Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5201

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
C-08-161410 - KG ZA 14-311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot revindicatie van de paarden afgewezen. Onvoldoende is thans komen vast te staan dat eiser de eigenaar van deze paarden is. Subsidiaire vordering tot stalling van de paarden en de daarbij behorende paspoorten bij een derde toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/161410 / KG ZA 14-311

datum vonnis: 2 oktober 2014 (sr)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats], [land],

eiser,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. L.M. Schelstraete te Tilburg,

tegen

[gedaagde],

laatst wonende te [woonplaats], [land],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. F. Kolkman te Almelo.

1 Het procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 9 producties,

  • -

    producties 10 t/m 24 aan de zijde [eiser],

  • -

    de akte houdende eis in voorwaardelijke reconventie en 27 producties aan de zijde

van [gedaagde],

  • -

    producties 25 tot en met 27 aan de zijde van [eiser],

  • -

    productie 28 aan de zijde van [eiser],

  • -

    de mondelinge behandeling op 18 september 2014,

  • -

    de pleitnota van [eiser] met akte vermindering eis,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1

[eiser] is lid van de koninklijke familie van Saoedi-Arabië. [eiser] is een zoon van[T] (verder te noemen: [T]).

2.2

[gedaagde] is een olympisch springruiter.

2.3

In 2009 en 2010 heeft [gedaagde] namens [T] op een paardenveiling in Frankrijk, die werd georganiseerd door FENCES, de volgende vijf paarden gekocht:

- het paard met de naam COUGAR III, geboren op 17 maart 2007, met levensnummer DE421000252107, met chipnummer 947000000158675 en voorzien van een paardenpaspoort als uitgegeven door het Verband der Züchter des Holsteiner Pferdes e.V.;

- het paard met de naam SAWYER L’ENCHANTE, geboren op 26 april 2006, met levensnummer 250001 06159485G, met chipnummer 250259801605487, en voorzien van een FEI-paspoort met nummer 103ZE63;

- het paard met de naam GUCCI VAN HET OOSTERVELD (sportnaam: DESERT STORM II), geboren op 10 mei 2006, met stamboeknummer BEL-W-251723-BWP, met chipnummer 981100000721667, en voorzien van een FEI-paspoort met nummer 103ZP97;

- het paard met de naam CARAT (sportnaam: CASINO ROYALE), geboren op 12 maart 2007, met levensnummer DE421000413807 en met chipnummer 981100002304069 981, en voorzien van een paardenpaspoort als uitgegeven door het Verband der Züchter des Holsteiner Pferdes e.V.;

- het paard met de naam GRACEFULL W, geboren op 15 mei 2006, met stamboeknummer BEL-W-252826-BWP en met chipnummer 967000001051212, en voorzien van een paardenpaspoort als uitgegeven door het Belgisch Warmbloed Paard v.z.w..

2.4

[gedaagde] trainde in opdracht van [T] voornoemde paarden en bracht deze uit op wedstrijden. [T] betaalde [gedaagde] hiervoor een bedrag van £5.000,00 per maand. Daarnaast betaalde [T] de kosten van de stalling en de verzorging van deze paarden

2.5

Op of omstreeks 16 juli 2014 heeft [gedaagde] onder meer voornoemde vijf paarden met de daarbij behorende paspoorten vanuit een stal in Hickstead, Verenigd Koninkrijk, laten transporteren naar Stoeterij en Handelsstal [X] te [plaats] (verder te noemen: [X]). Vervolgens heeft [gedaagde] de paarden en paspoorten verplaatst naar Stal [Y] te [plaats] (verder te noemen: [Y]).

2.6

Op 22 augustus 2014 heeft [eiser] na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank getracht om revindicatoir beslag op voornoemde paarden en de daarbij behorende paspoorten te leggen. De paarden en de paspoorten bleken echter niet aanwezig bij [X] noch bij [Y], zodat deze niet in beslag konden worden genomen.

2.7

Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter heeft [eiser] op 22 augustus 2014 conservatoir derdenbeslag gelegd onder [X] en haar vennoten alsmede onder [Y], op alle vorderingen die [gedaagde] op hen mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen

3 Het geschil

In conventie

3.1

[eiser] vordert -na eisvermindering- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

-[gedaagde] te gebieden om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis [eiser] feitelijk in het bezit te stellen van de hiervoor onder r.o. 2.3 genoemde paarden en paspoorten, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair:

- te gebieden om voornoemde paarden en paspoorten te stallen en gestald te houden bij een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen derde, tot op het moment dat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een bodemrechter over de eigendom van de paarden met de daarbij behorende paspoorten en het beweerdelijk retentierecht van [gedaagde] zal zijn beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

zowel primair als subsidiair:

- [gedaagde] te veroordelen om binnen een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 100.000,00 ten titel van voorschot op de door [gedaagde] aan [eiser] uit hoofde van zijn onrechtmatig handelen te betalen schadevergoeding;

- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen het nasalaris en de kosten van de conservatoire beslagleggingen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

[gedaagde] betwist de vorderingen van [eiser] en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

In voorwaardelijke reconventie

3.4

[gedaagde] vordert -voor het geval in rechte vast mocht komen te staan dat [eiser] eigenaar is van voornoemde paarden- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- [eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van £ 219.779,39, te vermeerderen met een bedrag van £ 5.000,00 per maand vanaf 15 september 2014 tot het moment dat de vier paarden verkocht en geleverd zijn ter zake de arbeidsvergoeding van [gedaagde], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 15 september 2014 tot de dag der algehele voldoening;

- [gedaagde] machtiging te verlenen de paarden onderhands te verkopen voor een bedrag gelijk aan de vordering van [gedaagde] op [eiser];

- [eiser] te veroordelen alle medewerking te verlenen aan onderhandse verkoop en levering van de vier in zijn processtukken genoemde paarden aan de koper, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.5

[eiser] betwist de vorderingen van [gedaagde] en concludeert [gedaagde] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren althans hem deze te ontzeggen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.6

Op de stellingen van partijen wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie

4.1

De Nederlandse rechter is op grond van de artikelen 2 en 59 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) in samenhang met artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen. [eiser] heeft immers onweersproken gesteld dat [gedaagde] sinds medio juli 2014 feitelijk in Nederland verblijft. Ook [gedaagde] gaat er vanuit dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen en heeft geen exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Overigens merkt de voorzieningenrechter ten overvloede op dat -anders dan [eiser] heeft betoogd- bij de bepaling van de woonplaats in de zin van artikel 2 EEX-Vo geen rekening mag worden gehouden met een gekozen woonplaats (zo ook gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem in zijn arrest van 27 mei 2008, JAR 2008/163).

4.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt spoedeisend belang te hebben bij het gevorderde. [eiser] stelt immers dat [gedaagde] zich de paarden zonder recht en/of titel heeft toegeëigend, de paarden naar Nederland heeft getransporteerd en de paarden thans verborgen houdt voor hem. De paarden worden volgens [eiser] niet meer getraind en uitgebracht op wedstrijden, waardoor de waardeontwikkeling van de paarden afneemt. Voorts heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] heeft gedreigd om de paarden op korte termijn te gaan verkopen. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven en komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser].

4.3

[eiser] wenst primair zijn eigendommen te revindiceren. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op deze vordering op grond van artikel 10:127 lid 1 BW Nederlands recht van toepassing is nu [eiser] onweersproken heeft gesteld dat de paarden en de daarbij behorende paspoorten zich in Nederland bevinden. Ingevolge artikel 5:2 BW is de eigenaar van een zaak bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen.

4.4

Partijen twisten over de vraag wie de eigenaar is van de onderhavige paarden. [eiser] stelt dat [T] de paarden in 2009 en 2010 heeft aangekocht op een paardenveiling in Frankrijk. Voor wat betreft de paarden SAWYER L’ENCHANTE en GUCCI VAN HET OOSTERVELD heeft hij facturen van FENCES aan [T] en een betalingsopdracht van [T] aan de bank overgelegd. Voor wat betreft de paarden COUGAR III en CARAT stelt [eiser] dat [T] over vergelijkbare documenten beschikt, maar dat zijn administratie deze documenten (nog) niet kon aanleveren. [eiser] stelt dat [T] de vijf paarden direct na aankoop op de paardenveiling aan hem heeft geschonken en dat hij daarmee volledig eigenaar van de paarden is geworden. Ter onderbouwing heeft [eiser] een verklaring van [T] en hem zelf d.d. 16 september 2014 overgelegd. Voorts heeft [eiser] stukken overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij als eigenaar van het paard CARAT bij het Anglo European Studbook staat geregistreerd en als eigenaar wordt vermeld in het paspoort van dit paard. Ook stelt [eiser] dat hij als eigenaar wordt vermeld in de paspoorten van de paarden GUCCI VAN HET OOSTERVELD en GRACEFULL W. Daarnaast blijkt ook uit de door [gedaagde] zelf ingediende producties dat de paarden eigendom van [eiser] zijn, aldus [eiser].

4.5

[gedaagde] betwist dat de paarden eigendom zijn van [eiser] en stelt dat hij de paarden in mede-eigendom heeft met [T]. Ten aanzien van het paard COUGAR III heeft [gedaagde] een aankoopbewijs overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij dat paard in mede-eigendom heeft met [D]. [gedaagde] acht het door [eiser] overgelegde schenkingsdocument ongeloofwaardig. Voor een schenking is bovendien een levering van de paarden vereist, hetgeen nooit heeft plaatsgevonden en waarvan [eiser] ook niet stelt dat deze heeft plaatsgevonden. Tevens is het volgens [gedaagde] merkwaardig dat [T] de kosten van de paarden betaalde en dat met [T] en niet met [eiser] werd gecorrespondeerd over de paarden. Ook heeft [eiser] zelf in zijn brief d.d. 28 juli 2014 aan [X] nadrukkelijk gesteld dat de paarden van [T] zijn. Tot slot heeft [gedaagde] een overzicht van British Show Jumping overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat de paarden SAWYER L’ENCHANTE, GUCCI VAN HET OOSTERVELD, CARAT en GRACEFULL W. allemaal op naam staan van de stal van [T] in de UK, Old Lodge.

4.6

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], in het beperkte kader van dit kort geding onvoldoende is komen vast te staan dat [eiser] de eigenaar van de onderhavige paarden is. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat de door [eiser] overgelegde schenkingsverklaring eerst vlak voor de zittingsdatum is opgesteld, terwijl [eiser] stelt dat [T] de paarden direct na aankoop in 2009 en 2010 aan hem geschonken heeft. Voorts is gesteld noch gebleken dat de onderhavige paarden aan [eiser] zijn geleverd. Ook kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de overige door partijen overgelegde stukken thans niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat [eiser] de eigenaar van de onderhavige paarden is. De vraag wie de eigenaar is van de onderhavige paarden vergt een nader onderzoek naar de feiten en/of bewijslevering, waarvoor dit kort geding zich niet leent. De door [eiser] reeds bij deze rechtbank aanhangig gemaakte bodemprocedure jegens [gedaagde] is daarvoor de geëigende weg.

4.7

Reeds gelet op het feit dat thans niet is komen vast te staan dat [eiser] de eigenaar is van de onderhavige paarden, dient de primaire vordering tot revindicatie te worden afgewezen. Dit geldt eveneens voor het zowel primair als subsidiair gevorderde voorschot op de schadevergoeding nu evenmin thans is komen vast te staan dat sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser].

4.8

[eiser] wenst subsidiair dat de onderhavige paarden en de daarbij behorende paspoorten worden gestald bij een onafhankelijke derde. [eiser] stelt daarbij belang te hebben nu [gedaagde] zich (wederom) schuldig zal gaan maken aan eigenrichting nu hij de paarden -zoals door hem aangekondigd- te gelde zal gaan maken. [eiser] geeft de voorzieningenrechter in overweging de paarden en de paspoorten te stallen bij [A], h.o.d.n. [Z], gevestigd en zaakdoende te [plaats] aan de [adres] (verder te noemen: [Z]).

4.9

[gedaagde] stelt dat deze vordering moet worden afgewezen nu [eiser] niet de eigenaar van de paarden is en hij de paarden in mede-eigendom heeft. [gedaagde] stelt dat hij bij uitstek de aangewezen persoon is om de paarden te trainen. De paarden worden op dit moment ook goed verzorgd en getraind. [A] heeft geen ruiters die paarden van dit niveau kunnen trainen. Voorts beroept [gedaagde] zich op zijn retentierecht nu [T] de kosten van stalling, training en verzorging van de paarden niet aan hem heeft voldaan.

4.10

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van [eiser] toewijzing van de subsidiaire vordering als ordemaatregel rechtvaardigen totdat in de bodemprocedure een onherroepelijk eindvonnis is gewezen. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat [gedaagde] heeft aangekondigd op korte termijn tot verkoop van de paarden over te gaan, terwijl de mede-eigendom van [gedaagde] van de paarden thans niet is komen vast te staan. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat [gedaagde] ter zitting zijn mede-eigendom in die zin heeft genuanceerd dat hij zelf mocht selecteren welke paarden hij namens [T] kocht en ook zelf mocht beslissen of een paard uiteindelijk wel of niet werd verkocht. Wat hier ook van zij, dit maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat sprake is van mede-eigendom in juridische zin. [gedaagde] heeft ook geen enkel bewijs van de door hem gestelde mede-eigendom van de onderhavige paarden overgelegd.

4.11 [gedaagde] stelt daarnaast een geldvordering te hebben van £ 219.779,39 op [T] en uit dien hoofde ten aanzien van de paarden een beroep te kunnen doen op een retentierecht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ten aanzien van deze stelling sprake is van een groot aantal geschilpunten van zowel feitelijke als juridische aard. Zo heeft [eiser] het bestaan en de omvang van de door [gedaagde] gestelde vordering gemotiveerd betwist. Tussen partijen is bijvoorbeeld in geschil of de gevorderde kosten betrekking hebben op de onderhavige paarden en of [gedaagde] de door hem gestelde onkosten heeft voorgeschoten. Voorts staat weliswaar vast dat [B] kostenoverzichten aan [T] heeft gezonden, maar is er discussie over de rol die [B] ten opzichte van partijen en [T] had. Ook twisten partijen over de vraag of [gedaagde] zijn werkzaamheden deugdelijk heeft uitgevoerd. Daarnaast speelt de vraag welk recht van toepassing is en wat op 10 mei 2014 in een gesprek tussen [T] en [gedaagde] afgesproken is ten aanzien van de gedeclareerde kosten. Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een dermate groot aantal feitelijke en juridische geschilpunten dat thans niet kan worden vastgesteld of [gedaagde] een retentierecht kan uitoefenen. Eén en ander vergt nader onderzoek, waarvoor de bodemprocedure de geëigende weg is. Ook dit verweer van [gedaagde] verzet zich derhalve thans niet tegen toewijzing van de subsidiaire vordering van [eiser].

4.12

De voorzieningenrechter zal bij de toewijzing van de subsidiaire vordering van [eiser] -zoals door hem voorgesteld- bepalen dat de onderhavige paarden en de daarbij behorende paspoorten dienen te worden gesteld bij [Z], nu [gedaagde] de geschiktheid van deze stal voor de onderhavige paarden onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

4.13

Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren.

In voorwaardelijke reconventie

4.14

De reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat in rechte mocht komen vast te staan dat [eiser] de eigenaar is van de onderhavige paarden. Nu zoals in conventie is overwogen thans niet is komen vast te staan dat [eiser] de eigenaar is van de onderhavige paarden, is deze voorwaarde niet vervuld. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan een beoordeling van de vordering in voorwaardelijke reconventie.

5 De beslissing

De rechtbank:

In conventie

I. Veroordeelt [gedaagde] om de hiervoor onder r.o. 2.3 vermelde paarden en paspoorten binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te stallen en gestald te houden bij [A], h.o.d.n. [Z], gevestigd en zaakdoende te [plaats] aan de [adres], tot het moment dat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een bodemrechter over de eigendom van de paarden met de daarbij behorende paspoorten en het beweerdelijk retentierecht van [gedaagde] zal zijn beslist, althans partijen hun geschil op andere wijze in der minne finaal zullen hebben geregeld, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen, met een maximum van € 500.000,00;

II. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

III. Compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen, voorzieningenrechter, en op 2 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.