming aan een criminele organisatie

Juridisch kader

Van een organisatie is sprake bij een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één andere persoon. Om te kunnen vaststellen of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient de rechtbank derhalve te bezien of sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeerden.

Vast moet komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft,

waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn. Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel.

Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen ondersteunen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Wetenschap of een andere vorm van opzet ten aanzien van één of meer concrete misdrijven is niet noodzakelijk.

Niet is vereist dat vast komt te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Uit de jurisprudentie betreffende de Hofstad-groep (HR 2 februari 2010, LJN BK 5193) volgt dat ook in geval niet is gebleken van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een bepaalde hiërarchie en een daaruit voortvloeiende druk om zich aan de regels te houden, sprake kan zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr.

Bij de beoordeling van de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een criminele organisatie en of verdachte daaraan heeft deelgenomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Aanleiding

In 2011 is door verschillende politieregio’s onderzoek gedaan naar een mogelijke criminele organisatie die, in wisselende samenstellingen, verantwoordelijk zou zijn voor inbraken en insluipingen bij ouderen door middel van een babbeltruc. Deze inbraken en insluipingen vonden plaats in Nederland, Duitsland en België. Naar dit samenwerkingsverband is een grootschalig opsporingsonderzoek ingesteld, genaamd Ginaf. Tijdens het Ginaf-onderzoek zijn telefoongesprekken, gevoerd via de telefoons van meerdere personen, afgeluisterd en opgenomen. Verder zijn de mastgegevens van de telefoons van de verdachten in kaart gebracht. Ook zijn camera-observaties uitgevoerd en zijn camerabeelden uitgekeken van camera’s gericht op geldautomaten. Ook zijn getuigen, waaronder katvangers, goudinkopers en medewerkers van Cash Converters, gehoord.

Handelwijze organisatie

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen een groep personen met een zekere organisatiegraad, waarbij de organisatie en daarmee verdachte en anderen zowel (gekwalificeerde) diefstallen als gewoontewitwassen tot oogmerk hadden. Er was steeds sprake van dezelfde werkwijze, namelijk het aanspreken en afleiden van de slachtoffers, terwijl een ander of anderen de woning doorzocht(en). Was er niemand thuis dan werd er ingebroken. De buit bestond voornamelijk uit contant geld, bankpasjes en sieraden. De slachtoffers werden, als de pincode al niet bij de diefstal zelf was bekend geworden, nadien gebeld om de pincodes van de bankpassen te achterhalen, waarbij de beller zich voordeed als bank- of politiemedewerker. Met de gestolen bankpassen werd vervolgens, al dan niet met behulp van katvangers, geld opgenomen in Nederland en Duitsland, waarbij het opvallend was dat regelmatig dezelfde geldautomaten werden gebruikt. Er waren auto’s beschikbaar om bij de slachtoffers thuis te komen. Deze voertuigen stonden in veel gevallen op naam van andere mensen (katvangers), zodat de voertuigen niet te linken zijn aan de insluipers. Ook werd in de genoemde periode door diverse leden die tot deze groep behoorden grote hoeveelheden uit misdrijf afkomstige (gouden) sieraden en munten verkocht aan onder meer de firma [bedrijf] en beleend bij Cash Converters in Enschede.

Onderlinge contacten en sluiertaal

In de ten laste gelegde periode is gebleken van veelvuldige telefonische contacten tussen de verdachten onderling. De rechtbank constateert dat deze telefonische contacten onder andere betrekking hadden op afspraken omtrent de diefstallen en het gewoontewitwassen. Deze interpretatie is gerechtvaardigd nu vaststaat dat in genoemde telefonische contacten tussen verdachten onderling in versluierde taal werd gesproken. Zo werd er onder meer op 1 oktober 2012 om 11:43:41 uur door [verdachte 7] tegen [verdachte 8] over “kun je van mama datgene meenemen waar je ermee kan praten” gesproken en werd op 2 oktober 2012 om 20:04:36 uur door [verdachte 8] gesproken over “weet je nog dat een nn-vrouw heeft verteld, dat er een hamburger in de la lag, we zijn dat gaan kopen en vonden geen andere hamburgers”, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank - in samenhang met de aangiftes, telecomgegevens, camerabeelden en observaties - duidt op het ophalen van portofoons voorafgaand aan een tweetal insluipingen en op het niet aantreffen van de beoogde buit. De verdachten hebben geen, dan wel geen geloofwaardige alternatieve verklaring gegeven voor dit taalgebruik.

Aannemelijk is dat verdachten in de telefonische contacten willens en wetens verhullende taal hebben gebezigd en daarover kennelijk ook onderling afspraken hebben gemaakt. Zo blijkt bijvoorbeeld uit afgeluisterde telefoongesprekken, weergegeven in zaaksdossier 021, op de pagina’s 5819 e.v. dat [verdachte 1] op de vraag waar hij is zegt: “Ik mag niet zeggen waar ik ben”. Een medeverdachte, die het gesprek overneemt zegt op de herhaalde vraag: “waar ben je”: “Hier buiten, maar ik kan nu niet praten”. Op pagina 5820 zegt [verdachte 1] op de vraag waarom hij de telefoon niet opnam: “omdat ik buiten ben”, en “omdat ik bij de mensen was”. Kennelijk is dit bij leden of gelieerden aan de criminele groepering een voldoende verklaring voor het niet opnemen van de telefoon.

Verder constateert de rechtbank dat in een enkel telefonische contact, kennelijk in strijd met de gemaakte afspraken en/of geldende mores over het verhullend taalgebruik bij telefoongesprekken, ook direct gevraagd wordt of een ander mee gaat stelen. Op 18 september 2012 om 19.47 uur werd door [verdachte 1] gesproken met een NN-vrouw en gevraagd (letterlijk vertaald) : "Ga we stelen"? NN- vrouw antwoordt: "Morgen om 10 of 11".

Voor een volledig overzicht van de telefonische contacten die duiden op het bestaan van een criminele organisatie en aanwijzingen bevatten voor het criminele oogmerk van de organisatie volstaat de rechtbank op deze plaats met verwijzing naar de paragrafen 4.9.1. tot en met 4.9.11 van zaaksdossier 37.

Werkauto’s en katvangers

Bij de inbraken en insluipingen is gebruik gemaakt van verschillende voertuigen, zogenoemde ‘werkauto’s’, die in ruil voor geld of cocaïne op naam van katvangers werden gezet. Dit waren vaak personen die in een afhankelijkheidsrelatie stonden tot de dadergroep, zoals veelplegers, drugsverslaafden en alcoholisten. De katvangers werden ook vaak gebruikt om geld te pinnen met de gestolen bankpassen. Een aantal van deze ‘katvangers’ waaronder [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4], heeft bij de politie voor de verdachten belastende verklaringen afgelegd. Verder heeft een medewerkster van het postkantoor verklaard dat een aantal verdachten op het postkantoor komt om tegen betaling kentekens op naam van katvangers te zetten. Ook hadden de verdachten zelf vaak kortdurend meer kentekens op naam staan, waarvan de eigendom niet uit (toereikende) legale inkomstenbronnen kan worden verklaard.

Gebruik van portofoons en valse identiteiten

Er werd bij het plegen van de inbraken en insluipingen een opvallend gebruik gemaakt van portofoons, vaak van het merk Alecto. Deze portofoons zijn bij aanhoudingen en controles veelvuldig aangetroffen in de auto van de verdachten. Het is een feit van algemene bekendheid dat, in tegenstelling tot mobiele telefoons, portofoons niet kunnen worden getapt of getraceerd. Ook maakten leden van de dadergroep regelmatig gebruik van rekwisieten (mutsen, sjaals, brillen etcetera) en werd er met valse identiteiten gewerkt.

Inleveren sieraden:

Uit de verstrekte registratielijsten van firma [bedrijf] in Enschede blijkt dat in de periode van 1 januari 2011 tot 16 mei 2013 voor een bedrag van ongeveer € 328.000,-- aan (gouden) sieraden is ingeleverd door de leden van de Ginaf-groep dan wel hun familieleden of katvangers. Uit de administratie van Cash Converters in Enschede blijkt dat Cash Converters in de periode van 16 januari 2012 tot 30 juli 2013 na belening van met name sieraden voor een bedrag van € 55.722,01 aan leden van de Ginaf-groep heeft betaald. De medewerkers van firma [bedrijf] en Cash Converters bevestigen dat de verdachten op grote schaal sieraden inleverden.

Leden van het georganiseerd verband en rolverdeling

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een georganiseerd verband tussen

de verdachten. Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer gedurende langere tijd en structureel zijn eigen rol.

Duurzaamheid

Het georganiseerd verband was duurzaam van aard nu deze dadergroep zich - in ieder geval - gedurende de ten laste gelegde periode op de hierboven omschreven wijze bij herhaling heeft schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstallen en gewoontewitwassen.

Rol van verdachte

Verdachte heeft een aandeel gehad en gedragingen ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de criminele organisatie. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte binnen de criminele organisatie een belangrijke/uitvoerende rol heeft vervuld. Dit blijkt onder meer uit de hoeveelheid van haar contacten met medeverdachten en het gegeven dat verdachte een wezenlijke rol had bij het uitvoeren van de babbeltrucs en insluipingen. Met deze handelingen heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

Feit 5: gewoontewitwassen

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte gedurende een periode van 1 januari 2011 tot en met 16 juni 2013 frequent sieraden heeft ingeleverd, die van misdrijf afkomstig zijn, zodat het onder 4 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte een aannemelijk en min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van het ingeleverde goud en de wijze waarop zij die sieraden heeft verkregen en er zich in het dossier geen bewijs bevindt dat haar verklaring weerlegd, zodat verdachte integraal van feit 4 moet worden vrijgesproken.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 juni 2013 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 juni 2013 in totaal 10 keer sieraden, munten, zilver en goud heeft verkocht aan de firma [bedrijf] in Enschede voor een totaalbedrag van

€ 6.477,-. Hoewel zij heeft ontkend dat zij sieraden, munten, zilver en goud heeft ingeleverd, is haar foto herkend door zowel [naam 4] als [naam 5]. Bovendien heeft zij zich daarbij telkens gelegitimeerd met een geldig identiteitsbewijs op haar naam. Verdachte heeft verklaard dat zij destijds voor haar huwelijk met [naam 2] (roepnaam: [naam 2]) sieraden en een geldbedrag als bruidsschat heeft ontvangen. Ook heeft zij verklaard dat zij wel eens een erfenis heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die verdachte heeft gegeven ten aanzien van de herkomst van de sieraden, goud, zilver en munten onvoldoende concreet is. Het enkel stellen dat de sieraden, goud, zilver en munten uit een bruidsschat en een erfenis afkomstig zijn, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat de alternatieven die door de verdediging zijn aangedragen voor de herkomst van de sieraden niet aannemelijk zijn geworden en dat de verklaring van verdachte daarnaast, zo die al aannemelijk zou zijn, niet verifieerbaar is.

Gelet op het feit dat verdachte onderdeel uitmaakt van een groep verdachten die zich in wisselende samenstelling veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan woninginbraken en insluipingen door middel van babbeltrucs, waarbij onder meer geld en sieraden zijn buitgemaakt en het feit dat de rechtbank verdachte ook schuldig acht aan een dergelijk feit, alsmede aan het deel uit maken van die criminele organisatie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel degelijk sieraden heeft ingeleverd waarvan zij wist dat deze afkomstig waren van misdrijf. Zij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan opzetwitwassen. Gelet op de frequentie waarmee verdachte sieraden heeft ingeleverd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank heeft daarbij ook in haar overwegingen betrokken dat verdachte en haar medeverdachten er kennelijk voor gekozen hebben om voor de hierboven beschreven feiten en omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, naar het oordeel van de rechtbank redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte feit 5 tezamen en in vereniging heeft gepleegd en spreekt haar van dit onderdeel vrij.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair.

zij op 1 oktober 2012 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2.

zij op 1 oktober 2012 te Oosterbeek, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 2];

3 primair.

zij op 23 oktober 2012 te Schiedam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en zonnebrillen, toebehorende aan [slachtoffer 3];

4.

zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 17 juni 2013 in Nederland heeft

deelgenomen aan een organisatie bestaande onder meer uit [verdachte 1]. en

[verdachte 3]. en [verdachte 2] en [verdachte 5] en [verdachte 6] en [verdachte 4] en [verdachte 7], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- gekwalificeerde diefstallen zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht, en

- gewoontewitwassen zoals bedoeld in artikel 420terWetboek van Strafrecht;

5 primair.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 juni 2013, in de gemeente Enschede, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers

heeft zij, verdachte

- geldbedragen (in totaal ongeveer 6.477 euro) en

- sieraden en goud en zilver en munten,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl zij wist dat bovenomschreven geldbedragen en sieraden - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 140, 311 en 420ter Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

De feiten 1 primair, 2 en 3 primair

telkens het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

Feit 4:

het misdrijf: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Feit 5 primair:

het misdrijf: gewoontewitwassen.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft gedurende een periode van 1 januari 2011 tot en met 17 juni 2013 een ondersteunende en uitvoerende rol gespeeld in een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen en witwassen. In dat kader heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstallen, waarbij door middel van zogenaamde babbeltrucs, insluipingen en inbraken, bij (hoog) bejaarde mensen sieraden, contant geld en bankpassen werden buitgemaakt. Nadat op doortrapte wijze de bijbehorende pincode was ontfutseld, werd met de gestolen bankpassen geld opgenomen. De gestolen sieraden en munten werden op grote schaal ingeleverd bij goudinkopers. Zo is er in totaal voor een bedrag van ongeveer € 328.000,- aan sieraden en munten ingeleverd bij de firma [bedrijf]. Er was sprake van een omvangrijke criminele organisatie die zich gedurende langere tijd, op zeer systematische en professionele wijze, bezig hield met (gekwalificeerde) diefstallen en (gewoonte)witwassen. Door aldus te handelen, hebben verdachte en haar medeverdachten het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens ernstig geschaad. De rechtbank rekent de verdachte deze lafhartige werkwijze aan, temeer omdat de slachteroffers in veel gevallen zelfstandig wonende (hoog)bejaarde mensen waren. Zij maakten derhalve deel uit van een naar zijn aard kwetsbare groep, die om die reden extra bescherming van het strafrecht verdient. Dit soort feiten brengt, naast financiële schade en het gemis van sieraden, met soms een grote emotionele waarde, ook bij velen gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte had gedurende een langere periode een wezenlijke, ondersteunende en uitvoerende rol in deze organisatie. Door haar optreden heeft verdachte er blijk van gegeven bereid te zijn een substantiële bijdrage te leveren aan de instandhouding van de organisatie. Zij heeft daarbij uit winstbejag gehandeld. Met de criminele activiteiten zijn aanzienlijke geldbedragen verworven door verdachte en haar mededaders.

Door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht worden weliswaar oriëntatiepunten gehanteerd voor diefstallen, maar nu verdachte in het kader van een georganiseerd verband heeft gehandeld spelen deze oriëntatiepunten geen rol bij de beoordeling van de onderhavige feiten. De rechtbank zal de strafoplegging in soortgelijke zaken bij haar overwegingen betrekken.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in verband met vermogensdelicten met justitie in aanraking is geweest. Een en ander rechtvaardigt oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

De rechtbank is, alle voormelde omstandigheden in aanmerking nemende en met name gelet op haar uitvoerende rol in de criminele organisatie, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden is.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De heer [slachtoffer 1], wonende te [adres 1], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende post:

- via een gestolen bankpas opgenomen geld dat niet is uitgekeerd door de verzekering;

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 150,-, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 primair is toegebracht.

9.3

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De heer [slachtoffer 2], wonende te [adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende post:

- via een gestolen bankpas opgenomen geld dat niet is vergoed door de ING-bank.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 150,-, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.4

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

De feiten 1 primair, 2 en 3 primair

telkens het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

Feit 4:

het misdrijf: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Feit 5 primair:

het misdrijf: gewoontewitwassen.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 150,- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2012) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 150,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 2 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 150,- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2012) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 150,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 2 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. dr. E. Venekatte en

mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2014.