Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5197

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
C/08/151824 / FA RK 14-279
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank corrigeert de formule t.b.v. vaststelling kinderalimentatie i.v.m. (niet verwijtbare/niet vermijdbare) de lasten van de man. Omdat de draagkracht volgens de formule onvoldoende is om in de kosten van de kinderen te voorzien, maar er wel voldoende draagkracht is voor partneralimentatie, wendt de rechtbank de netto voor partneralimentatie beschikbare draagkracht aan ter bestrijding van de kosten van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/151824 / FA RK 14-279 (BT(O)

Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 16 juli 2014, in de zaak van:

[verzoekster],

verder ook [verzoekster] te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoekster,

advocaat: mr. M.E. Kikkert,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de vader te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 7 februari 2014;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op

4 april 2014.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 8 mei 2014 een brief van mr. Kikkert van 7 mei 2014 met bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 mei 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

De vader en [moeder] zijn met elkaar gehuwd. Tussen hen is een echtscheidingsprocedure bij deze rechtbank aanhangig. Uit hun huwelijk is onder meer de dochter [verzoekster], verzoekster, geboren. Zij is kort voor het aanhangig maken van de echtscheidingsprocedure meerderjarig geworden.

Het verzoek

[verzoekster] verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bijdrage van de vader in de kosten van levensonderhoud en studie vast te stellen op € 355,- per maand, te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die de vader op grond van geldende wetten en/of regelingen ten behoeve van [verzoekster] kan of zal worden verstrekt, met bepaling dat eventuele kosten van tenuitvoerlegging van deze beslissing voor rekening van de vader komen voor het geval deze door hem veroorzaakt worden, alsmede om de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure, althans een zodanige beslissing te nemen als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.


[verzoekster] stelt dat zij behoefte heeft aan en dat de vader voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage. Voor de bepaling van de behoefte van [verzoekster] dient uitgegaan te worden van het netto besteedbaar gezinsinkomen nu zij, net als voor haar 18e verjaardag, nog steeds in het gezin van haar moeder en haar minderjarige zus verblijft, haar kosten niet noemens-waardig zullen dalen of toenemen doch wel rekening houdend met de omstandigheid dat voor haar geen kinderbijslag en kindgebonden budget meer wordt ontvangen.

Om de hoogte van de behoefte te kunnen vaststellen dient uitgegaan te worden van de jaarcijfers over 2011, 2012 en 2013 met dien verstande dat over 2013 uitgegaan wordt van de geprognostiseerde winst van € 46.447,-. [verzoekster] stelt het netto besteedbaar inkomen van haar vader op basis van deze gegevens op € 2.676,- en dat van haar moeder op € 541,- per maand, zodat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 3.217,- bedraagt. Uitgaande van het feit dat er twee kinderen in het gezin leven, dient de behoefte van [verzoekster] op € 355,- per maand te worden gesteld. Voor wat betreft de berekening van de draagkracht dient de vader de cijfers over 2013 in het geding te brengen. De vader voldoet de stalling van de paarden ad € 285,- per maand. Naast de verschuldigde kinderalimentatie dient vader ook deze kosten te blijven voldoen.

Het verweer

De vader verzoekt de rechtbank het verzoek van [verzoekster] af te wijzen.

De man stelt dat niet kan worden uitgegaan van de tabel kosten kinderen nu [verzoekster] jongmeerderjarig is. [verzoekster] dient haar behoefte aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie te onderbouwen, nu zij ook eigen inkomsten heeft. Bij de berekening van de draagkracht van de vader kan geen aansluiting worden gezocht bij het forfaitaire systeem maar dient rekening te worden gehouden met de werkelijke lasten van de vader. Subsidiair doet vader een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Hij voldoet de vaste lasten van de voormalig echtelijke woning zolang deze nog niet is verkocht ad € 541,- per maand. Daarnaast voldoet hij de helft van de huurlasten van de woning van zijn huidige partner, de stallingskosten van de pony’s van de kinderen ad € 285,-, de verplichte kapitaalverzekering ad € 215,- per maand, de premie ziektekostenverzekering ad € 140,25 per maand en een wettelijk eigen risico van € 30,-. De vader is niet in staat om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [verzoekster] (en evenmin in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige [zus]). Het verzoek om de vader in de kosten te veroordelen dient te worden afgewezen. [verzoekster] is zonder enig overleg deze procedure gestart terwijl zij uit de stukken in de echtscheidingsprocedure kan afleiden dat de vader geen draagkracht heeft.

Ten aanzien van de kinderalimentatie

De moeder heeft namens [zus] bij afzonderlijk verzoekschrift een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zus] verzocht. Deze zaak staat bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/08/144821 / FA RK 13-1925. Deze zaak hangt zeer nauw samen met de onderhavige zaak. Voor wat betreft de draagkracht van partijen heeft de rechtbank in beide zaken dezelfde uitgangspunten gehanteerd.

Ten aanzien van de behoefte van [verzoekster]

Voor de bepaling van de behoefte van [verzoekster] zoekt de rechtbank, conform de aanbeveling van de expertgroep Alimentatienormen, aansluiting bij de norm van de

Wet Studiefinanciering, verder te noemen: “WSF”, nu deze norm een goed beeld geeft van wat een studerend kind kost. Vast staat dat de dochter thuiswonende is en dat zij een Mbo-opleiding volgt op het ROC. Blijkens de informatie op de site van Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bedraagt de maximale studiefinanciering voor een thuiswonende (Mbo)student voor de periode van januari 2014 tot en met 31 juli 2014 afgerond € 575,- per maand (inclusief een rentedragende lening). Blijkens de op de site van de Informatie Beheer Groep voorkomende informatie zijn in deze normbedragen de volgende posten verdisconteerd: (een deel van) het levensonderhoud, de premie ZVW, de studiekosten (studieboeken e.d.) en onderwijsbijdrage (les- of collegegeld). De rechtbank stelt de behoefte van [verzoekster] daarom op voormeld bedrag.

Op de behoefte van [verzoekster] strekken in mindering de eigen inkomsten. [verzoekster] heeft recht op een basisbeurs van afgerond € 79,- netto per maand. Zij heeft onweersproken gesteld dat zij recht heeft op een bedrag aan zorgtoeslag van € 72,- per maand. Zij heeft voorts onweersproken gesteld dat zij gemiddeld € 50,- netto per week verdient met een bijbaan. Dit is ongeveer € 216,- netto per maand. De rechtbank zal, nu beide partijen dit ter zitting hebben gesteld, het gehele inkomen dat [verzoekster] verdient met de bijbaan op haar behoefte in mindering brengen.

Op grond van het voorgaande becijfert de rechtbank het eigen inkomen van [verzoekster] op afgerond € 367,- (€ 79,- + € 72,- + € 216,-) netto per maand.

[verzoekster] heeft, gelet op het vorenstaande, behoefte aan een bijdrage van de vader

van € 575,- minus € 367,- = € 208,- per maand.

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw

Partijen zijn het erover eens dat de vrouw een NBI heeft van € 541,- per maand en dat zij geen draagkracht heeft voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verzoekster].

Ten aanzien van de draagkracht van de man

De rechtbank heeft bij de berekening van het inkomen van de vader het gemiddelde van de jaarcijfers over 2011, 2012 en de geprognosticeerde jaarcijfers 2013 als uitgangspunt genomen. De rechtbank houdt geen rekening met de geprognosticeerde jaarcijfers 2014, omdat die prognose slechts is gebaseerd op de eerste twee maanden van dat jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is die periode te kort voor een betrouwbare prognose over het volledige jaar.

Bovendien is de rechtbank in de echtscheidingsprocedure gebleken dat de vader ook motorrijlessen verzorgt en dat hier in de zomermaanden veel meer vraag naar is dan in de wintermaanden. De winst over de jaren 2011, 2012 en 2013 bedraagt gemiddeld € 39.789,- per jaar ( het gewogen gemiddeld 2011/2012 ad € 36.461 x 2 + het jaar 2013 ad € 46.447,- : 3). Mede gelet op de geprognosticeerde jaarstukken 2013 gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de vader dat de winst over dat jaar is gedaald ten opzichte van 2011 en 2012. Weliswaar blijkt uit de BTW aangiften over voormelde jaren dat de omzet in 2013 is gedaald, maar de rechtbank sluit niet uit dat ook de bedrijfskosten zijn gedaald waardoor in 2013 toch een hogere winst is gerealiseerd dan in 2011 en 2012. Bovendien heeft de vader geen definitieve jaarstukken 2013 overgelegd, zodat de rechtbank niet kan controleren of de daadwerkelijke winst 2013 afwijkt van de geprognosticeerde winst 2013.

De rechtbank heeft vervolgens rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek en de MKB-vrijstelling, de voor de vader geldende tarieven inkomstenbelasting en heffingskortingen. Voor de vader resulteert op basis van het voorgaande een netto besteedbaar inkomen van

€ 2.521,- per maand. Hierbij is geen rekening gehouden met het fiscale voordeel dat hij geniet in verband met de hypotheekrente en de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Ten aanzien van de stellingen van de vader over de aanvaardbaarheidstoets

De vader stelt voorts dat de bijdrage die resulteert uit de draagkrachttabel – vanwege na te noemen last – voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat hij bij vaststelling van deze bijdrage met zijn inkomen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. Hij verzoekt de rechtbank daarom rekening te houden met zijn betalings-verplichting uit hoofde van stallingskosten van de pony’s van de kinderen van € 285,- per maand, de kosten van de kapitaalverzekering van € 215,- per maand en de helft van de huur van zijn nieuwe woning (waar hij samenwoont met zijn nieuwe partner) voor een bedrag van € 285,- per maand. Voorts dient volgens de vader nog rekening te worden gehouden met zijn eigen risico ziektekosten van € 350,- per jaar, ofwel € 29,- per maand.

[verzoekster] erkent dat de vader de stallingskosten voor de pony’s betaalt.

De rechtbank stelt ook in deze procedure voorop dat in beginsel alle financiële verplichtingen van de vader van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen.

Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter buiten beschouwing kan laten.

De rechtbank is van oordeel dat de door de vader gestelde financiële lasten/verplichtingen voor een deel voldoen aan de daaraan te stellen voorwaarden.

De door de vader opgevoerde en door [verzoekster] erkende stallingskosten van € 285,- per maand, en de door haar niet betwiste premie kapitaalverzekering van € 215,- per maand en het eigen risico ziektekosten van € 29,- per maand zal de rechtbank volledig bijplussen en bij het draagkrachtloos inkomen in aanmerking nemen.

De rechtbank begrijpt dat de vader de helft van de huur van zijn huidige partner voor zijn rekening neemt. Daarnaast draagt hij de hypotheeklasten voor de echtelijke woning. Bij de berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie wordt in de draagkrachttabel op forfaitaire wijze rekening gehouden met redelijke kosten van levensonderhoud zoals bijvoorbeeld woonlasten. Deze woonlasten worden in redelijkheid vastgesteld op 30% van het NBI. De rechtbank heeft het NBI van de vader berekend op € 2.521,- per maand, hetgeen resulteert in forfaitaire woonlasten van € 756,- per maand (0,3 x NBI).

Nu de totale woonlasten van de vader - na aftrek van het fiscale voordeel dat hij hierover geniet - deze component niet overstijgen, ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de forfaitaire woonlast.

De draagkracht van de vader bedraagt derhalve 70% x (€ 2.521,- minus (0,3 x € 2.521,- +

€ 860,- + € 529,-) = € 263,-. De man heeft recht op een fiscaal voordeel van € 35,- per maand in verband met de onderhoudsbijdrage voor [zus]. De rechtbank zal de draagkracht van de man met dit bedrag verhogen. Dit resulteert in een draagkracht van in totaal € 298,- per maand voor kinderalimentatie.

De draagkracht van de man dient naar het oordeel van de rechtbank gelijkelijk te worden verdeeld tussen [zus] en [verzoekster]. Dit betekent dat de man in beginsel € 149,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [verzoekster].

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank overwogen dat de vader, naast voormelde draagkracht voor kinderalimentatie, voor de partneralimentatie een bedrag van
€ 133,- per maand beschikbaar heeft vóór berekening van het belastingvoordeel dat hij daarover geniet. De rechtbank merkt hierbij ook in deze procedure echter op dat kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, sinds de wijziging per 1 maart 2009 van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang hebben boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen.

De vader heeft een voor levensonderhoud beschikbare draagkracht van in totaal € 431,- per maand. De behoefte van [verzoekster] bedraagt € 208,- per maand. De rechtbank heeft in haar echtscheidingsbeschikking overwogen dat de behoefte van [zus] € 269,- per maand bedraagt. De behoefte van de vrouw bedraagt € 1.785,- per maand. De draagkracht van de vader is ruim onvoldoende om volledig te kunnen voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van [zus], in de kosten van levensonderhoud en studie van [verzoekster] en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De vader dient daarom zijn volledige draagkracht van € 431,- per maand te gebruiken voor [zus] en [verzoekster].

De rechtbank zal de bijdrage van de vader in de kosten van levensonderhoud en studie van [verzoekster] vaststellen op € 208,- per maand. Bij afzonderlijke beschikking zal de rechtbank de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zus] vaststellen op € 223,- per maand.

Ten aanzien van de ingangsdatum

[verzoekster] heeft geen ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie verzocht. De rechtbank zal de bijdrage vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 7 februari 2014.

Ten aanzien van de overige verzoeken van [verzoekster]

De rechtbank wijst af het verzoek van [verzoekster] om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die de vader op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van haar kan of zal worden verstrekt.

De rechtbank acht dit verzoek te onbepaald.

De rechtbank wijst eveneens af het verzoek van [verzoekster] om de vader te veroordelen in de eventuele kosten van de tenuitvoerlegging. Dit verzoek is niet op de wet gegrond. Executiekosten moeten immers worden verhaald door de executie zelf. Bovendien heeft [verzoekster] niet aannemelijk gemaakt dat de vader niet vrijwillig zal nakomen.

Ten aanzien van de proceskosten

De rechtbank zal de proceskosten compenseren nu partijen in een familierechtelijke betrekking tot elkaar staan. Voor een veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure ziet de rechtbank geen aanleiding. De vader heeft om hem moverende redenen gemeend verweer te moeten voeren, mede gelet op de discussie tussen partijen over de behoefte van [verzoekster] en de draagkracht van de vader. Het is zijn goed recht om hierover een beslissing te verlangen van de rechter. Het is de rechtbank niet gebleken dat de vader als een chicanerende dan wel querulerende procespartij moet worden aangemerkt.

De beslissing

De rechtbank:

1.

Bepaalt dat de vader met ingang van 7 februari 2014 € 208,- (tweehonderd acht euro) per maand dient te betalen aan [verzoekster] als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Blankestijn, in tegenwoordigheid van
J.H.A.L. Koelen-Goosink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.

T