Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5235

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
08/900013-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:8979, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt zeven leden van een criminele organisatie tot celstraffen van twee tot vier jaar. De groep pleegde allerlei diefstallen, vooral door met babbeltrucs pinpassen, sieraden en contant geld afhandig te maken van (hoog)bejaarde slachtoffers. Er is voor bijna 400.000 euro aan gestolen sieraden witgewassen bij goudinkopers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/900013-12

Datum vonnis: 3 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 5],

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] (Hongarije),

wonende in [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

1 april 2014 en 3 september 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mevrouw mr. M.M. Brunsveld en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer verschillende tijdstipppen in of omstreeks de periode van 1

januari 2011 tot en met 22 augustus 2013, in de gemeente Enschede, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben

zij, verdachte en/of een van haar mededaders,

- één of meer geldbedrag(en) (in totaal een bedrag van ongeveer 17.566,98,

althans enig geldbedrag), en/of

- een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat

geldbedrag(en) en/of sieraden, gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar

mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of sieraden en/of

goud en/of zilver en/of munten -onmiddelijk of middelijk- afkomstig was/waren

uit enig misdrijf;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1

januari 2011 tot en met 22 augustus 2013, in de gemeente Enschede, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens)

- één of meer geldbedrag(en) (in totaal een bedrag van ongeveer 17.566,98,

althans enig geldbedrag), en/of

- een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten,

heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben

overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden

en/of goud en/of zilver en/of munten gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij

en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of

sieraden -onmiddelijk of middelijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.

zij op of omstreeks 15 december 2012 te Antwerpen (België) tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 5.000 euro, in elk geval enig

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

haar mededader(s);

3.

zij in of omstreeks 1 januari 2011 tot en met 22 augustus 2013 in de gemeente

Enschede en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of België, heeft

deelgenomen aan een organisatie, bestaande onder meer uit [verdachte 2]

en/of [verdachte 1]. en/of [verdachte 3]. en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5]

en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 8] en/of een of meer

ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven,

namelijk:

- gekwalificeerde diefstal zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van

Strafrecht, en/of

- gewoontewitwassen en/of witwassen zoals bedoeld in (de) artikel(en) 420ter

en/of 420bis Wetboek van Strafrecht.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.

4 De voorvragen

4.1

De geldigheid van de dagvaarding

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de dagvaarding partieel nietig is wat betreft een geldbedrag van € 500,-- dat valt onder feit 1 onder het eerste gedachtestreepje. Het aldaar genoemde bedrag van € 17.566,98 bestaat kennelijk uit het bedrag van € 17.066,98 dat uit de administratie van firma [bedrijf] is te herleiden en een voor de verdediging niet te achterhalen bedrag van € 500,--. Het is de verdediging niet duidelijk waar het bedrag van

€ 500,-- op ziet, met partiële nietigheid tot gevolg.

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over dit verweer.

De overwegingen van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding wat betreft het geldbedrag dat is genoemd in feit 1 onder het eerste gedachtestreepje voldoende duidelijk, zeker als dit wordt gelezen in samenhang met het dossier. Uit het dossier volgt op welke geldbedragen, ontvangen door verdachte na verkoop/belening van goud, de tenlastelegging betrekking heeft. Naast het totaalbedrag van verkopen bij de firma [bedrijf] is er sprake van een bedrag van € 500,00 dat betrekking heeft op verkoop/belening bij de firma “Cash Converters”. Verdachte is hiermee tijdens haar verhoren geconfronteerd en in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Verdachte heeft op vragen en opmerkingen, die hierop betrekking hadden steeds een concreet antwoord gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich heeft kunnen verweren tegen de tegen haar geuite beschuldigingen en dat zij tevens heeft begrepen waarop gedoeld werd. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

Ook overigens zijn er geen gronden de dagvaarding nietig te achten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Feit 1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte gedurende de periode van 1 januari 2011 tot en met 22 augustus 2013 frequent sieraden heeft ingeleverd, die van misdrijf afkomstig zijn, zodat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte een aannemelijke en min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van het ingeleverde goud en de wijze waarop zij die sieraden heeft verkregen en dat zich in het dossier geen bewijs bevindt dat haar verklaring weerlegd, zodat verdachte integraal van dit feit moet worden vrijgesproken.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2011 tot en met 22 augustus 2013 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 22 augustus 2013 in totaal 25 keer sieraden, munten, zilver en/of goud heeft verkocht aan de firma [bedrijf] dan wel beleend bij Cash Converters in Enschede voor een totaalbedrag van € 17.566,98. Verdachte heeft erkend dat zij deze sieraden, munten, alsmede dit goud en zilver heeft ingeleverd, omdat zij geld nodig had om haar en haar gezin te kunnen onderhouden en dat het zou kunnen dat zij daar in die jaren een dergelijk geldbedrag voor heeft ontvangen. Zij heeft zich daarbij telkens gelegitimeerd. Zij heeft met betrekking tot de herkomst van sieraden, goud, zilver en munten verklaard dat zij deze, evenals een geldbedrag, destijds voor haar huwelijk met medeverdachte [verdachte 1]. als bruidsschat heeft ontvangen en dat deze sieraden, tezamen met het geldbedrag, toentertijd een waarde omvatten van 20 à 30 duizend gulden. Ook heeft zij verklaard dat zij uit enkele erfenissen sieraden heeft ontvangen, die zij ook heeft verkocht. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die verdachte heeft gegeven ten aanzien van de herkomst van sieraden, goud, zilver en munten onvoldoende concreet is. Het enkel stellen dat sieraden, goud, zilver en munten uit een bruidsschat en erfenissen afkomstig zijn, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat de alternatieven die door de verdediging zijn aangedragen voor de herkomst van de sieraden niet aannemelijk zijn geworden en dat de verklaring van verdachte daarnaast, zo die al aannemelijk zou zijn, niet verifieerbaar is. Gelet op het feit dat verdachte onderdeel uitmaakt van een groep verdachten die zich in wisselende samenstelling veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan woninginbraken en insluipingen door middel van babbeltrucs, waarbij onder meer geld, gouden en zilveren sieraden en munten zijn buitgemaakt en het feit dat de rechtbank verdachte ook schuldig acht aan een dergelijk feit, alsmede aan het deel uitmaken van die criminele organisatie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de door haar aangeboden sieraden, goud, zilver en munten van misdrijf afkomstig waren. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan opzetwitwassen. Gelet op de frequentie waarmee verdachte sieraden heeft ingeleverd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd en spreekt haar van laatstgenoemd bestanddeel vrij.

5.2

Feit 2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gesteld dat, op grond van de aangifte, de beelden, de herkenning door de verbalisanten en de modus operandi, het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte van het feit moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw voert daartoe aan dat geen sprake is van een ondubbelzinnige herkenning van verdachte door de verbalisanten en dat bij hen mogelijk sprake is geweest van een verwachtingseffect (vgl. ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ6154).

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op

15 december 2012 in Antwerpen samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 15 december 2012 is mevrouw [slachtoffer 1], aangeefster, omstreeks 14.30 uur aan de [adres] in Antwerpen aangesproken door een vrouw met een grote bril met zwart montuur, grijze kleding en een grijze sjaal en muts. De vrouw zegt dat zij een enquête komt afnemen voor 65-plussers. Aangeefster heeft de vrouw binnengelaten. Op een gegeven moment komt er een tweede vrouw het pand binnenlopen. De vrouw met de bril zegt dat het een collega van haar is. Beide dames vragen aangeefster telkens naar de kasregisters die achterin de ruimte staan. Van de twee vrouwen en een man zijn beeldopnamen gemaakt door de beveiligingscamera’s zowel binnen als buiten het pand aan de [adres] in Antwerpen. Aangeefster heeft op de camerabeelden gezien dat een derde persoon, een man, het pand via de voordeur betreedt. Nadien blijkt uit een kistje op de eerste verdieping een bedrag van € 5.000,00 te zijn gestolen. Door de politie Antwerpen is naar aanleiding van deze diefstal op 14 mei 2013 een aandachtsvestiging opgesteld, waarin de toedracht van het feit word beschreven en waarin vier foto’s zijn opgenomen van de drie verdachten, afkomstig van de ter plaatse gemaakte beeldopnamen. Op 3 juni 2013 heeft verbalisant Lamberts, deel uitmakend van het onderzoeksteam Ginaf, de aandachtsvestiging onder ogen gekregen en aan de hand van de daarin opgenomen foto’s twee van de drie daders onmiskenbaar herkend als [verdachte 5], zijnde verdachte en [verdachte 2], zijnde de medeverdachte. Hij heeft verdachte herkend vanwege haar gelijkenis met de politiefoto’s die binnen het Ginaf-team van haar bekend zijn. Op 3 juni 2013 hebben verbalisanten Van Rijs en Westerdijk eveneens de aandachtsvestiging van de Belgische politie onder ogen gekregen. Zij hebben daarop contact opgenomen met de Belgische politie, die hen in het bezit heeft gesteld van alle foto’s die van het incident beschikbaar waren. Aan de hand van die foto’s herkennen beide verbalisanten zonder twijfel de vrouw zonder bril als [verdachte 5], zijnde verdachte. Zij merken daarbij op dat zij meerdere dagen met haar in politieverhoor zijn geweest.

De rechtbank stelt voorop, dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen van foto- en beeldmateriaal, en de bewijskracht daarvan. De rechtbank stelt in dit geval vast dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de gemotiveerde verklaringen van de verbalisanten, die hebben verklaard verdachte te herkennen op de fotoprints als één van de daders van de babbeltruc. De verbalisanten hebben verdachte niet alleen herkend, maar ook medegedeeld op basis waarvan zij verdachte (her)kennen. De rechtbank kan slechts beoordelen of een dergelijke herkenning in redelijkheid mogelijk is. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank heeft hierbij de duidelijkheid en helderheid van de prints van de camerabeelden in aanmerking genomen en meer in het bijzonder achtgeslagen op de weergave van de persoon die staat afgebeeld op de prints van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden. De rechtbank overweegt dat de vrouw zonder bril op een aantal foto’s van korte afstand recht in haar gezicht en van opzij in beeld is gebracht. Op basis daarvan acht de rechtbank het zeer wel mogelijk dat iemand die deze persoon kent, haar van deze beelden herkent. De rechtbank is van oordeel dat de situatie, zoals die zich voordeed in de zaak die heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Amsterdam, zoals door de raadsvrouw in haar pleidooi aangehaald, hier niet aan de orde is. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw. Het voorgaande maakt dat de rechtbank waarde hecht aan de inhoud van het relaas van de verbalisanten en dat zij dit voor het bewijs zal gebruiken. Daarnaast is de rechtbank op grond van de eigen waarneming van de zich in het dossier bevindende “stills” van de camerabeelden van oordeel dat deze verbalisanten hun conclusie op basis van deze beelden hebben kunnen trekken. Voorts is zij ook op basis van de eigen waarneming van deze “stills” van de camerabeelden in samenhang bezien met de zich in het dossier bevindende foto van verdachte uit de politiedocumentatie van oordeel dat het in beide gevallen dezelfde persoon betreft. De rechtbank acht het feit gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen.

5.3

Feit 3

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

De verdediging heeft bepleit dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat er sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, noch dat verdachte tot het samenwerkingsverband zou behoren en dat zij wetenschap had dat er misdrijven zouden worden gepleegd.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Juridisch kader

Van een organisatie is sprake bij een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één andere persoon. Om te kunnen vaststellen of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient de rechtbank derhalve te bezien of sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeerden.

Vast moet komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft,

waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn. Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel.

Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen ondersteunen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Wetenschap of een andere vorm van opzet ten aanzien van één of meer concrete misdrijven is niet noodzakelijk.

Niet is vereist dat vast komt te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Uit de jurisprudentie betreffende de Hofstad-groep (HR 2 februari 2010, LJN BK 5193) volgt dat ook in geval niet is gebleken van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een bepaalde hiërarchie en een daaruit voortvloeiende druk om zich aan de regels te houden, sprake kan zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr.

Bij de beoordeling van de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een criminele organisatie en of verdachte daaraan heeft deelgenomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Aanleiding

In 2011 is door verschillende politieregio’s onderzoek gedaan naar een mogelijke criminele organisatie die, in wisselende samenstellingen, verantwoordelijk zou zijn voor inbraken en insluipingen bij ouderen door middel van een babbeltruc. Deze inbraken en insluipingen vonden plaats in Nederland, in Duitsland en België. Naar dit samenwerkingsverband is een grootschalig opsporingsonderzoek ingesteld, genaamd Ginaf. Tijdens het Ginaf-onderzoek zijn telefoongesprekken, gevoerd via de telefoons van meerdere personen, afgeluisterd en opgenomen. Verder zijn de mastgegevens van de telefoons van de verdachten in kaart gebracht. Ook zijn camera-observaties uitgevoerd en zijn camerabeelden uitgekeken van camera’s gericht op geldautomaten. Ook zijn getuigen, waaronder katvangers, goudinkopers en medewerkers van Cash Converters, gehoord.

Handelwijze organisatie

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen een groep personen met een zekere organisatiegraad, waarbij de organisatie en daarmee verdachte en anderen zowel (gekwalificeerde) diefstallen als gewoontewitwassen tot oogmerk hadden. Er was steeds sprake van dezelfde werkwijze, namelijk het aanspreken en afleiden van de slachtoffers, terwijl een ander of anderen de woning doorzocht(en). Was er niemand thuis dan werd er ingebroken. De buit bestond voornamelijk uit contant geld, bankpasjes en sieraden. De slachtoffers werden, als de pincode al niet bij de diefstal zelf was bekend geworden, nadien gebeld om de pincodes van de bankpassen te achterhalen, waarbij de beller zich voordeed als bank- of politiemedewerker. Met de gestolen bankpassen werd vervolgens, al dan niet met behulp van katvangers, geld opgenomen in Nederland en Duitsland, waarbij het opvallend was dat regelmatig dezelfde geldautomaten werden gebruikt. Er waren auto’s beschikbaar om bij de slachtoffers thuis te komen. Deze voertuigen stonden in veel gevallen op naam van andere mensen (katvangers), zodat de voertuigen niet te linken zijn aan de insluipers. Ook werd in de genoemde periode door diverse leden die tot deze groep behoorden grote hoeveelheden uit misdrijf afkomstige (gouden) sieraden en munten verkocht aan onder meer de firma [bedrijf] en beleend bij Cash Converters in Enschede.

Onderlinge contacten en sluiertaal

In de ten laste gelegde periode is gebleken van veelvuldige telefonische contacten tussen de verdachten onderling. De rechtbank constateert dat deze telefonische contacten onder andere betrekking hadden op afspraken omtrent de diefstallen en het gewoontewitwassen. Deze interpretatie is gerechtvaardigd nu vaststaat dat in genoemde telefonische contacten tussen verdachten onderling in versluierde taal werd gesproken. Zo werd er onder meer op 1 oktober 2012 om 11:43:41 uur door [verdachte 7] tegen [verdachte 8] over “kun je van mama datgene meenemen waar je ermee kan praten” gesproken en werd op 2 oktober 2012 om 20:04:36 uur door [verdachte 8] gesproken over “weet je nog dat een nn-vrouw heeft verteld, dat er een hamburger in de la lag, we zijn dat gaan kopen en vonden geen andere hamburgers”, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank - in samenhang met de aangiftes, telecomgegevens, camerabeelden en observaties - duidt op het ophalen van portofoons voorafgaand aan een tweetal insluipingen en op het niet aantreffen van de beoogde buit. De verdachten hebben geen, dan wel geen geloofwaardige alternatieve verklaring gegeven voor dit taalgebruik.

Aannemelijk is dat verdachten in de telefonische contacten willens en wetens verhullende taal hebben gebezigd en daarover kennelijk ook onderling afspraken hebben gemaakt. Zo blijkt bijvoorbeeld uit afgeluisterde telefoongesprekken, weergegeven in zaaksdossier 021, op de pagina’s 5819 e.v. dat [verdachte 1] op de vraag waar hij is zegt: “Ik mag niet zeggen waar ik ben”. Een medeverdachte, die het gesprek overneemt zegt op de herhaalde vraag: “waar ben je”: “Hier buiten, maar ik kan nu niet praten”. Op pagina 5820 zegt [verdachte 1] op de vraag waarom hij de telefoon niet opnam: “omdat ik buiten ben”, en “omdat ik bij de mensen was”. Kennelijk is dat bij leden of gelieerden aan de criminele groepering een voldoende verklaring voor het niet opnemen van de telefoon.

Verder constateert de rechtbank dat in een enkel telefonische contact, kennelijk in strijd met de gemaakte afspraken en/of geldende mores, over het verhullend taalgebruik bij telefoongesprekken, ook direct gevraagd wordt of een ander mee gaat stelen. Op 18 september 2012 om 19.47 uur werd door [verdachte 1] gesproken met een NN-vrouw en gevraagd (letterlijk vertaald) : "Ga we stelen"? NN- vrouw antwoordt: "Morgen om 10 of 11".

Voor een volledig overzicht van de telefonische contacten die duiden op het bestaan van een criminele organisatie en aanwijzingen bevatten voor het criminele oogmerk van de organisatie volstaat de rechtbank op deze plaats met verwijzing naar de paragrafen 4.9.1. tot en met 4.9.11 van zaaksdossier 37.

Werkauto’s en katvangers

Bij de inbraken en insluipingen is gebruik gemaakt van verschillende voertuigen, zogenoemde ‘werkauto’s’ die in ruil voor geld of cocaïne op naam van katvangers werden gezet. Dit waren vaak personen die in een afhankelijkheidsrelatie stonden tot de dadergroep, zoals veelplegers, drugsverslaafden en alcoholisten. De katvangers werden ook vaak gebruikt om geld te pinnen met de gestolen bankpassen. Een aantal van deze ‘katvangers’ waaronder [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4], heeft bij de politie voor de verdachten belastende verklaringen afgelegd. Verder heeft een medewerkster van het postkantoor verklaard dat een aantal verdachten op het postkantoor komt om tegen betaling kentekens op naam van katvangers te zetten. Ook hadden de verdachten zelf vaak kortdurend meer kentekens op naam staan, waarvan de eigendom niet uit (toereikende) legale inkomstenbronnen kan worden verklaard.

Gebruik van portofoons en valse identiteiten

Er werd bij het plegen van de inbraken en insluipingen een opvallend gebruik gemaakt van portofoons, vaak van het merk Alecto. Deze portofoons zijn bij aanhoudingen en controles veelvuldig aangetroffen in de auto van de verdachten. Het is een feit van algemene bekendheid dat, in tegenstelling tot mobiele telefoons, portofoons niet kunnen worden getapt of getraceerd. Ook maakten leden van de dadergroep regelmatig gebruik van rekwisieten (mutsen, sjaals, brillen etcetera) en werd er met valse identiteiten gewerkt.

Inleveren sieraden:

Uit de verstrekte registratielijsten van firma [bedrijf] in Enschede blijkt dat in de periode van 1 januari 2011 tot 16 mei 2013 voor een bedrag van ongeveer € 328.000,-- aan (gouden) sieraden is ingeleverd door de leden van de Ginaf-groep dan wel hun familieleden of katvangers. Uit de administratie van Cash Converters in Enschede blijkt dat Cash Converters in de periode van 16 januari 2012 tot 30 juli 2013 na belening van met name sieraden voor een bedrag van € 55.722,01 aan de Ginaf groep heeft betaald. De medewerkers van firma [bedrijf] en Cash Converters bevestigen dat de verdachten op grote schaal sieraden inleverden.

Leden van het georganiseerd verband en rolverdeling

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een georganiseerd verband tussen

de verdachten. Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer gedurende langere tijd en structureel zijn eigen rol.

Duurzaamheid

Het georganiseerd verband was duurzaam van aard nu deze dadergroep zich - in ieder geval - gedurende de ten laste gelegde periode op de hierboven omschreven wijze bij herhaling heeft schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstallen en gewoontewitwassen.

Rol van verdachte

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang en in verband bezien met de overige bewijsmiddelen zoals vermeld in dit vonnis, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 22 augustus 2013 heeft deelgenomen aan de hiervoor omschreven criminele organisatie.

Verdachte heeft, zo blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, als een soort “meewerkend voorman” een initiërende en uitvoerende rol gehad en aldus gedragingen ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de criminele organisatie. Met deze handelingen heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 22 augustus 2013, in de gemeente Enschede van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte,

- geldbedragen (in totaal een bedrag van ongeveer 17.566,98 euro), en

- sieraden en goud en zilver en munten,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl zij wist dat bovenomschreven geldbedragen en sieraden, goud en zilver en munten – onmiddelijk of middelijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

zij op 15 december 2012 te Antwerpen (België), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 5.000 euro,

toebehorende aan [slachtoffer 1];

3.

zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 22 augustus 2013, in Nederland en België, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [verdachte 2] en [verdachte 1]. en [verdachte 3]. en [verdachte 4] en en [verdachte 6] en [verdachte 7] en [verdachte 8] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- gekwalificeerde diefstallen zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van

Strafrecht, en

- gewoontewitwassen zoals bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 140, 311 en 420ter Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: gewoontewitwassen;

feit 2

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3

het misdrijf: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft gedurende ruim twee jaar deelgenomen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen en witwassen. Verdachte heeft in dat kader ook zelf een gekwalificeerde diefstal gepleegd. Daarnaast heeft zij zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen binnen het kader van deze criminele organisatie. De insluipingen door leden van de criminele organisatie vonden steeds op min of meer vergelijkbare wijze plaats. Veelal oudere mensen werden middels babbeltrucs afgeleid, waarna anderen de woning doorzochten om sieraden, bankpasjes (met pincode) en geld buit te maken. Later op de dag werden de slachtoffers in voorkomede gevallen gebeld om de pincodes van de bankpassen te ontfutselen, waarbij de beller zich voordeed als bank- of politiemedewerker. Met de gestolen bankpassen werd vervolgens, al dan niet met behulp van katvangers, geld opgenomen in Nederland en Duitsland. De gestolen sieraden werden op grote schaal bij goudinkopers verkocht. Er was sprake van een omvangrijke criminele organisatie die zich gedurende lange tijd, op zeer systematische en professionele wijze, bezig hield met (gekwalificeerde) diefstallen en witwassen.

Verdachte had gedurende een periode van ruim twee jaar een belangrijke positie in deze organisatie, zij had een initiërende en uitvoerende rol. Door haar optreden heeft verdachte er blijk van gegeven bereid te zijn een substantiële bijdrage te leveren aan de instandhouding van de organisatie. Zij heeft daarbij uit winstbejag gehandeld. Met de criminele activiteiten zijn grote geldbedragen verdiend door verdachte en haar mededaders. Ook heeft zij zich gedurende een periode van meer dan twee jaar aan het witwassen van sieraden, goud, zilver en munten schuldig gemaakt. Dit ondermijnt de legale economie en faciliteert vermogensdelicten.

Verdachte heeft zich verder met twee mededaders schuldig gemaakt aan diefstal van een aanzienlijk geldbedrag door middel van een zogenaamde babbeltruc in Antwerpen. Hierbij is een bejaarde dame op geraffineerde wijze een bedrag van € 5000,- afhandig gemaakt. Door aldus te handelen, heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat mensen in hun medemens stellen. Voorts rekent de rechtbank het verdachte in het bijzonder aan dat zij en haar mededaders een bejaarde dame tot slachtoffer hebben gekozen. Dat is immers een slachtoffer dat deel uitmaakt van een kwetsbare groep. Dit soort feiten veroorzaakt, naast gevoelens van onveiligheid bij de getroffen slachtoffers, hun naasten en hun omgeving, veelal aanzienlijke financiële en soms zelfs emotionele schade.

Door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht worden weliswaar oriëntatiepunten gehanteerd voor diefstallen, maar nu verdachte in het kader van een georganiseerd verband heeft gehandeld spelen deze oriëntatiepunten geen rol. De rechtbank zal de strafoplegging in soortgelijke zaken bij haar overwegingen betrekken.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verdachte eerder in verband met vermogensdelicten met justitie in aanraking is geweest.

Gelet op de ernst van de feiten, de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie en de periode waarin zij zich aan de strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Gelet op haar initiërende en uitvoerende rol is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een straf overeenkomstig de eis van de officier van justitie.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaar passend is.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank acht de onder verdachte inbeslaggenomen sieraden en het inbeslaggenomen geldbedrag vatbaar voor verbeurdverklaring, nu verdachte dit geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en deze sieraden en dit geldbedrag geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten is verkregen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het als feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    feit 1 primair het misdrijf: gewoontewitwassen;

feit 2 het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3 het misdrijf: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.150,00 (eenduizend honderdvijftig euro) en de inbeslaggenomen sieraden, te weten twee oorsieraden, twee oorringen, een zwart horloge, een goudkleurige ring en twee goudkleurige kettingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2014.