Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5150

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
Awb 14/2124
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening en beroep i.v.m. uitbreiding varkensstal. Beroep gegrond. Ondeugdelijke publicatie voornemen en besluit. Geen mogelijkheid om het gebrek hangende beroep te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2124

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers],

wonende te Raalte, verzoekers,

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte,

verweerder,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Varkenshandel [belanghebbende]V.O.F., te Raalte.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Varkenshandel

[belanghebbende] V.O.F. te Raalte een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een varkensstal met luchtwasser op het perceel [adres 3] te Raalte en ten behoeve van het wijzigen van de inrichting op dit perceel. De omgevingsvergunning is ter inzage gelegd van 11 juli 2014 tot en met 22 augustus 2014.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 14/2125. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door ir. Van Hoof. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.M. Legebeke en R.H.J.C. Vollenbroek. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [belanghebbende], bijgestaan door B.H. Wopereis.

Overwegingen

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Indien nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter, indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Aan de [adres 3] te Raalte voert de derde partij een varkenshouderij. De inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Raalte. Bij besluit van 18 augustus 2009 is ten behoeve van deze inrichting een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend.

Verzoeker [verzoeker 1] woont aan de [adres 1] te Raalte. Verzoeker [verzoeker 2] woont aan de [adres 2] te Raalte. De afstand tussen de inrichting en de woning aan de [adres 1] te Raalte bedraagt hemelsbreed 166 meter. De woning aan de [adres 2] te Raalte ligt iets verder verwijderd van de inrichting.

De derde partij heeft twee oudere varkensstallen gesloopt en wil een nieuwe, grotere stal bouwen. De derde partij wil het aantal varkens dat in de inrichting gehouden wordt uitbreiden. In de nieuw te bouwen stal zullen 2992 mestvarkens en 2376 gespeende biggen worden gehuisvest.

Verweerder heeft bij besluit 5 maart 2013 een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een varkensstal op het perceel [adres 3] te Raalte en ten behoeve van het wijzigen van de werking van de inrichting op dit perceel. Bij uitspraak van 21 november 2013 (Awb 13/929) heeft de rechtbank het door verzoekers tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en heeft de rechtbank het besluit van 5 maart 2013 vernietigd. Vervolgens heeft de derde partij de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingetrokken.

De derde partij heeft op 23 december 2013 een nieuwe aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingediend. Het bouwplan van de nieuw te bouwen stal is enigszins gewijzigd ten opzichte van het bouwplan waarop de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2013 (Awb 13/929) betrekking heeft. De nieuw te bouwen stal zal, anders dan in het vorige plan, worden voorzien van een gecombineerde biologische luchtwasser. Ook is de nieuw te bouwen stal breder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag ingewilligd en heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

  • -

    het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo);

  • -

    het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo);

  • -

    het veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo).

De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij op grond van het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist.

Gebleken is dat de derde partij op korte termijn een begin wil maken met de bouw van de varkensstal. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit gegeven voldoende om aan te nemen dat sprake is van onverwijlde spoed in de zin van voornoemde bepaling. Indien de stal eenmaal gebouwd is, zal deze immers alleen tegen hoge kosten te verwijderen zijn indien de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven.

De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling van dit geschil uitgaan van hetgeen is overwogen in de uitspraak van deze rechtbank van 21 november 2013 (Awb 13/929) met betrekking tot het vorige bouwplan.

Veranderen van een inrichting:

De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of het beroep, voor zover gericht tegen de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo (het veranderen van een inrichting), kans van slagen heeft. Hierbij geldt het volgende beoordelingskader.

Op grond van het bepaalde in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo slechts in het belang van het milieu worden geweigerd. Weigering van een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit op grond van andere belangen is derhalve niet mogelijk.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo dienen de in deze bepaling genoemde belangen in ieder geval betrokken te worden bij de beslissing op de aanvraag van een vergunning voor een dergelijke activiteit.

Geur:

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de geurbelasting in de bij het bestreden besluit behorende stukken niet juist is berekend. Vanwege de geurbelasting had een milieueffectrapportage (hierna: MER) moeten worden opgemaakt. Alleen zo kan de cumulatieve geurbelasting van de diverse inrichtingen op de woningen in dit gebied goed in beeld worden gebracht.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bepaalt dat bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 van de Wgv betrekt.

Aangezien de gemeente Raalte gelegen is binnen een concentratiegebied, als bedoeld in bijlage 1 bij de Meststoffenwet, en de woningen van verzoekers gelegen zijn buiten de bebouwde kom, dient de omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv, geweigerd te worden indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

In artikel 10 van de Wgv, voor zover hier van belang, is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de wijze waarop de geurbelasting wordt bepaald. Deze ministeriële regeling is de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). In artikel 2, eerste lid, van de Rgv is bepaald dat de geurbelasting wordt berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010 (hierna: V-Stacks). Dat verzoekers menen dat dit verspreidingsmodel onvolkomenheden bevat kan er niet afdoen dat dit wettelijk is voorgeschreven.

Het systeem van de Wgv voorziet niet in een beoordeling van cumulatieve geurbelasting, ten gevolge van meerdere veehouderijen. Dat de woningen van verzoekers tevens belast worden door geur die afkomstig is van andere inrichtingen kan bij de beoordeling of een omgevingsvergunning dient te worden verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, dan ook geen rol spelen.

Ter zitting is gebleken dat in de bij het bestreden besluit behorende tabel voor wat betreft de geurberekening een onjuiste odeurnorm is vermeld, die verwijst naar een ander stalsysteem dan het in de vergunning genoemde stalsysteem. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat indien de bij het vergunde stalsysteem behorende odeurnorm wel zou zijn opgenomen in deze tabel, dit wel degelijk tot de beoordelingsresultaten zoals vermeld in het bij het bestreden besluit behorende beoordelingsverslag leidt.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Wel is dit gebrek naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter herstelbaar, aangezien het slechts een onderliggende bijlage bij het bestreden besluit betreft.

Voor schorsing van het bestreden besluit vanwege de vermelding van een onjuiste odeurnorm in een bijlage bij het besluit bestaat dan ook geen aanleiding.

MER:

De voorzieningenrechter stelt voor wat betreft de vraag of in dit geval een MER-plicht geldt voorop dat het op 27 januari 2014 door verweerder genomen ‘MER-beoordelingsbesluit’ geldt als een voorbereidingshandeling, als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Hiertegen konden verzoekers destijds geen rechtsmiddelen aanwenden. Tegen deze voorbereidingshandeling kunnen verzoekers in het kader van het door hen ingestelde beroep tegen de verleende omgevingsvergunning en in het kader van dit verzoek om een voorlopige voorziening opkomen.

In het kader van de MER-beoordeling kunnen de milieugevolgen van een installatie breder worden bezien dan het geval is bij de beoordeling van een verleende omgevingsvergunning. Zo kunnen in het kader van een MER-beoordeling ook alternatieven en cumulatieve milieugevolgen van een installatie aan de orde komen.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 november 2013 (Awb 13/929) geoordeeld dat er op basis van de gegevens die toen aan de rechtbank zijn verstrekt geen aanleiding bestond voor het oordeel dat de door de derde partij beoogde uitbreiding zodanig was dat hiervoor een MER diende te worden verlangd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de cumulatieve aspecten van de wijziging van de inrichting in het MER-beoordelingsbesluit wel in beeld zijn gebracht. Zo zijn, om een inschatting te maken van het cumulatieve effect, alle bedrijven gelegen in een straal van 2 kilometer rondom het bedrijf ingevoerd in het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. Verzoekers hebben weliswaar gesteld dat dit verspreidingsmodel onvolkomenheden bevat, maar hetgeen zij hebben aangevoerd bevat onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de berekeningen in dit geval zodanig onjuist zijn dat hier bij het nemen van het MER-beoordelingsbesluit niet vanuit had mogen worden gegaan. In dit verband is van belang dat verzoekers geen door een deskundige opgestelde contra-expertise hebben overgelegd. Verweerder mocht dan ook uitgaan van de uitkomsten van de berekeningen die met toepassing van V-Stacks-Gebied zijn gemaakt.

Ter zitting is namens verweerder uiteengezet dat hinder ten gevolge van achtergrondbelasting slechts speelt indien sprake is van twee maal de voorgrondbelasting. Het gegeven dat verzoekers tussen twee varkenshouderijen wonen is verdisconteerd in de berekeningen. Zoals ter zitting uiteengezet is hier de voorgrondbelasting, die 13,9 Ou/m³ bedraagt, bepalend. Niet gebleken is dat deze geurbelasting zodanig is dat verweerder om deze reden een MER had moeten verlangen. Dat door GGD een strengere norm wordt geadviseerd en dat de vorige uitbreiding van de inrichting heeft plaatsgevonden in 2009 doet in dit verband niet ter zake.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de milieugevolgen van de installatie niet zodanig zijn dat hiervoor een MER diende te worden verlangd. Voor schorsing van het bestreden besluit op deze grond bestaat dan ook geen aanleiding.

Geluid:

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter behoefde verweerder ook geen nadere voorschriften met betrekking tot geurhinder op te nemen in de vergunning. Gehandhaafd kan worden op de wettelijke norm van de Wgv.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van de voorschriften bij de vergunning onvoldoende bescherming bieden tegen geluidsoverlast. Bij de berekening van de te verwachting geluidsbelasting is uitgegaan van een te laag bronvermogen voor schreeuwende varkens. De geluidsnormen zijn voor de inrichting niet naleefbaar en de vergunning had daarom niet mogen worden verleend.

Voor wat betreft de geluidsbelasting van de inrichting is in voorschrift 7.1.1 bij de vergunning bepaald dat het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

Ingevolge het bepaalde in voorschrift 7.2.1 mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAR,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten vanwege de representatieve bedrijfssituatie, ter hoogte van woningen van derden niet meer bedragen dan:

tijdens de dag (07.00-19.00 uur) : 40 dB(A)

tijdens de avond (19.00-23.00 uur) : 35 dB(A)

tijdens de nacht (23.00-07.00 uur) : 30 dB(A).

Ingevolge het bepaalde in voorschrift 7.3.1 mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAR,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten vanwege de incidentele bedrijfssituatie, ter hoogte van het beoordelingspunt bij de woning aan de Raarhoeksweg 60 niet meer bedragen dan:

tijdens de dag (07.00-19.00 uur) : 41 dB(A)

tijdens de avond (19.00-23.00 uur) : 38 dB(A)

tijdens de nacht (23.00-07.00 uur) : 36 dB(A).

Ingevolge het bepaalde in voorschrift 7.4.1 mag het maximale geluidsniveau LAmax (in dB(A)) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten ter hoogte van het beoordelingspunt bij de woning aan de Raarhoeksweg 60 niet meer bedragen dan:

tijdens de dag (07.00-19.00 uur) : 55 dB(A)

tijdens de avond (19.00-23.00 uur) : 54 dB(A)

tijdens de nacht (23.00-07.00 uur) : 54 dB(A).

De voorzieningenrechter stelt vast dat ter zitting duidelijkheid is verkregen over de vermeende onduidelijkheid over het lossen van varkens in de nacht in bijlage C2-1 bij het bij de vergunning horende rapport van het Geluidburo van 7 november 2013. De onduidelijkheid is veroorzaakt doordat bij de bovenste vermelding ‘lossen varkens LAmax’ in deze bijlage ten onrechte niet vermeld is dat dit specifiek betrekking heeft op gelten, oftewel eenjarige zeugen. Dat hierbij ten onrechte het woord ‘nacht’ is vermeld, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een kennelijke verschrijving, nu uit de berekende resultaten blijkt dat deze voor wat betreft de gelten betrekking hebben op de dagperiode. Deze onduidelijkheid leidt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat gelten ook varkens zijn en dat de vermelding in bijlage C2-1 daarom in strikte zin niet onjuist is.

Uit het rapport van het Geluidburo blijkt dat voor wat betreft het bronvermogen van schreeuwende varkens is afgegaan op ervaringscijfers op basis van metingen elders bij vergelijkbare bedrijven en een meetarchief. Deze wijze van het bepalen van het bronvermogen acht de voorzieningenrechter bij gebreke van een vaste norm waar op afgegaan kan worden aanvaardbaar. Dat, zoals door verzoekers betoogd, door anderen ook wel van een hoger bronvermogen wordt uitgegaan, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om hieraan af te doen. Hiermee is immers niet aangetoond dat de wijze waarop het Geluidburo het gehanteerde bronvermogen heeft bepaald onjuist dan wel onzorgvuldig is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich voor wat betreft het uitgangspunt dat het bronvermogen van schreeuwende varkens 111 dB(A) bedraagt, dan ook mogen baseren op het rapport van het Geluidburo.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht geen extra toeslagfactor van 5 dB(A) voor tonaal geluid berekend vanwege de achteruitrijsignalering van op het terrein van de inrichting rijdende vrachtwagens. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk gemaakt dat het geluid van de achteruitrijsignalering volledig gemaskeerd wordt door omgevingsgeluid en dat deze daarom niet of nauwelijks waarneembaar is bij de woningen van verzoekers. Onder deze omstandigheden hoefde hiermee geen rekening te worden gehouden en hoefde geen toeslagfactor vanwege tonaal geluid in rekening te worden gebracht. Dat, zoals ter zitting namens verzoekers is betoogd, ook het achtergrondgeluid kan fluctueren, is onvoldoende om hieraan af te doen.

Conclusie:

De voorzieningenrechter komt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit, voor zover hierbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, voor wat betreft één onderdeel van de geurberekening niet deugdelijk is gemotiveerd. Aangezien dit gebrek herstelbaar is ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het bestreden besluit op deze grond te schorsen.

Bouwen van een bouwwerk en afwijken van het bestemmingsplan:

De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of het beroep, voor zover gericht tegen de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo, kans van slagen heeft.

Het bouwplan is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte”. De gronden waarop het bouwplan gesitueerd is hebben de bestemming ‘agrarisch’ met de functieaanduiding ‘íntensieve veehouderij’. Vast staat dat het bouwplan de grenzen van het bouwvlak aan de zuidzijde overschrijdt. Dat ook aan de achterzijde van de stal de grenzen van het bouwvlak zullen worden overschreden is onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Verweerder heeft, met toepassing van artikel 3.4.1 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften), de afwijking van de regel dat binnen het bouwvlak dient te worden gebouwd toegestaan.

Op grond van het bepaalde in artikel 3.4.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag ten behoeve van agrarische bedrijven bij een omgevingsvergunning afwijken van de op de verbeelding aangegeven begrenzing van een bouwvlak en het bepaalde in artikel 3.2, onder a, met inachtneming van het volgende:

  1. overschrijding van het bouwvlak is alleen toelaatbaar, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; hiervan is in ieder geval sprake, indien de overschrijding van het bouwvlak vanwege de milieuwetgeving of het dierenwelzijn is vereist;

  2. er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing.

De voorzieningenrechter stelt vast dat een inhoudelijke motivering van de noodzaak van de afwijking in het bestreden besluit geheel ontbreekt. Eerst ter zitting is namens de derde partij toegelicht dat de reden voor de vergroting van de stal ten opzichte van de oorspronkelijk beoogde grootte is dat de hokken vanuit eisen van dierenwelzijn een bepaalde oppervlakte moeten hebben, waaraan anders bij het beoogde aantal varkens niet kon worden voldaan. Nu deze motivering eerst ter zitting kenbaar is gemaakt, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een motiveringsgebrek. Dit gebrek is echter naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter herstelbaar. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat de ter zitting gegeven toelichting nauw aansluit bij het in artikel 3.4.1, onder a, van de planvoorschriften genoemde belang van het dierenwelzijn.

Voor schorsing van het bestreden besluit vanwege de gebrekkige motivering van de noodzaak van de afwijking bestaat daarom, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, geen aanleiding.

Aan de in artikel 3.4.1, onder b, van de planvoorschriften neergelegde verplichting om te voorzien in een adequate landschappelijke inpassing is in het bouwplan vorm gegeven door middel van een beplantingsplan. Het beplantingsplan voorziet in de aanplant van bomen aan de zuidzijde van de nieuw te bouwen stal en aan de westzijde van de stallen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de planvoorschriften niet nader is omschreven wat moet worden verstaan onder een adequate landschappelijke inpassing. De ter zitting namens verweerder gegeven uitleg, dat de verplichting om te voorzien in een adequate landschappelijke inpassing direct samenhangt met de afwijking van het bestemmingsplan die wordt vergund, komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. Nu ter plaatse waar wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt voorzien in beplanting, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan het vereiste in deze bepaling.

Publicatie:

De voorzieningenrechter constateert vervolgens dat zowel in de publicatie van het voornemen om de omgevingsvergunning te verlenen als in de publicatie van het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend enkel vermeld is dat deze betrekking heeft op de activiteiten ‘bouwen; bouw varkensstal met luchtwasser’ en ‘het in werking hebben van een inrichting (milieu): revisie varkenshouderij’. Ten onrechte is in geen van beide publicaties genoemd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning ook betrekking heeft op de activiteit ‘het afwijken van het bestemmingsplan’. In zoverre is dan ook gehandeld in strijd met de artikelen 3:12, eerste lid, en 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb.

Verweerder en de derde partij stellen zich op het standpunt dat nu verzoekers niet benadeeld zijn door de ondeugdelijke publicaties, artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit op deze grond. Bovendien zijn alle omwonenden toch wel bekend met de bouwplannen van de derde partij. De meest directe omwonende aan de zuidzijde van het perceel [adres 3] te Raalte is zelf ook agrariër; hij heeft geen bezwaar tegen de bouwplannen van de derde partij.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het tot de taak van de rechter behoort om ambtshalve te waken over de verplichting dat voornemens als waarvan hier sprake is en besluiten waarbij een omgevingsvergunning wordt verleend op de wettelijk voorgeschreven wijze worden gepubliceerd. Immers alleen op deze wijze kan worden gewaarborgd dat belanghebbenden kennis kunnen nemen van besluiten die hun directe leefomgeving raken en van voornemens om dergelijke besluiten te nemen. Niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat er belanghebbenden zijn die, als zij hadden geweten dat het voornemen en het bestreden besluit tevens betrekking hadden op de activiteit ‘het afwijken van het bestemmingsplan’, hiertegen zouden zijn opgekomen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat dit gebrek niet met toepassing van artikel 8:69a dan wel artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat het niet mogelijk is om het gebrek in de publicatie hangende de behandeling van het beroep te herstellen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met de artikelen 3:12 en 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb, te worden vernietigd.

Verweerder kan, bij het nemen van een nieuwe beslissing op de aanvraag, de geconstateerde gebreken in het huidige besluit herstellen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening dient, gelet op het voorgaande te worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van verleende rechtsbijstand zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het verzoek, 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 1461,--. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om verzoeker een vergoeding van € 19,44 voor reis- en verblijfkosten en een vergoeding van € 47,61 voor verletkosten toe te kennen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep, met nummer Awb 14/2125, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 1528,05, te betalen aan verzoekers;

  • -

    gelast dat verweerder aan verzoekers de door hen betaalde griffierechten, zowel voor wat betreft het beroep als voor wat betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, ten bedrage van € 165,-- voor elk van deze procedures, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

.Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.