Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5099

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
ak_zwo_14_581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor doorstroming van medewerker BPZ-A (Generalist GGP) naar medewerker BPZ-B (Senior GGP) in het kader van HAP-II afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/581

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H. Yildiz, werkzaam bij de ACP te Leusden,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2013, uitgereikt op 6 maart 2013, (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om in aanmerking te komen voor doorstroming van medewerker BPZ-A (Generalist GGP) naar medewerker BPZ-B (Senior GGP) afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mw. mr. A.M.A.C. Teunissen en E. de Jonge, beiden werkzaam bij de Eenheid Oost-Nederland van de politie.

Overwegingen

1.

Eiser is werkzaam als medewerker BPZ-A (Generalist GGP) bij de Eenheid Oost-Nederland, team Zwolle Centrum/Zuid. Eisers functioneren als medewerker BPZ-A (Generalist GGZ) is in de meest recente beoordeling als “goed” beoordeeld. Tegen deze beoordeling heeft eiser geen bezwaar gemaakt, waardoor deze onherroepelijk is.

Op 3 december 2012 heeft eiser een aanvraag ingediend om in het kader van de HAP II- regeling in aanmerking te komen voor doorstroming naar de functie medewerker BPZ-B (Senior GGP). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 28 februari 2013 afgewezen. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd.

2.

De rechtbank stelt voorop dat op de beoordeling van dit geschil het volgende beleidskader van toepassing is.

Op 1 november 2010 is, als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007, de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche, Stcrt. 2010, nr. 19782 (hierna genoemd: HAP II), in werking getreden. In bijlage 6 van de circulaire is het Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior binnen de GGP opgenomen. In het kader van dit loopbaanbeleid zijn binnen de politie collectieve afspraken gemaakt en eisen gesteld aan de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie.

Voor doorstroming van de Generalist GGP naar de Senior GGP gelden op grond van dat loopbaanbeleid de volgende eisen:

. een met goed gevolg afgeronde functiegerichte aangewezen opleiding op niveau 4;

. relevante werkervaring als Generalist GGP;

. vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen

verwachte geschiktheid voor Senior GGP;

. een eventueel door het korps te stellen geografische stap en/of werkterrein c.q.

aandachtsgebied als aanvullende voorwaarde.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser voldoet aan de voorwaarden betreffende opleiding, relevante werkervaring en geografische stappen of werkterreinen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser voldoet aan het vereiste dat hij bij zijn aanvraag beschikte over vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm, met daarin opgenomen dat geschiktheid voor de functie Senior GGP wordt verwacht.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan dit vereiste. Daartoe voert verweerder aan dat de meest recente beoordeling van eiser niet de eindscore “uitstekend” bevat, maar de eindscore “goed” en dat hij blijkens een gemotiveerd advies van zijn teamchef niet voldoet aan de vereiste verwachte geschiktheid voor de seniorfunctie.

Eiser kan zich niet met verweerders besluit verenigen. Hij stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat hij voldoet aan alle vereisten van HAP II om door te kunnen stromen naar Senior GGP. Met name is eiser van oordeel dat hij met de eindscore “goed” in de meeste recente beoordeling voldoet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm. De circulaire Loopbaanbeleid en de Nadere uitvoeringsafspraken met betrekking tot HAP II zijn volgens eiser duidelijk. Hieruit volgt dat bij de bevordering tot de functies van Assistent A GGP tot en met Generalist GGP een eindscore “voldoende” wordt vereist. De eerstvolgende score na “voldoende” is “goed”. Het begrip "boven de norm" dient naar de mening van eiser daarom uitgelegd te worden als een eindscore “goed” en niet als “uitstekend”. Hij verwijst daarbij naar uitspraken van deze rechtbank met vindplaatsen ECLI:NL:RBOVE:2013:1836 en ECLI:NL:RBOVE:2013:4556. Verder beroept eiser zich op de uitspraak van zijn teamchef dat hij van mening is dat eiser kan doorgroeien naar Senior GGP.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

Leidend in dezen is het loopbaanbeleid, zoals opgenomen in Bijlage 6 van de Circulaire HAP II. Deze circulaire stelt voor een bevordering als regel de eis dat er een recent vastgestelde beoordeling is met een eindscore die tenminste voldoende is. Voor de stap van Generalist GGP naar Senior GGP geldt echter dat de functionaris in het bezit moet zijn van een (recente) beoordeling boven de norm. Wat moet worden verstaan onder “boven de norm” wordt in de circulaire niet nader toegelicht. Gelet op een brief van de Minister van Veiligheid en Justitie aan de korpschefs van 26 oktober 2012, kenmerk 316858, is de rechtbank van oordeel dat aan het bevoegde gezag van de (voormalige) politieregio’s de bevoegdheid toekwam om in overleg met de ondernemingsraad een nadere uitleg en invulling te geven aan het begrip “boven de norm” en dat dit begrip per politieregio anders kon worden ingevuld. De rechtbank neemt hiermee een ander standpunt in dan in haar uitspraken van

16 augustus 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:1836, en 19 augustus 2013, ECLI:NL:RBOVE: 2013:4556. Genoemde brief van 26 oktober 2012 was de rechtbank niet bekend ten tijde van die uitspraken, zodat zij daarmee toen geen rekening heeft gehouden in haar oordeel.

Het vorenstaande neemt niet weg dat het begrip “boven de norm” door verweerder redelijk moet worden uitgelegd. Een redelijke uitleg van het begrip “boven de norm” dient naar het oordeel van de rechtbank te leiden tot het eerstvolgende beoordelingsniveau boven

“ voldoende” (de norm) en dat is de eindscore “goed”, zoals ook uit het beoordelings-systeem van de voormalige politieregio IJsselland volgt en niet de eindscore “uitstekend”. Het feit dat in de in de politieregio IJsselland het functioneren van 80% van de Generalisten GGP met een eindscore “goed” is beoordeeld maakt dat niet anders. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit hoge percentage geen reden is geweest om bevordering tegen te houden en dat alle Generalisten GGP in de politieregio IJsselland met een eindscore “goed”, waaronder eiser, op grond van de hardheidsclausule opnieuw zijn beoordeeld door een toetsingscommissie om te zien of zij toch kunnen doorstromen naar een seniorfunctie.

De toepassing van de hardheidsclausule is in dit geding niet aan de orde.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder wat betreft de uitleg en invulling van het begrip “boven de norm” geen juiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van eisers aanvraag om door te stromen naar de functie Senior GGP. Het functioneren van eiser is immers bij zijn meest recente beoordeling met een eindscore “goed” gewaardeerd, zodat hij derhalve in een redelijke uitleg functioneert boven de norm om voor doorstroming in aanmerking te komen.

Hieruit volgt, dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Eisers beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd.

5.

Ingevolge artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven. De rechtbank ziet aanleiding om in het onderhavige beroep van die bevoegdheid gebruik te maken.

Een nadere beslissing van verweerder op eisers aanvraag, waarbij het onder 4 overwogene mede in acht zou worden genomen, zal materieel geen ander resultaat hebben dan uit het in dit beroep bestreden besluit reeds volgt, zijnde de weigering van verweerder om eisers aanvraag tot doorstroming te honoreren. Vast staat immers dat eiser naast het vereiste van een normatief beoordelingsresultaat niet voldoet aan het eveneens op grond van de circulaire geldende vereiste dat ten aanzien van hem door de teamchef, als eindverantwoordelijke van het BPZ-team, een positief advies is afgegeven over verwachte geschiktheid voor de functie Senior GGP. De noot van de assistent-teamchef (taakchef handhaving) onderaan een door eiser zelf opgesteld verslag van een gesprek op 4 april 2013 maakt dat niet anders. De assistent-teamchef geeft daarin aan dat eiser kan doorgroeien naar Senior GGP.

Nog daargelaten dat de assistent-teamchef opmerkt dat hij in de tekst van het verslag de ontwikkelpunten mist zoals hij deze met eiser had besproken, kan daaruit niet worden opgemaakt dat reeds in de beoordelingsperiode, althans vóór 1 januari 2013 (de loopbaanstap van Generalist GGP naar Senior GGP is met ingang van die datum vervallen) sprake was van verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP. Met feiten die zich pas na die datum hebben voorgedaan kan geen rekening worden gehouden. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende gebleken dat eiser in de beoordelingsperiode belast is geweest met werkzaamheden binnen zijn team die als seniorwaardig kunnen worden aangemerkt, zoals (de)briefing, het maken van actieplannen en het onderling aansturen van collega’s, en waaruit zou kunnen blijken dat eiser de competenties heeft ontwikkeld die nodig zijn voor de uitoefening van de seniorfunctie.

Naar aanleiding van eisers betoog dat zijn teamchef geen oordeel kan geven over zijn verwachte geschiktheid voor de seniorfunctie, maar dat de assistent-teamchef daarvoor de aangewezen persoon is omdat hij hem het meest meemaakt in de praktijk en tevens de beoordelingsgesprekken met hem heeft gevoerd, heeft verweerder in het verweerschrift opgemerkt dat het lijnmanagement van elk BPZ-team binnen de voormalige politieregio IJsselland bestaat uit een teamchef en twee assistent-teamchefs. Dit driemanschap vormt de gezamenlijke leiding van het BPZ-team, waarvan de teamchef eindverantwoordelijke is.

De door de teamchef gegeven adviezen zijn (mede) de vertaalslag van en onderstrepen het standpunt van de assistent-teamchef(s). Tegen de achtergrond van de wijze waarop het leidinggevend kader binnen een BPZ-team is georganiseerd, is het advies door de teamchef afgegeven. Het gaat om een door het driemanschap gedragen advies. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit standpunt van verweerder voor onjuist te houden.

Geoordeeld moet dan ook worden dat verweerder - zij het op ondeugdelijke gronden - terecht heeft besloten om eisers aanvraag tot doorstroming naar Senior GGP niet te honoreren.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

6.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 487,-- en een wegingsfactor 1.).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. W.M.B. Elferink en

mr. A. Oosterveld, leden, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.