Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5101

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
Awb 14/969
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering; rechtbank oordeelt dat eiser niet is aan te merken als een migrerend werknemer in de zin van arftikekl 45 van het VWEU; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/969

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser][eiser] te Enschede, eiser,

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verstrekte studiefinanciering over de periode oktober 2013 tot en met december 2013 herzien en over deze periode een bedrag van € 2.439,87 teruggevorderd. Voorts heeft verweerder bepaald dat het recht op een studentenreisproduct (deels) is vervallen en derhalve een OV-schuld is ontstaan van € 582,00. Ten slotte heeft verweerder bepaald dat eiser per januari 2014 slechts recht heeft op het collegegeldkrediet.

Bij besluit van 13 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden

1.1

Eiser heeft de Engelse nationaliteit. Met ingang van 1 september 2012 is eiser

begonnen met de opleiding fysiotherapie aan de Saxion hogeschool. Eiser ontving – voor

zover hier van belang – studiefinanciering over het jaar 2013. Bij besluit van 18 januari 2014

is de aan hem toegekende studiefinanciering over de maanden oktober 2013 tot en met

december herzien en teruggevorderd. Voorts is ten laste van eiser een OV-schuld vastgesteld

en is aan eiser met ingang van januari 2014 enkel een collegegeldkrediet toegekend.

1.2

Het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 januari 2014 is bij besluit van

verweerder van 13 maart 2014 ongegrond verklaard, omdat eiser volgens verweerder in

genoemde maanden niet kan worden aangemerkt als migrerend werknemer. Daartoe wordt in

het bestreden besluit verwezen naar een boekenonderzoek dat is gedaan door de

belastingdienst, en dat heeft geleid tot een rapport van 14 oktober 2013.

2.

Eiser voert aan dat hij als migrerend werknemer dient te worden aangemerkt, omdat

Hij sinds oktober 2012 een contract heeft met Flooring (Cumbria LTD), gevestigd in

Engeland. De omvang van de te verrichten werkzaamheden bedroeg in eerste instantie 32 uur

per maand, tegen betaling van 300 euro. Per 1 september 2013 werden de te werken uren

opgehoogd naar 58 uur per maand, tegen betaling van 464 euro. Volgens eiser blijkt

uit de arbeidsovereenkomst die op 5 oktober 2012 is opgesteld en de contracten met klanten

onder meer dat sprake is van daadwerkelijke en regelmatige werkzaamheden voor de

opdrachtgever. Verweerder heeft de toepasselijke beleidsregels volgens eiser onjuist

toepast, omdat nader onderzoek naar de individuele omstandigheden niet op zijn plaats is, nu

eiser een contract heeft dat voldoet aan de minimumeisen van de toepasselijke beleidsregel.

Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2012,

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0238.

Dat geen sprake is van ondernemerschap en dat volgens de Belastingdienst de indruk bestaat

dat de vader van eiser middels zijn Engelse bedrijf eiser in Nederland financieel steunt bij het

volgen van een studie, is volgens eiser irrelevant voor de beoordeling en onvoldoende grond

om tot terugvordering dan wel intrekking over te gaan. Het verrichte onderzoek is, indien het

wel noodzakelijk is, volgens eiser onvoldoende. Verder doet eiser een beroep op het

vertrouwensbeginsel, aangezien hem in een eerder stadium wel studiefinanciering is

verstrekt.

3.

Verweerder heeft op 24 juni 2014 een nader schrijven ingediend. Verweerder meldt

dat de belastingdienst een onderzoek heeft verricht naar de door eiser gevoerde activiteiten.

Daarbij heeft de belastingdienst vastgesteld dat er geen sprake is van ondernemerschap, doch

dat er sprake is van een loondienstverhouding met het bedrijf van eisers vader. Verweerder

stelt dat eiser hierdoor niet meer voldoet aan het criterium van migrerend werknemer,

aangezien eiser Brits onderdaan is en een loondienstverhouding heeft met een bedrijf op

Brits grondgebied. Volgens verweerder voldoet eiser wellicht aan het criterium van

grensarbeider. In dat geval kan eiser de sociale voordelen bij het ‘werkland’ claimen, in dit

geval Groot-Brittannië en niet Nederland, aldus verweerder.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank stelt vast dat de beoordeling door de rechtbank ziet op het bestreden besluit van 13 maart 2014. Het bericht betreffende studiefinanciering van 25 januari 2014 valt buiten de omvang van het geding.

4.2

Bij de beoordeling betrekt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij. Ingevolge het tweede lid van dit Verdrag houdt dit de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 492/2011 mag een werknemer die onderdaan is van een lidstaat op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers, wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dit artikel geniet hij er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan een studerende voor studiefinanciering in aanmerking komen die:

a. de Nederlandse nationaliteit bezit,

b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of

c. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders worden gelijkgesteld.

Ingevolge het tweede lid kunnen, onverminderd het eerste lid, onderdeel b, bij algemene maatregel van bestuur groepen van personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming.

Studenten die kunnen worden aangemerkt als migrerend werknemer in de zin van artikel 45 van het VWEU, kunnen op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder b van de Wsf 2000 in aanmerking komen voor studiefinanciering.

Bij de vraag of een student als migrerend werknemer kan worden aangemerkt, hanteert verweerder de Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en wetenschap van 13 december 2012, inzake het controlebeleid migrerend werknemerschap op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 (Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap. Daarin is het volgende bepaald:

“Studerenden, met een nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie of zij die daarmee gelijkgesteld zijn, kunnen net als Nederlandse studerenden in aanmerking komen voor volledige studiefinanciering, indien zij of hun ouders aangemerkt kunnen worden als migrerend werknemer.

(…)

De Dienst Uitvoering Onderwijs gaat ervan uit dat iedere studerende, die over de controleperiode 56 uur (vóór 1 januari 2014: 32 uur) of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft en daarmee terecht studiefinanciering heeft ontvangen over het gecontroleerde studiefinancieringstijdvak. (…) Bij het vaststellen van het criterium van 56 uur gemiddeld per maand zal eveneens tot een hoogte van één maand rekening worden gehouden met vakanties en eventuele ziekte (…).”

Met betrekking tot het (oude) beleid verwijst de rechtbank onder meer naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 februari 2012 (LJN: BV6849), waaruit volgt dat de CRvB dit beleid als volgt heeft begrepen. Indien de studerende over de controleperiode 32 uren of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, heeft hij zonder meer de status van migrerend werknemer. Aangezien het om een gemiddeld aantal uren per maand gaat is niet van belang of de studerende gedurende een aantal maanden minder uren heeft gewerkt, zolang sprake is van meer dan marginale en bijkomstige werkzaamheden. Indien een studerende in één maand in het geheel niet heeft gewerkt wegens vakanties en eventuele ziekte wordt deze maand buiten beschouwing gelaten en wordt het aantal uren gemiddeld over 11 maanden. Als de studerende meer dan één maand in het geheel niet heeft gewerkt dan bestaat er over de maanden dat minder dan 32 uren is gewerkt geen recht op studiefinanciering. De CRvB gaat er daarbij van uit dat de controleperiode gelijk is aan het studiefinancieringstijdvak. Voorts is de CRvB, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 oktober 2011 (LJN: BT8968), van oordeel dat in het beleid geen onjuiste uitleg is gegeven aan het begrip “werknemer” als bedoeld in artikel 45 van het EU-werkingsverdrag.

4.3

Niet ter discussie is dat eiser nog geen vijf jaar in Nederland woont en daarom geen recht heeft op studiefinanciering op grond van verblijfsduur. In deze zaak staat de vraag centraal of eiser is aan te merken als migrerend werknemer. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord, gelet op het volgende.

Eiser heeft een contract met een in Engeland gevestigde onderneming. Hij is volgens de Belastingdienst belastingplichtig in Engeland en is voor de sociale verzekeringen verzekerd in Engeland. Eiser kon zich vinden in deze conclusies van de Belastingdienst, blijkens eerdergenoemd rapport van 14 oktober 2013. In het bestreden besluit heeft verweerder nadrukkelijk naar het rapport van 14 oktober 2013 verwezen.

Onder deze omstandigheden, in samenhang met de overige beschikbare gegevens, is eiser niet aan te merken als migrerend werknemer in de zin van artikel 45 van het VWEU. In dit kader wijst de rechtbank voorts nog op de omschrijving van het begrip ‘migrerend werknemer’ in het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers. In artikel 1, eerste lid, wordt aangegeven dat voor toepassing van dit verdrag onder ‘migrerend werknemer’ wordt verstaan de onderdaan van een Verdragsluitende Partij die van een andere Verdragsluitende Partij toestemming heeft gekregen om op haar grondgebied te verblijven ten einde aldaar arbeid in loondienst te gaan verrichten.

Dat eiser, zoals hij stelt, de werkzaamheden in Nederland heeft verricht, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij tekent de rechtbank aan dat hiermee niet is gegeven dat er een band is tussen eiser en de betrokken geografische arbeidsmarkt. In de Memorie van Toelichting bij de WSF, gepubliceerd op 2 mei 2003, KST 67962, 28865 (nr. 3) is in dit kader voorts nadrukkelijk vermeld dat aansluiting wordt gezocht bij de sociale zekerheidswetgeving.

Aan het voorgaande doet niet af dat eiser, zoals betoogd, nog steeds als zelfstandige staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Naar het oordeel van de rechtbank maakt die enkele inschrijving niet dat eiser ook daadwerkelijk als zelfstandige, laat staan als migrerend werknemer, moet worden aangemerkt.

4.4

Met bovenstaande is gegeven dat eiser voor de in geding zijnde periode geen aanspraak had op studiefinanciering als migrerend werknemer. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de studiefinanciering dan ook terecht ingetrokken en teruggevorderd over de periode oktober tot en met december 2013 en afgewezen per

1 januari 2014.

4.5

Dat aan eiser in een eerder stadium wel studiefinanciering is verstrekt, maakt niet dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Ingevolge artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 vindt herziening plaats op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Derhalve is sprake van een verplichting en niet van een bevoegdheid om de studiefinanciering van eiser te herzien. Weliswaar zijn bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien door of namens het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk (onjuiste of onvolledige) inlichtingen zijn verstrekt die bij hem gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de CRvB van 5 april 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AW5380). Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. In het geval van eiser heeft het onderzoek van de belastingdienst, waaruit is gebleken dat eiser niet als migrerend werknemer kan worden aangemerkt zodat aan eiser ten onrechte studiefinanciering is toegekend, aanleiding gegeven om de studiefinanciering van eiser te herzien.

4.6

Ten slotte treft het beroep van eiser op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0238) reeds geen doel, nu deze uitspraak is gedaan in een zaak met geheel andere omstandigheden dan de nu voorliggende zaak.

5.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.T.G. Huisman griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.