Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4962

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
C/08/152452 / FA RK 14-422
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank belast de moeder alleen met het gezag, gelet op de problematiek in verleden op het gebied van communicatie en de negatieve gevolgen hiervan voor het inschakelen van hulpverlening voor de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Team jeugdrecht

zaaknummer: C/08/152452 / FA RK 14-422 (MF)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 27 juni 2014

inzake

[verzoekster],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats 1], [adres 1]

verzoekster,

advocaat: mr. S.J.M. Masselink,

en

[belanghebbende],

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats 2], [adres 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. D. Beuving.

Met betrekking tot dit verzoek zijn mede als belanghebbenden aan te merken:

De gezinsvoogd mevrouw [X] van Bureau Jeugdzorg Overijssel.

Het procesverloop

Op 21 februari 2014 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van de moeder.

Op 25 februari 2014 en 11 maart 2014heeft mr. Masselink namens de vrouw aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van 12 maart 2014. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Op 12 maart 2014 is aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren. Op 28 mei 2014 is een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ter griffie ingekomen.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 3 juni 2014. Ter zitting zijn verschenen: de moeder vergezeld door mr. Masselink en de vader vergezeld door mr. Beuving. De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door de heer [Y]. Namens Bureau Jeugdzorg Overijssel is mevrouw [X] aanwezig. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:

[naam 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

[naam 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

[naam 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2].

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 8 oktober 2008 is de echtscheiding uitgesproken. Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 4 februari 2009 is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij moeder.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming

De Raad concludeert dat er sprake is van een situatie waarin alle drie kinderen klem en verloren zijn geraakt als gevolg van de gebrekkige samenwerking tussen ouders. Hierdoor is hun ontwikkeling in het gedrang gekomen. Vrijwillige hulpverlening is ontoereikend gebleken. De Raad acht het daarom van belang dat de kinderen onder toezicht blijven staan van Bureau Jeugdzorg Overijssel.

De Raad adviseert de kinderrechter om het verzoek van moeder om eenhoofdig te worden belast met het ouderlijk gezag over [naam 2] en [naam 1] aan te houden voor de duur van een jaar, in afwachting van de resultaten die het gezin boekt met behulp van hulpverlening in een gedwongen kader.

De Raad adviseert om het verzoek van moeder om de hoofdverblijfplaats van [naam 3] te wijzigen naar vader toe te wijzen. De Raad adviseert om het verzoek van moeder om de hoofdverblijfplaats van [naam 1] te wijzigen naar vader af te wijzen.

De Raad adviseert om de beslissing omtrent de omgangsregeling van [naam 1] en [naam 2] met de niet verzorgende ouder aan te houden en de invulling daarvan tot die tijd toe te vertrouwen aan de gezinsvoogd.

Het standpunt van de gezinsvoogd

De gezinsvoogd onderstreept het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Het is de bedoeling dat de beide jongens bij moeder gaan wonen en dat zij een goede omgangsregeling hebben met vader. Het is in het belang van met name [naam 1] dat er zo snel mogelijk helderheid komt over zijn hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling. [naam 3] woont al enige tijd bij vader en is hier goed op haar plek. Haar hoofdverblijfplaats dient daarom volgens de gezinsvoogd bij vader vastgesteld te worden.

De gezinsvoogd heeft begrip voor de wens van moeder om eenhoofdig met het ouderlijk gezag over de jongens belast te worden op het moment dat wordt bepaald dat de jongens hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben. De gezinsvoogd vindt het echter moeilijk om een gefundeerd standpunt te formuleren over het gezagsvraagstuk. Zij verwacht hier over een jaar een standpunt over te kunnen innemen. Daarom verzoekt zij de kinderrechter om de beslissing op dit punt aan te houden.

Het standpunt van de moeder

De moeder verzoekt de kinderrechter om te bepalen dat [naam 2] en [naam 1] hun hoofdverblijfplaats bij haar zullen hebben. Als voorwaarde stelt zij hierbij dat het noodzakelijk is dat zij eenhoofdig wordt belast met het ouderlijk gezag over de beide jongens. Gezien de problematiek van de jongens wil moeder de juiste hulpverlening inschakelen en hierbij niet worden gehinderd door vader. In het verleden is gebleken dat vader nogal eens zijn medewerking weigerde waardoor de noodzakelijke hulpverlening onvoldoende van de grond kwam. Moeder verwacht niet dat de komst van de gezinsvoogd de situatie op dat punt zal veranderen.

De moeder verzoekt de kinderrechter daarnaast om de hoofdverblijfplaats van [naam 3] bij vader vast te stellen.

Het standpunt van de vader

Vader vindt het belangrijk dat de beide jongens bij moeder wonen, maar wil wel graag belast blijven met het ouderlijk gezag over hen. Vader is het niet eens met de stelling van moeder dat hij niet zou meewerken aan de door moeder voorgestelde hulpverlening voor de jongens. Hij stemt ermee in dat moeder de dagelijkse beslissingen neemt, maar wil gekend worden in grotere beslissingen. Vader denkt dat de ouders met hulp van de gezinsvoogd goed in staat zijn om gezamenlijk het ouderlijk gezag uit te oefenen.

Ten aanzien van de omgangsregeling tussen vader en de jongens is vader van mening dat de invulling hiervan dient te worden overgelaten aan de gezinsvoogd.

Evenals moeder is vader van mening dat de hoofdverblijfplaats van [naam 3] bij hem vastgesteld kan worden.

De overweging van de kinderrechter

De kinderrechter constateert dat de beide ouders het erover eens zijn dat de hoofdverblijfplaats van [naam 3] bij vader vastgesteld dient te worden. Aangezien [naam 3] al geruime tijd bij vader verblijft en het hier goed naar haar zin heeft, acht de kinderrechter toewijzing van het verzoek van moeder op dit punt in het belang van [naam 3].

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [naam 1] overweegt de kinderrechter dat uit het raadsrapport en ook uit de verklaring van de gezinsvoogd ter zitting is gebleken dat moeder met haar partner beter dan vader in staat moet worden geacht om de zorg voor hem op zich te nemen. Moeder heeft met haar pedagogische kwaliteiten inzicht in hetgeen [naam 1] nodig heeft en is goed in staat om de juiste hulpverlening te benaderen. Gezien de complexe problematiek van [naam 1] is het hierbij van belang dat moeder in staat wordt gesteld om in het belang van [naam 1] beslissingen te nemen. Gebleken dat de ouders niet met elkaar kunnen samenwerken daar waar het om het aanwenden van hulpverlening voor hun kinderen gaat.

Ook de gezinsvoogdes heeft binnen het kader van de ondertoezichtstelling geen verandering kunnen brengen en zij is wat dat punt betreft ook niet optimistisch voor de toekomst.

Hoewel de beide ouders van goede wil zijn is het hen tot op heden niet gelukt om gezamenlijk afspraken te maken met de hulpverlenende instanties. Moeder heeft daarom als harde voorwaarde gesteld dat zij [naam 1] uitsluitend bij haar in huis wil/kan opvoeden als zij eenhoofdig belast is met het ouderlijk gezag over hem. Diezelfde voorwaarde heeft moeder gesteld ten aanzien van [naam 2], die ook de nodige problematiek heeft. De kinderrechter acht het in het belang van de beide jongens dat zij samen bij hun moeder en diens partner opgroeien. Gezien de problematiek in het verleden op het gebied van de communicatie tussen de ouders en de negatieve gevolgen hiervan voor het inschakelen van hulpverlening van de kinderen, acht de kinderrechter de wens van moeder om eenhoofdig met het ouderlijk gezag te worden belast per saldo uiteindelijk toch wel begrijpelijk. Van het uitgangspunt dat de beide ouders na echtscheiding het ouderlijk gezag over hun kinderen blijven uitoefenen dient daarom in dit specifieke geval te worden afgeweken. De kinderrechter zal aldus bepalen dat [naam 1] hoofdverblijfplaats bij moeder wordt vastgesteld en dat moeder eenhoofdig wordt belast met het ouderlijk gezag over [naam 1] en [naam 2].

Aldus hoeft moeder geen belemmering meer te ervaren van vader als het gaat om het zoeken en inzetten van de juiste hulp voor deze twee kinderen met heel bijzondere problematiek. De kinderrechter acht ook hierbij van belang dat de gezinsvoogdes, die zicht heeft op moeder, haar de vaardigheden toedicht om de juiste stappen te zetten. Overigens is niet gebleken dat moeder zich niets zal aantrekken van wijze raad van de gezinsvoogdes.

Vader heeft de gelegenheid om bij zowel moeder als de gezinsvoogdes informatie te verkrijgen over het wel en wee van de jongens, in het bijzonder over de in te zetten hulp en het resultaat daarvan. De kinderrechter vertrouwt erop dat moeder, nu ze het eenhoofdig gezag heeft, zich ervan bewust is dat daardoor op haar de verplichting rust om vader tijdig en genoeg te informeren.

Ten aanzien van de omgangsregeling tussen vader en de beide jongens overweegt de kinderrechter dat het aan de gezinsvoogdes zal worden overgelaten hoe de regeling moet worden ingevuld. Zij is vanwege haar betrokkenheid bij het gezin goed in staat om - de belangen van de kinderen in acht nemend - in overleg met de ouders hierover afspraken te maken. De gezinsvoogd kan de gemaakte afspraken eventueel vastleggen in een schriftelijke aanwijzing. De ouders dienen de aanwijzing van de gezinsvoogdes vervolgens na te leven of zich met een beroep tegen zo’n aanwijzing tot de kinderrechter te wenden.

De kinderrechter zal de proceskosten compenseren nu partijen gehuwd zijn geweest en de procedure het recht op omgang van de hieruit geboren minderjarigen betreft.

De beslissing

De kinderrechter:

1.

Belast de moeder met ingang van heden eenhoofdig met het ouderlijk gezag over

[naam 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] en

[naam 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1].

2.

Wijzigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 4 februari 2009 in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [naam 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] met ingang van heden bij de vader zal zijn.

3.

Treft inzake het recht van de minderjarigen [naam 1] en [naam 2] op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende regeling: De gezinsvoogd zal in het kader van de ondertoezichtstelling begeleiding bieden bij de invulling en uitvoering van de omgangsregeling. Bij eventuele discussiepunten over de regeling tussen de ouders, zullen zij het advies van de gezinsvoogd volgen.

4.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

5.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van

mr. M.H. Falkmann-Herber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2014

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.