Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5167

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
08/955501-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in zijn vervolging van een automobilist die schuldig zou zijn aan een aanrijding met een fietser.

De rechtbank overweegt dat verdachte lichtzinnig is gedagvaard, nu het kwalitatief ondermaatse dossier bij inhoudelijke behandeling slechts kan leiden tot een evidente vrijspraak. De rechtbank is van oordeel dat deze vervolging een schoffering van de verdachte is en daarmee een grove schending van de algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtpleging oplevert. Nu de zaak is uitgeroepen is deze schending onherstelbaar en dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging inzake het primaire feit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/254
NbSr 2014/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/955501-14 (P)

Datum vonnis: 1 oktober 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.J.L. de Valk en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

zich heeft schuldig gemaakt aan:

- primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

- subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2013 in de gemeente Hengelo (O),

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Volkswagen met kenteken [kenteken]), zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft verdachte met dat motorrijtuig, komende vanuit een in-/uitrit

behorende bij een parkeerterrein gelegen aan de parallelbaan

Oldenzaalsestraat/Pentropsdijk aldaar, roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gereden, hierin

bestaande dat verdachte

- terwijl het (uit)zicht van verdachte ter plaatse werd belemmerd, beperkt of

gehinderd door een vanuit zijn rijrichting gezien aan de linkerzijde van

die in/uitrit geparkeerd staande auto, en/of

- heeft verdachte niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of

voorzichtigheid betracht, en/of

- is verdachte vanuit die in-/uitrit genoemde parallelbaan opgereden, zijnde

de uitvoering van een bijzondere manoeuvre waarbij hij het overige zich op

die weg bevindende verkeer voor moest laten gaan (als bedoeld in artikel 54

van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), en/of

- heeft verdachte (daarbij) een voor hem van links komende over

genoemde parallelbaan rijdende toen dicht genaderd zijnde bestuurder van

een fiets niet (tijdig) opgemerkt/gezien en/of heeft verdachte die fietser

niet voor laten gaan, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig

gebotst, althans aangereden, althans in aanrijding gekomen met

die fietser,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (te weten [slachtoffer]

) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 7 september 2013 in de gemeente Hengelo (O),

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Volkswagen met kenteken [kenteken]), komende vanuit een in-/uitrit

behorende bij een parkeerterrein gelegen aan de parallelbaan

Oldenzaalsestraat/Pentropsdijk aldaar, heeft gereden

- terwijl het (uit)zicht van verdachte ter plaatse werd belemmerd, beperkt of

gehinderd door een vanuit zijn rijrichting gezien aan de linkerzijde van

die in/uitrit geparkeerd staande auto, en/of

- heeft verdachte niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of

voorzichtigheid betracht, en/of

- is verdachte vanuit die in-/uitrit genoemde parallelbaan opgereden, zijnde

de uitvoering van een bijzondere manoeuvre waarbij hij het overige zich op

die weg bevindende verkeer voor moest laten gaan (als bedoeld in artikel 54

van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), en/of

- heeft verdachte (daarbij) een voor hem van links komende over

genoemde parallelbaan rijdende toen dicht genaderd zijnde bestuurder van

een fiets niet (tijdig) opgemerkt/gezien en/of heeft verdachte die fietser

niet voor laten gaan, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig

gebotst, althans aangereden, althans in aanrijding gekomen met

die fietser,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat hij ondanks de gebreken in het dossier ontvankelijk is in zijn vervolging. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van 200 euro subsidiair 4 dagen hechtenis.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak. De rechtbank heeft ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie inzake het primair tenlastegelegde:

De verdachte, die zonder advocaat is verschenen, heeft verklaard dat hij niet begrijpt waarom het nodig is dat hij voor de rechtbank moet verschijnen. Hij heeft meermalen contact gehad met de fietser [slachtoffer] en vernomen dat het goed met hem gaat. Verdachte voelt zich verantwoordelijk voor de aanrijding, omdat hij in een auto reed en [slachtoffer] op een fiets. Verdachte vindt dat hij strafrechtelijk niet aansprakelijk is. Zijn zicht werd immers belemmerd door een verkeerd geparkeerde auto. Verder reed hij met ongeveer 2 à 3 kilometer per uur de weg op en [slachtoffer] reed op zijn racefiets 40 à 50 kilometer per uur. Dit heeft hij ook verklaard bij de politie.

De officier van justitie heeft verklaard dat het dossier ver onder de maat is en een dikke onvoldoende verdient. Er is geen Verkeersongevallenanalyse (VOA) gemaakt. In verband met vragen die dit dossier bij hem opriep heeft de officier van justitie contact opgenomen met een van de verbalisanten, maar deze verbalisant kon zich niets meer herinneren van het ongeval. De officier van justitie is van mening dat de onvolkomenheden in het dossier niet ongedaan kunnen worden gemaakt, maar dat dit niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid nu hij vrijspraak eist voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet en hetgeen wel in het dossier zit voldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het dossier bestaat uit een verhoor van verdachte en een verhoor van aangever, welke verklaringen beide telefonisch zijn afgelegd. Voorts zit in het dossier een proces-verbaal aanrijding misdrijf waarin is opgenomen de vermoedelijke toedracht, welke beschrijving van de vermoedelijke toedracht, blijkens een ter terechtzitting overgelegd proces-verbaal van bevindingen, is “ontstaan uit de verklaring van de Heer [slachtoffer]” ter plaatse. Tot slot bevat het dossier één foto van de parkeerplaats, waarvan niet blijkt uit welke positie (auto, fiets of anders) deze is genomen. Deze foto schetst maximaal één invalshoek van het ongeval. De foto is niet genomen op het moment van de aanrijding of kort daarna, want op de foto staan niet de auto van verdachte, de aangereden fiets en de verkeerd geparkeerde auto.

De rechtbank overweegt dat verkeersongevallen met letsel vaak enorme schuldgevoelens bij daders oproepen. Verdachte, die niet eerder in aanraking is geweest met politie of justitie, heeft meerdere malen contact opgenomen met [slachtoffer] om te vragen naar zijn welzijn. Verdachte voelt zich als automobilist verantwoordelijk voor het letsel van [slachtoffer], terwijl verdachte ook verklaard dat hij de aanrijding niet had kunnen voorkomen.

Deze veel voorkomende schuldgevoelens, welke de officier van justitie ongetwijfeld ambtshalve bekend zijn, hoeven er niet aan in de weg te staan om iemand te vervolgen voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Een dossier dient uiteraard wel zorgvuldig te worden beoordeeld voordat wordt overgegaan tot strafrechtelijke vervolging.

De officier van justitie moet minimaal zien dat een bewezenverklaring tot de mogelijkheden behoort, maar in onderhavige zaak is de officier van justitie van mening dat het kwalitatief ondermaatse dossier tekortkomingen bevat die niet ongedaan kunnen worden gemaakt. De officier van justitie concludeert dan ook tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat de inhoud van het onderhavige dossier geen bewijsmiddelen bevat die een discussie kunnen opleveren die leidt tot bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet. Er zou bij inhoudelijke behandeling van de zaak niet anders kunnen worden geconcludeerd dan tot vrijspraak. De officier van justitie had, blijkens hetgeen ter zitting is besproken, die conclusie ook al voor de zitting getrokken, maar hij heeft er ondanks die conclusie voor gekozen verdachte te dagvaarden voor een zeer ernstig misdrijf. Ook na nadere bestudering van het dossier en de dagvaarding heeft de officier van justitie er niet voor gekozen om de dagvaarding in te trekken, maar heeft hij verdachte voor de meervoudige strafkamer laten voorkomen voor dat zeer ernstige misdrijf.

De rechtbank overweegt dat verdachte lichtzinnig is gedagvaard, nu het kwalitatief ondermaatse dossier bij inhoudelijke behandeling slechts kan leiden tot een evidente vrijspraak. De rechtbank is van oordeel dat deze vervolging een schoffering van de verdachte is en daarmee een grove schending van de algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtpleging oplevert. Nu de zaak is uitgeroepen is deze schending onherstelbaar en dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging inzake het primaire feit.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie inzake het subsidiair tenlastegelegde:

De verdachte heeft in ieder geval in zijn telefonische verhoor, en naar eigen zeggen ook ter plaatse, verklaard dat hij het ongeval niet had kunnen voorkomen. Hij heeft in dat verhoor gewezen op zijn snelheid, de snelheid van [slachtoffer] en de verkeerd geparkeerde auto, welke zijn zicht belemmerde.

De rechtbank overweegt dat uit deze verklaring van verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS) volgt. Een dergelijk tijdig gedaan beroep op een schulduitsluitingsgrond dient te worden onderzocht door politie, al dan niet na opdracht van de officier van justitie, die het strafrechtelijk onderzoek leidt. Er is echter geen Verkeersongevallenanalyse (VOA) opgemaakt en ook de foto van de parkeerplaats geeft geen beeld van de situatie ten tijde van het ongeval. Desgevraagd hebben de verdachte en de officier van justitie geantwoord dat niet is onderzocht dat verdachte onschuldig is.

De rechtbank overweegt dat de tekortkomingen in het dossier niet zijn te herstellen, ook niet door het horen van de verbalisanten, nu deze zich niets kunnen herinneren van de situatie ter plaatse. Het beroep op afwezigheid van alle schuld is dus ook niet meer te onderzoeken. Door uit te gaan van een schuldige verdachte en zijn beroep op een niet onaannemelijke schulduitsluitingsgrond niet te onderzoeken zijn de belangen van de verdachte ernstig geschaad. De rechtbank is van oordeel dat deze schending onherstelbaar is en de officier van justitie daarom eveneens niet-ontvankelijk is in de vervolging van het subsidiaire feit.

5 De conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in zijn vervolging.

6 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans, en mr. B.C Maresch-Evers, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2014.

Mrs. Berg en Maresch-Evers voornoemd zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.