Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:5080

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
Awb 13/2163
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat de Kamer voor de Binnenvisserij terecht geen goedkeuring gaf om te vissen in de Reest en Wieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/2163

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Maatschap Visserijbedrijf [naam eiseres],

gevestigd te Genemuiden, eiseres,

gemachtigde: mr. A. Holtland, .

en

Kamer voor de Binnenvisserij,

gevestigd te Deventer, verweerder.

Derde-belanghebbenden:

Algemene Bond van Binnenvissers in Noordwest-Overijssel, gevestigd te Giethoorn;

[naam 1], wonende te Zwolle;

Natuurmonumenten, gevestigd te ’s-Graveland.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2013, verzonden 19 april 2013 (het primaire besluit), heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres om goedkeuring te verlenen als bedoeld in artikel 22 van de Visserijwet 1963, aan de door [naam 1] (hierna: [naam 1]) verleende toestemming, die ziet op het vissen met alle geoorloofde beroepsvistuigen in de wateren nabij de Beulakkerwiede, Boschwiede, Belterwiede, Schutsloterwiede en de Veneweg (hierna: de percelen) voor het kalenderjaar 2013.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 juli 2013, verzonden 8 augustus 2013 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 7 januari 2014 behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.S. Poelsma. De Algemene Bond van Binnenvissers in Noordwest-Overijssel (hierna: de Bond) heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Piek en ing. J. Meijer.

Voorts is [naam 1] in persoon verschenen.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen om verweerder in de gelegenheid te stellen een aantal vragen te beantwoorden.

Bij brief van 26 februari 2014 heeft verweerder die vragen beantwoord.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Eiseres heeft daarvan gebruik gemaakt.

Vervolgens hebben verweerder en eiseres bij brieven van respectievelijk 3 april 2014 en

5 mei 2014 op elkaars standpunten gereageerd.

Het beroep is verwezen naar een meervoudige kamer.

Bij brief van 17 juli 2014 heeft Natuurmonumenten nog een reactie ingezonden.

Het beroep is opnieuw behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 31 juli 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.S. Poelsma. De Bond heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Piek en ing. J. Meijer.

Voorts is [naam 1] in persoon verschenen. Natuurmonumenten is aldaar niet verschenen.

Overwegingen

1.

Artikel 21, eerste lid, van de Visserijwet 1963 bepaalt dat, behoudens indien het betreft het uitzetten van vis, het verboden is in een water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, te vissen voor zover een ander rechthebbende is op het visrecht van dat water.

Het tweede lid van dit artikel, onder a, bepaalt dat het verbod in het eerste lid niet geldt voor hem die voorzien is van een schriftelijke toestemming van de rechthebbende, geldende voor de visserij, welke wordt uitgeoefend.

Artikel 22, eerste lid, van de Visserijwet 1963 bepaalt dat schriftelijke toestemmingen, als bedoeld in artikel 21, slechts mogen worden verleend met goedkeuring van de Kamer.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de Kamer, indien een doelmatig bevissen van het water waarop de aanvraag tot het verkrijgen van goedkeuring betrekking heeft dan wel het complex van wateren waartoe dat water behoort, door de voorgenomen uitreiking van schriftelijke toestemmingen zou worden belemmerd, de aanvraag afwijst dan wel aan de goedkeuring voorschriften verbindt, met dien verstande dat deze voorschriften slechts kunnen betreffen het aantal schriftelijke toestemmingen dat ten hoogste mag worden uitgereikt, de aard van het vistuig voor het gebruik waarvan uitsluitend schriftelijke toestemming mag worden verleend en de geldigheidsduur van de schriftelijke toestemmingen.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de Kamer aan de goedkeuring voorschriften kan verbinden ter verzekering van de bij de voorgenomen uitreiking betrokken belangen van derden.

2.

Bij besluit van 13 april 2010 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres om goedkeuring te verlenen als bedoeld in artikel 22 van de Visserijwet 1963, aan de door [naam 1] verleende toestemming. Deze toestemming zag op het vissen op schubvis met alle geoorloofde beroepsvistuigen in de wateren nabij de percelen, voor het kalenderjaar 2010. Bij beslissing op bezwaar van 24 september 2010 is dit besluit gehandhaafd.

Het hiertegen gerichte beroep heeft de toenmalige rechtbank Zwolle-Lelystad in haar uitspraak van 18 mei 2011, zaaknummer 10/2263, ongegrond verklaard.

Bij primair besluit van 22 maart 2013 heeft verweerder wederom afwijzend beslist op het verzoek van eiseres om goedkeuring (als bedoeld in artikel 22 van de Visserijwet 1963) te verlenen aan een door [naam 1] verleende toestemming. Deze gevraagde goedkeuring betreft, naar partijen ter zitting hebben bevestigd, het vissen op schubvis met alle geoorloofde beroepsvistuigen in de wateren nabij de percelen, voor het kalenderjaar 2013. In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om goedkeuring te verlenen inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Hierbij heeft verweerder (terzijde) verwezen naar zijn eerdere besluitvorming.

3.1

De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt.

Hoewel het jaar 2013 inmiddels geheel is verstreken, heeft eiseres toch belang bij de beoordeling van haar beroep. Immers, het belang van eiseres bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan ook gelegen zijn in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel van de bestuursrechter kan worden betrokken bij eventuele toekomstige, vergelijkbare aanvragen van eiseres. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het beroep niet ontvankelijk te verklaren.

3.2.

Ten aanzien van het inhoudelijke geschil overweegt de rechtbank het volgende.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:783, en 29 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:BB2513, overwogen dat, gelet op artikel 22, tweede lid, van de Visserijwet 1963 en de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1961/62, 6560, nr. 3, blz. 14), verweerder de gevraagde goedkeuring uitsluitend mag weigeren indien de schriftelijke toestemming geen basis kan vormen voor een, uit visserijkundig oogpunt, verantwoord gebruik van het viswater. Dit betekent dat goedkeuring dient te worden geweigerd indien door de voorgenomen bevissing de visstand in een gebied onaanvaardbaar zou worden aangetast.

In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd, kort gezegd op de grond dat er sedert het besluit van 24 september 2010 geen sprake is van gewijzigde (visserijkundige) omstandigheden, die het rechtvaardigen goedkeuring aan de schriftelijke toestemming van [naam 1] te verlenen. Het door eiseres (inmiddels) in eigendom verkregen perceel grenst niet aan de percelen van [naam 1] en de relatief kleine percelen van [naam 1] liggen versnipperd ten opzichte van elkaar en midden in een gebied waar de Bond de volledige visrechten huurt. Mede gelet op het door de Bond ter zake gevoerde beleid, stelt verweerder zich op het standpunt dat een doelmatige bevissing van het water, waarop de aanvraag ziet, door het uitreiken van de gevraagde schriftelijke toestemming zal worden belemmerd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het verlenen van de gevraagde goedkeuring een doelmatige bevissing van het van belang zijnde gebied zal belemmeren. Daarvoor heeft verweerder redengevend mogen achten dat er in verhouding tot de omringende gebieden sprake is van relatief kleine percelen water die eiseres wenst te bevissen, ingesloten door water waarop andere vissers gerechtigd zijn te vissen, dat het door eiseres in eigendom verworven perceel niet grenst aan de percelen waarop de aanvraag ziet en dat er bij het verlenen van de gevraagde goedkeuring sprake zou zijn van een doorkruising van het beleid van de Bond, dat voorziet in blokvorming om gemene weide visserij te voorkomen. Daarbij heeft verweerder kunnen meewegen dat de Bond streeft naar een duurzame onttrekking, zonder overbevissing, waarbij de Bond het beleid hanteert dat vrijgevallen visrechten worden toegevoegd aan de visserijblokken van de overgebleven actieve beroepsvissers, terwijl uitbreiding van de visserij volgens de Bond niet mogelijk is; voor een gezond visstand beheer zou het aantal vissers(bedrijven) in het gebied eigenlijk tenminste met twee dienen te verminderen, in welk kader de Bond het niet mogelijk acht een nieuw lid te verwelkomen. Verweerder heeft geen aanleiding behoeven te zien te twijfelen aan het standpunt van de Bond dat de visstand sinds 2010 verder is afgenomen.

Dat eiseres heeft aangegeven te willen vissen volgens het in mei 2013 tot stand gekomen visplan Reest en Wieden, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit visplan is immers een groeidocument, dat -onweersproken- geen concrete afspraken bevat over bijvoorbeeld hoeveelheden te vangen vis. Het visplan voorkomt dan ook niet dat de visstand onaanvaardbaar zou kunnen worden verstoord door het verlenen van de gevraagde goedkeuring. Daar komt bij dat de door [naam 1] verleende toestemming, gelet op de beperkte duur ervan, zich niet verhoudt tot het beoogde duurzame beheer van de visstand.

Het geheel overziende is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder de gevraagde goedkeuring heeft kunnen weigeren.

4.

Het beroep is daarom ongegrond.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en

mr. A.P.W. Esmeijer, leden, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014.