Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5200

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
C/08/150271 / HA ZA 14-29
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inbreuk persoonlijke levenssfeer. Beweegbare camera. Burengeschil.

Gedaagde heeft vijf camera’s bevestigd aan zijn huis ten behoeve van de beveiliging van zijn eigendommen. Vier camera’s hebben een vaste stand en zijn niet gericht op de eigendommen van eiser. Eén camera is beweegbaar en biedt de mogelijkheid van zicht op (onder meer) het perceel van eiser.

De rechtbank stelt voorop dat een ieder in beginsel het recht heeft zich onbespied te weten in zijn eigen woning en op zijn eigen perceel. Nu de camera op relatief eenvoudige en voor eiser onmerkbare wijze in ieder geval de mogelijkheid biedt van – stelselmatige – observatie, is sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2014/113
JBP 2015/47
Module Privacy en persoonsgegevens 2016/1113

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/150271 / HA ZA 14-29

datum vonnis: 20 augustus 2014

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

verder te noemen: [eiser],

advocaat: mr. D.J. Brugge te Apeldoorn,

tegen



1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te Oldenzaal,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

verder gezamenlijk te noemen: [gedaagde 1 c.s.],

advocaat: mr. J.C.E. Siebenga-Moggré te Zwolle.


1. Het procesverloop


1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de navolgende stukken:


-de dagvaarding d.d. 6 januari 2014;

-de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie;

-het tussenvonnis d.d. 16 april 2014 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

-de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis;

-de brief d.d. 24 juni 2014 waarbij van de zijde van [gedaagde 1 c.s.] enkele producties zijn overgelegd;

-het proces-verbaal van de comparitie welke heeft plaatsgevonden op 7 juli 2014.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op 20 augustus 2014.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten.

2.2.

Partijen zijn buren. Aan de woning van [gedaagde 1 c.s.] zijn vijf camera’s bevestigd ten behoeve van de beveiliging van de eigendommen van [gedaagde 1], die als diamantair haar zaak aan huis heeft.

Vier camera’s hebben een vaste stand en zijn niet gericht op de eigendommen van [eiser]. Eén camera, echter, is beweegbaar en biedt de mogelijkheid van zicht op (onder meer) het perceel van [eiser].

2.3.

Voorts heeft [gedaagde 1 c.s.] de garagemuur van [eiser], waarop [gedaagde 1 c.s.] zicht heeft vanuit haar tuin, wit geschilderd en van enkele muurversieringen voorzien.

2.4.

Ten slotte staat tussen partijen vast dat een deel van de dakplaten van [gedaagde 1 c.s.] doorloopt over de eigendommen van [eiser].

In conventie:

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank [gedaagde 1 c.s.], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot

I. het verwijderen en verwijderd houden van de camera’s op het perceel van [gedaagde 1 c.s.] die gericht zijn op het perceel van [eiser] binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde 1 c.s.] in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,-,

II. het verwijderen en verwijderd houden van de verankering van het vlonder en tevens tot herstel van de schade die is veroorzaakt door het verankeren van het vlonder binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde 1 c.s.] in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,-,

III. het verwijderen en verwijderd houden van alle zaken aan, op of tegen de garagemuur van [eiser] binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis en tevens binnen deze termijn de garagemuur in oude toestand te herstellen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde 1 c.s.] in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,-,

IV. het verwijderen en verwijderd houden van de plastic overkapping, althans de dakplaten die zich op of boven het perceel van [eiser] bevinden binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde 1 c.s.] in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,-,

V. betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van

€ 131,- in geval van betekening te vermeerderen met € 64,-, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen het navolgende ten grondslag.

De camera

3.3.

Het recht van [eiser] op eerbieding van zijn persoonlijke levenssfeer wordt door [gedaagde 1 c.s.] geschonden door het geplaatst hebben en houden van camera’s waarmee het perceel en opstallen van [eiser] stelselmatig geobserveerd (kunnen) worden. Het enkele feit dat observatie van het perceel van [eiser] mogelijk is, maakt het onrechtmatig. Zeker nu er alternatieven zijn zoals het plaatsen van een niet bewegende camera.

De dakplaat

3.4.

[gedaagde 1 c.s.] heeft, zonder toestemming van [eiser], op zodanige wijze plastic dakplaten bevestigd op haar eigendommen, dat deze dakplaten over de eigendommen van [eiser] lopen. [eiser] wenst verwijdering van deze dakplaten voor zover die op de eigendommen van [eiser] rusten.

De garagemuur

3.5.

[gedaagde 1 c.s.] heeft, tegen een uitdrukkelijk verbod van [eiser] in, [eisers] garagemuur wit geschilderd en enkele zaken eraan bevestigd. [gedaagde 1 c.s.] dient deze verrichtingen ongedaan te maken.

De gebarsten stenen

3.6.

De bakstenen aan de binnenzijde van de garagemuur van [eiser] zijn gebarsten doordat [gedaagde 1 c.s.] haar vlonder aan [eisers] garagemuur heeft verankerd. [eiser] heeft geen toestemming gegeven voor de aanleg door [gedaagde 1 c.s.] van het vlonder met behulp van verankering aan [eisers] garagemuur. [gedaagde 1 c.s.] dient de verankering te verwijderen en de schade aan de bakstenen te herstellen.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde 1 c.s.] betwist de vordering van [eiser] en voert daartoe het volgende aan.

De camera

4.2.

Ter verkrijging van een inboedelverzekering vereist de verzekering dat een beveiligingsinstallatie aanwezig is aan de woning. In overleg met de verzekering zijn de vijf camera’s bevestigd aan de woning. Een daarvan is beweegbaar. Deze beweegbare camera biedt geen zicht op de woning of het perceel van [eiser]. De stand waarop de camera structureel is ingesteld, is gericht op de voordeur van [gedaagde 1 c.s.]

4.3.

De camera’s registreren slechts hetgeen van de openbare weg voor een ieder zichtbaar is. Het enkele feit dat observatie mogelijk is van het perceel van [eiser] maakt het nog niet onrechtmatig. [gedaagde 1 c.s.] zou echter graag zicht willen op haar oprit in verband met mogelijke inbreuken op haar eigendommen door derden.

De dakplaat

4.4.

De dakplaat helt deels over de eigendommen van [eiser]. Dit is teneinde schade aan de eigendommen van beide partijen te voorkomen.

De garagemuur

4.5.

Er is sprake van misbruik van bevoegdheid ten aanzien van de gewitte muur. De schilderijen zijn bovendien slechts met een klein spijkertje bevestigd.

De gebarsten stenen

4.6.

Het vlonder is niet meer gehecht aan de garagemuur. Er is ook geen direct verband tussen eventuele beschadigingen aan de muur van [eiser] en de plaatsing van de vlonders.

In reconventie:

5 De vordering en de afspraak tussen partijen

5.1.

In reconventie heeft [gedaagde 1 c.s.] gevorderd dat de rechtbank [eiser] zal veroordelen tot herstel van een scheidswand tussen de percelen van partijen, door het gat in deze wand dat zicht geeft in het (kleed)hokje van [gedaagde 1 c.s.], te dichten.

5.2.

Ter comparitie zijn partijen echter overeengekomen dat [eiser] binnen een week na ontvangst van een passende baksteen van [gedaagde 1 c.s.], en verwijdering door [gedaagde 1 c.s.] van het hout dat thans het gat afdekt, ervoor zal zorgen dat het gat wordt gedicht met genoemde baksteen.

5.3.

Gelet op deze afspraak tussen partijen, komt de rechtbank niet meer toe aan de vordering in reconventie.

6 De beoordeling

In conventie:

De camera

6.1.

Vast is komen te staan dat slechts het zichtbereik van de beweegbare camera een punt van zorg vormt voor [eiser] in verband met zijn persoonlijke levenssfeer.

6.2.

Vooropgesteld moet worden dat een ieder in beginsel het recht heeft zich onbespied te weten in zijn eigen woning en op zijn eigen perceel.

6.3.

Wat er zij van de stellingen van [gedaagde 1 c.s.] dat de beweegbare camera niet is gericht op het perceel van [eiser], oordeelt de rechtbank dat nu de camera op relatief eenvoudige en voor [eiser] onmerkbare wijze in ieder geval de mogelijkheid biedt van – stelselmatige – observatie, sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van

[eiser].

6.4.

Mede gelet op de ter comparitie door [gedaagde 1 c.s.] uitgesproken wens om ook haar oprit binnen het zichtbereik van de camera te brengen – hetgeen met zich zou brengen dat ook een deel van het perceel van [eiser] geregistreerd zou worden – is de vrees van [eiser] voor daadwerkelijke registratie van beelden van zijn perceel bovendien niet denkbeeldig. De voortdurende, en objectief bezien niet louter denkbeeldige, dreiging dat voornoemde vrees bewaarheid wordt, behelst reeds een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.

6.5.

De op zichzelf legitieme wens van [gedaagde 1 c.s.] om haar eigendommen te beschermen, vormt onvoldoende rechtvaardiging voor een dergelijke inbreuk. Te meer nu onvoldoende is weersproken dat volstaan zou kunnen worden met een vaste – niet beweegbare – camera.

6.6.

De vordering van [eiser] met betrekking tot de camera(‘s) zal derhalve worden toegewezen.

De dakplaat

6.7.

Vaststaat dat de plastic dakplaten van [gedaagde 1 c.s.] zich deels boven de eigendommen van [eiser] bevinden en dat toestemming van [eiser] daartoe ontbreekt.

6.8.

[gedaagde 1 c.s.] heeft onvoldoende onderbouwd op enige goede grond een inbreuk op [eisers] eigendomsrecht te mogen maken.

6.9.

De rechtbank zal daarom de vordering van [eiser] tot verwijdering en het verwijderd houden van het gedeelte van de dakplaten dat zich boven [eisers] eigendom bevindt, toewijzen.

De garagemuur

6.10.

Vaststaat dat de inbreuk van [gedaagde 1 c.s.] ten aanzien van de garagemuur tweeledig is: [gedaagde 1 c.s.] heeft de muur zonder toestemming van [eiser] wit geschilderd en bovendien voorzien van decoraties met behulp van enkele spijkers.

6.11.

Vooropgesteld moet worden dat het een eigenaar van een zaak met uitsluiting van een ieder vrij staat van zijn zaak gebruik te maken (artikel 5:1 lid 2 BW). Dit zogenaamde exclusieve gebruiksrecht verdraagt zich niet met het moeten dulden van spijkers die door anderen dan de eigenaar zonder diens toestemming in de betreffende zaak zijn geslagen. Hoe relatief klein de beschadiging door spijkers mogelijk ook is, het is niet aan een ander dan de eigenaar van de zaak in dat verband een afweging te maken tussen de bedoelde beschadigingen en overwegingen van esthetische aard.

6.12.

[gedaagde 1 c.s.] zal aldus veroordeeld worden tot verwijdering en het verwijderd houden van alle aan de muur van [eiser] bevestigde zaken.

6.13.

De rechtbank is echter van oordeel dat [gedaagde 1 c.s.] onevenredig wordt benadeeld wanneer zij zou worden veroordeeld tot het ongedaan maken van het schilderwerk aan de muur van [eiser].

6.14.

[eiser] heeft immers, anders dan [gedaagde 1 c.s.], geen zicht op de betreffende muur. Ook overigens heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld enig nadeel te ondervinden van het verrichte schilderwerk.

6.15.

Het zou misbruik van bevoegdheid opleveren door [eiser] wanneer deze zou volharden in zijn vordering tot ongedaanmaking van het schilderwerk. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

De gebarsten stenen

6.16.

De vordering van [eiser] wat de gebarsten stenen betreft is gegrond op een – volgens [eiser] – tweeledige inbreuk: er is sprake van inbreuk op zijn eigendomsrecht doordat [gedaagde 1 c.s.] haar vlonder heeft verankerd aan [eisers] garagemuur, en ten tweede is door deze verankering schade aan [eisers] garagemuur ontstaan.

6.17.

[gedaagde 1 c.s.] heeft aangevoerd dat het vlonder niet meer is gehecht aan de garagemuur. Voorts heeft zij de stelling van [eiser] dat de schade een gevolg is geweest van verankeringen door [gedaagde 1 c.s.] aangebracht in [eisers] muur, gemotiveerd betwist.

6.18.

In het licht van deze betwisting is het aan [eiser] te bewijzen dat het vlonder is verankerd aan zijn garagemuur en dat sprake is van causaal verband tussen enige handeling van [gedaagde 1 c.s.] en de schade aan de muur van [eiser].

6.19.

[eiser] zal worden toegelaten tot het bewijs van het feit van de verankering en van het genoemde causaal verband. Indien [eiser] slaagt in dit bewijs zal zijn vordering op dit punt dan wel deze punten worden toegewezen, met thans een voorbehoud ten aanzien van de gevorderde dwangsom. Indien [eiser] niet slaagt in genoemd bewijs, zal zijn vordering worden afgewezen.

Matiging gevorderde dwangsommen

6.20.

Ten aanzien van de vorderingen die zullen worden toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding de hoogte van de gevorderde dwangsommen te matigen tot een bedrag dat evengoed moet worden geacht voldoende prikkel tot nakoming te bieden.

In reconventie:

6.21.

Op grond van de overweging in dit vonnis onder 5.2., behoeft de vordering in reconventie geen beoordeling. De kosten van het geding in reconventie zullen tussen partijen worden gecompenseerd.

7 De beslissing

De rechtbank:

In conventie


I. Veroordeelt [gedaagde 1 c.s.] tot het verwijderen en verwijderd houden van (de) beweegbare camera(’s) op het perceel van [gedaagde 1 c.s.] die de mogelijkheid biedt/bieden te worden gericht op het perceel van [eiser], binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat gedaagden in gebreke blijven hieraan te voldoen, met een maximum van € 10.000,-.

II. Veroordeelt [gedaagde 1 c.s.] tot het verwijderen en verwijderd houden van alle zaken aan, op of tegen de garagemuur van eiser binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat gedaagden in gebreke blijven hieraan te voldoen, met een maximum van

€ 10.000,-.

III. Veroordeelt [gedaagde 1 c.s.] tot het verwijderen en verwijderd houden van de plastic overkapping, voorzover de dakplaten zich op of boven het perceel van [eiser] bevinden binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat gedaagden in gebreke blijven hieraan te voldoen, met een maximum van € 10.000,-.

IV. Draagt [eiser] op om te bewijzen als daartoe overwogen in rechtsoverweging 6.18. en 6.19.

V. Bepaalt dat indien [eiser] bewijs wenst te leveren door getuigen deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Almelo door mr. Aksu.

VI. Verwijst de zaak naar de civiele rol van deze rechtbank van woensdag 3 september 2014 voor dagbepaling enquête en draagt [eiser] op om ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffe is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen en het aantal te horen getuigen dan wel dat hij geen bewijs door getuigen wenst te leveren.

VII. Houdt iedere verdere beslissing aan.

In reconventie

VIII. Compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu en op 20 augustus 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.