Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4880

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
C-08-141471 - HA ZA 13-508
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Verbeuren aandeel in verzwegen gemeenschapsgoed (3:194 lid 2 BW), tijdstip van de verdeling, vervaltermijn (3:200 BW), bewijskracht akte (157 lid 2 Rv), verrassingsbeslissing, overgeslagen goed (3:179 lid 2 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/141471 / HA ZA 13-508

Vonnis van 10 september 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. W.G. ten Brummelhuis te Oldenzaal,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.M.A.J. Hanssen te Utrecht.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 oktober 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 december 2013

  • -

    de conclusie van repliek van 22 januari 2014

  • -

    de conclusie van dupliek van 5 maart 2014

  • -

    de akte houdende uitlating producties van 9 april 2014

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank neemt over de vaststaande feiten zoals genoemd in het tussenvonnis van 23 oktober 2013.

2.2.

Uit de na het tussenvonnis door de partijen overgelegde stukken, blijken

nog nadere feiten. Voor zover deze feiten voor de beoordeling van dit geschil van belang zijn, zal de rechtbank deze bij de boordeling betrekken en bespreken.

3 Het geschil

3.1.

Wat betreft de vordering van de vrouw en de onderbouwing daarvan en de verweren van de man, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover in het tussenvonnis van 23 oktober 2013 is overwogen.

3.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De overwegingen

Beroep op artikel 3:194 lid 2 BW

4.1.

Als door de vrouw gesteld en door de man niet betwist staat vast dat de man heeft verzwegen dat hij de woning in juni 2010 heeft verkocht, voor € 425.000,--, derhalve voor

€ 45.000,-- meer dan de € 380.000,-- waarvoor de woning aan de man zou worden toegedeeld.

4.2.

Voor een succesvol beroep op artikel 3:194 lid 2 BW moet sprake zijn van een opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van goederen die deel uitmaken van de nalatenschap. Een verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van goederen in de zin van dit artikellid vindt telkens plaats wanneer door de deelgenoot een handeling wordt verricht of iets nagelaten wordt met het oogmerk de rechten van de andere deelgenoot te verkorten. Het is op grond van artikel 150 Rv aan degene die zich beroept op de rechtsgevolgen van dat artikellid (in dit geval: de vrouw) te stellen en, zo nodig, te bewijzen de feiten die meebrengen dat aan de vereisten van dat artikellid is voldaan (Gerechtshof Amsterdam, 5 juni 2012. ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7896).

4.3.

Om te kunnen beoordelen of de man met het achterhouden van deze informatie heeft verzwegen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW, dient beoordeeld te worden of het verzwijgen opzettelijk heeft plaatsgevonden, derhalve met het oogmerk de rechten van de andere deelgenoot te verkorten. Toegespitst op de onderhavige zaak dient in dat kader allereerst beoordeeld te worden of de woning op het moment van verkoop door de man tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde en of de man dit wist, vervolgens dient beoordeeld te worden of de man met het verzwijgen van het feit dat de woning is verkocht voor € 425.000,--, terwijl partijen zijn overeengekomen dat de woning aan de man zal worden toebedeeld voor € 380.000,--, de bedoeling heeft gehad om de vrouw in haar rechten te beperken.

4.4

Volgens de vrouw heeft de man willens en wetens voor de vrouw verborgen gehouden dat, en tegen welke prijs, hij de woning had verkocht. De vrouw baseert dit mede op het feit dat de man vóór de ondertekening van het echtscheidingsconvenant op

7 juli 2010 de vrouw niet heeft gevraagd om de onderhandse verkoopakte mede te ondertekenen, hetgeen volgens de vrouw wel in de rede had gelegen, gelet op het feit dat partijen toen nog gehuwd waren en de woning aan hen beiden toebehoorde. Tevens ziet de vrouw zich in haar visie gesteund doordat in de koopakte is vermeld dat de man ongehuwd was en dat in de akte de artikelen over de toestemming van de echtgenote zijn doorgestreept.

4.5.

De man is van mening dat hij niet verplicht was om de verkoop van de woning en de daarmee gegenereerde overwaarde op de woning van € 45.000,-- te melden, omdat duidelijk was dat, en onder welke voorwaarden, de woning aan hem zou worden toegescheiden. Uit de correspondentie en meer expliciet uit artikel 4.1 van het convenant blijkt volgens de man dat partijen 1 februari 2010 als peildatum voor zowel de samenstelling als de waardering van de gemeenschap hebben genomen. Dat de verkoopmakelaar abusievelijk in de koopakte heeft vermeld dat de man niet was gehuwd, kan hem, volgens de man, niet worden toegerekend.

4.6.

In artikel 4.1 van het convenant staat (voor zover hier van belang) vermeld:

‘Partijen nemen als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 1 februari 2010. De waardestijgingen en/of –dalingen komen vanaf de in dit artikel genoemde peildatum volledig ten goede aan / ten laste van degene aan wie de vermogensbestanddelen worden toegedeeld ingevolge het in dit convenant bepaalde’.

4.7.

Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat partijen inderdaad in het convenant hebben beoogd 1 februari 2010 vast te stellen als peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank echter miskend dat de huwelijksgoederengemeenschap voort duurt totdat zij wordt ontbonden op een van de in het in casu van toepassing zijnde artikel 1:99 (oud) BW vermelde gronden (HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2130, NJ 1997, 593). Het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap is in geval van echtscheiding het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (artikel 1:149 BW in verbinding met artikel 1:163 BW). Voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap kan niet van dit tijdstip worden afgeweken. Hieruit volgt dat 16 september 2010, te weten de datum waarop de beschikking van de tussen partijen uitgesproken echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven, de peildatum is voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dat de woning tot dat moment tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoorde. Uit het hier aangehaalde arrest blijkt eveneens dat bij de verdeling van tot de gemeenschap behorende goederen, ter bepaling van hun waarde, in beginsel moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, maar dat uit hetgeen door partijen is overeengekomen en uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan wordt afgeweken.

4.8.

Gezien het door de man gevoerde - en door de inhoud van het convenant onderbouwde - verweer, dat de rechtbank aldus begrijpt, dat de man gelet op de door partijen gehanteerde peildata van 1 februari 2010 in de veronderstelling verkeerde al recht te hebben op de woning en de meeropbrengst van € 45.000,--, van de verkoop van die woning ten opzichte van de waarde waarvoor de man de woning toegedeeld zou krijgen, heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd gesteld dat de man de betreffende informatie heeft achtergehouden met de opzet / het oogmerk om de rechten van de vrouw te verkorten. De vrouw heeft derhalve onvoldoende gesteld om haar beroep op artikel 3:194 lid 2 BW als gegrond te kunnen beoordelen.

4.9.

Dat in de verkoopakte staat vermeld dat de man ongehuwd is en dat de artikelen die zien op toestemming van de vrouw voor de verkoop van de woning zijn doorgestreept, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de man dit willens en wetens heeft gedaan, zoals door de vrouw is gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan, aangezien de man deze stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist door zich erop te beroepen dat hem niet kan worden tegengeworpen dat de verkoopmakelaar abusievelijk in de koopakte heeft vermeld dat hij niet gehuwd was. Nu de makelaar voor zijn informatie in deze afhankelijk is van de man, kan de man zijn verantwoordelijkheid voor de foutieve vermelding niet afschuiven op de makelaar. Dat de opzet van de man was gericht op het verkorten van de rechten van de vrouw, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet komen vast te staan. Volgens de vrouw heeft de man tijdens de comparitie verklaard dat als hij de vrouw vóór de ondertekening van het convenant op de hoogte zou hebben gebracht van de verkoop van de woning en het overeengekomen verkoopbedrag, hij voorzag dat hij een kort geding zou moeten starten, teneinde nakoming te vorderen van de door hem gestelde en door de vrouw betwiste overeenkomst. De man heeft niet betwist aldus te hebben verklaard. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de man met het laten vermelden van onjuiste gegevens omtrent zijn huwelijkse status, niet de opzet heeft gehad om rechten van de vrouw te verkorten, maar om eigen (vermeende) rechten veilig te stellen zonder verzeild te raken in door hem voorziene juridische procedures geëntameerd door de vrouw.

Beroep op vernietiging van de verdeling op grond van 3:44 BW dan wel 3:196 BW.

4.10.

Met betrekking tot de overige huwelijksgoederenbestanddelen stelt de vrouw zich op het standpunt dat er sprake is van een vernietigbare verdeling. Zij vordert dat de man wordt veroordeeld te gehengen en gedogen dat de rechtbank de in het echtscheidingsconvenant van 7 juli 2010 vastgelegde scheiding en deling zal vernietigen ter zake van bedrog, misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 BW), dan wel op grond van benadeling van de vrouw voor meer dan een vierde gedeelte (artikel 3:196 BW) en de verdeling opnieuw vast te stellen zoals door de vrouw beschreven.

4.11.

De rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling vervalt ingevolge het bepaalde in artikel 3:200 BW door verloop van drie jaar na de verdeling. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen gronden voor een dergelijke rechtsvordering, of deze wordt gebaseerd op benadeling als bedoeld in artikel 3:196 BW of op grond van een der wilsgebreken, geregeld in artikel 3:44 BW. Door het verstrijken van een vervaltermijn vervalt van rechtswege de mogelijkheid om een bevoegdheid of een recht uit te oefenen. Dat betekent dat naast de rechtsvordering ook het recht (de bevoegdheid) tot vernietiging vervalt, zodat ook buitengerechtelijk niet meer kan worden vernietigd. De rechtbank toetst ambtshalve of een dergelijke situatie zich voordoet. Op een vervaltermijn zijn de verjaringsregels niet van toepassing en de termijn kan dus niet worden geschorst of verlengd.

4.12.

In het kader van de – ambtshalve door de rechtbank uit te voeren – toets of de vrouw haar vordering tot vernietiging van de verdeling tijdig heeft ingesteld en ontvankelijk is in haar vordering, is van belang dat de vervaltermijn van artikel 3:200 BW gaat lopen op het tijdstip van de verdeling, dat wil zeggen het moment waarop wordt vastgesteld wat aan ieder der deelgenoten toekomt. Daarvan is sprake op het moment dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de door hen te sluiten overeenkomst van verdeling. Als tijdstip voor het aangaan van de overeenkomst geldt het tijdstip waarop partijen verklaren zich te verbinden aan het onderhandelingsresultaat, althans het tijdstip waarop uit de gedragingen en de verklaringen van partijen kan worden afgeleid dat zij zich hebben verbonden (3:35 BW).

4.13.

Partijen twisten over de datum waarop zij vorenbedoelde overeenstemming hebben bereikt.

4.14.

De man stelt dat 7 juli 2010, de datum waarop het echtscheidingsconvenant is ondertekend, niet het moment is waarop partijen algehele overeenstemming hebben bereikt over de gevolgen van de scheiding. De overeenstemming zag zowel op het convenant als op het ouderschapsplan, aldus de man. Na tussen partijen gevoerde onderhandelingen, waarbij partijen werden bijgestaan door hun advocaten, is als resultante daarvan een allesomvattende regeling getroffen in januari 2010, althans in februari 2010, zo stelt de man. De ondertekening van het convenant is volgens de man slechts een formaliteit geweest, waarbij de afspraken die al vaststonden nogmaals zijn bevestigd. In de visie van de man blijkt dit uit de chronologische volgorde van de totstandkoming van de afspraken. In het kader van de gemaakte afspraken heeft de advocaat van de vrouw op 24 januari 2010 aan de advocaat van de man bevestigd dat de woning is getaxeerd op € 380.000,-- en dat de man bereid is de woning voor dat bedrag over te nemen. Dat partijen al ruim voor ondertekening convenant, en ook voor de verkoop van de woning, definitieve afspraken hebben gemaakt en daarnaar zijn gaan leven, blijkt volgens de man uit de omstandigheid dat hij vanaf

1 maart 2010 alle kosten voor de woning is gaan betalen, dat hij in maart 2010 is verhuisd naar Markelo om de overeengekomen co-ouderschapsregeling mogelijk te maken, dat de bankrekeningen zijn gesplitst, dat de inboedel feitelijk is verdeeld, waaraan door de vrouw is meegewerkt en dat de vrouw na 1 maart 2010, maar voor de ondertekening van het convenant zaken uit de inboedel – waaronder een bakfiets – heeft verkocht. Het mag, aldus de man, duidelijk zijn dat hiermee een onomkeerbare situatie werd gecreëerd, wat men in zijn visie enkel doet als de daaraan ten grondslag liggende afspraken duidelijk en definitief zijn. In het kader van de vordering van de vrouw is volgens de man tevens van belang dat in artikel 4.1 van het convenant - voor zover hier van belang - is opgenomen: ‘Partijen nemen als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 1 februari 2010. De waardestijgingen en/of – dalingen komen vanaf de in dit artikel genoemde peildatum volledig ten goede aan / ten laste van degene aan wie de vermogensbestanddelen worden toegedeeld ingevolge het in dit convenant bepaalde’.

4.15.

De vrouw betwist de stelling van de man dat 7 juli 2010, de datum waarop het convenant is ondertekend, niet de datum is waarop partijen tot algehele overeenstemming zijn gekomen. Volgens de vrouw hebben partijen nog tot de datum waarop het convenant is ondertekend over diverse punten onderhandeld en waren de afspraken pas definitief toen de handtekeningen er op 7 juli 2010 onder werden gezet. Ter onderbouwing van deze stelling wijst de vrouw erop dat de advocaat van de man ter comparitie heeft gezegd dat de tekening van het convenant zo lang op zich heeft laten wachten, omdat nog niet alle puntjes op de i waren gezet. Ook verwijst de vrouw in dit kader naar de brief van 2 juli 2010, waarin haar advocaat haar vraagt het aangepaste convenant nog eens goed te bestuderen. Daarnaast ziet de vrouw zich in haar stelling gesteund door de opmerking die de man naar haar zeggen tijdens de comparitie heeft gemaakt, te weten dat als hij de vrouw vóór de ondertekening van het convenant op de hoogte zou hebben gebracht van verkoop woning en verkoopbedrag, hij voorzag dat hij een kort geding zou moeten starten teneinde nakoming te vorderen van de door hem gestelde (en door de vrouw betwiste) overeenkomst. Tot slot betwist de vrouw dat er op het moment van verkoop van de woning al sprake was van een allesomvattende regeling en legt daaraan ten grondslag dat zij betwijfelt of de € 380.000,-- waarvoor de man de woning zou overnemen, wel is gebaseerd op een taxatie. Als dat wel het geval is geweest vraagt de vrouw zich af of de taxatiewaarde niet het resultaat is geweest van het feit dat de vriend van de man, de heer [M] in de makelaardij werkzaam is en daar ook de nodige connecties heeft. Daarbij laat zij wegen dat de woning op 29 juni 2010 door de aankoopmakelaar is getaxeerd op € 425.000,--.

4.16.

Nu de vrouw stelt dat sprake is van een vernietigbare verdeling en het tijdstip waarop die verdeling tot stand is gekomen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van haar vordering tot vernietiging van de verdeling cruciaal is, is het ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv aan de vrouw om te bewijzen dat, zoals zij stelt, die verdeling pas tot stand is gekomen op 7 juli 2010, het moment van ondertekenen van het convenant.

4.17.

Ingevolge artikel 157 lid 2 Rv levert een authentieke of onderhandse akte, behoudens de in de bepaling vermelde uitzondering, ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is te behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van deze verklaring. Op grond van artikel

151 lid 2 Rv staat tegen dit dwingend bewijs tegenbewijs open en dit tegenbewijs mag volgens artikel 152 lid 1 Rv door alle middelen geleverd worden, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat de rechter vrij dit bewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is. De rechter mag daarbij aan ieder gebleken feitelijk gegeven in het geding de bewijskracht hechten die hem goeddunkt (vgl. HR 16 maart 2007, NJ 2008, 219).

4.18.

Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dat het volgende.

Onder de zinsnede in het convenant ‘Aldus overeengekomen en ondertekend in viervoud, te Utrecht’ heeft de man handgeschreven een 7 vermeld op de stippellijn, opgenomen voor de tekst ‘juli 2010’ en daaronder zijn handtekening gezet. Gelet hierop levert het als onderhandse akte aan te merken convenant naar het oordeel van de rechtbank ten gunste van de vrouw dwingend bewijs op ten aanzien van de daarin door de man vastgelegde verklaring dat op 7 juli 2010 aldus is overeengekomen. Op de man, als zijnde de partij die de inhoud van het als onderhandse akte betwist door te stellen dat de in het convenant gemaakte afspraken niet op 7 juli 2010 zijn gemaakt, rust de bewijslast ter zake van die betwisting. Het door de man te leveren tegenbewijs mag geslaagd worden geacht als op grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd, in die zin dat aannemelijk is geworden dat de inhoud van de akte onjuist is.

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat het tegenbewijs tegen de inhoud van de akte door de man voorshands is geleverd. Met zijn stellingen, zoals verwoord in rechtsoverweging 4.14., heeft de man naar het oordeel van rechtbank aannemelijk gemaakt dat partijen de afspraken zoals verwoord in het op 7 juli 2010 ondertekende convenant, al eerder definitief hebben gemaakt en dat de ondertekening van het convenant enkel nog een formaliteit was.

4.20.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw de stellingen van de man weliswaar heeft betwist, maar dat dit bezien in het licht van de met stukken onderbouwde stellingen van de man, onvoldoende gemotiveerd is gebeurd. Zo heeft de man een van

25 januari 2010 daterende mail van de vrouw in het geding gebracht, met als onderwerp ‘definitieve stukken’, waarin staat ‘Wij zijn er nu gezamenlijk uitgekomen en sturen je de volgende stukken’. Als bijlage bij die mail zijn een drietal eveneens door de man in het geding gebrachte documenten gevoegd, te weten een ouderschapsplan, een inboedellijst en een document in de mail aangeduid als ‘voorstel scheiding’. Behoudens de ontbrekende ondertekening, is de tekst van dit ouderschapsplan identiek aan de door de vrouw in het geding gebrachte versie die op 7 juli 2010 is ondertekend. De man heeft in de door hem beschreven chronologische volgorde van tot stand komen van de afspraken (productie 4 van de in het kader van de comparitie overgelegde stukken) gesteld dat het document ‘voorstel scheiding’ op 26 januari 2010 naar de advocaat wordt gestuurd om er een convenant van te maken en dat er op 19 februari 2010 een concept-convenant lag. Dit laatste wordt bevestigd in het door de vrouw als productie 4 in het geding gebrachte stuk, dat tevens vermeldt dat de ondertekening heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010. Dat partijen al voor 1 maart 2010 definitieve afspraken hebben gemaakt en daarnaar ook zijn gaan leven, hetgeen volgens de man zou blijken uit de hem gegeven voorbeelden die in rechtsoverweging 4.14. zijn verwoord en hetgeen ook naar voren komt uit de in het dossier aanwezige mailcorrespondentie tussen partijen, is door de vrouw enkel in algemene bewoordingen en niet onderbouwd betwist door te stellen dat zij ‘bestrijdt al hetgeen door de man is betoogd, voor zover de vrouw hieronder niet expliciet overgaat tot erkenning van het een en ander’. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat partijen nog tot de datum waarop het convenant is ondertekend op diverse punten hebben onderhandeld, maar zij heeft niet geconcretiseerd op welke punten nog onderhandelingen zijn gevoerd. In het kader van de gemotiveerde betwisting van man van het tijdstip waarop de definitieve verdelingsafspraken zijn gemaakt is de enkele verwijzing naar de opmerking dat er nog puntjes op de i gezet moesten worden, onvoldoende. Ook de verwijzing naar de, zeer algemeen gestelde en niet met stukken onderbouwde inhoud van de brief van 2 juli 2010, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om daaraan te kunnen ontlenen dat, laat staan op welk punten, nog is onderhandeld en/of wijzigingen zijn aangebracht in de tussen partijen gemaakte afspraken. De rechtbank stelt vast dat de vrouw haar grieven die zien op de taxaties en daaruit voortvloeiende taxatiewaardes zet in het kader van haar betwisting dat op het moment van verkoop van de woning al een allesomvattende regeling bestond. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien hoe het een uit het ander zou moeten volgen; het lijkt veeleer een argument in het kader van de door de vrouw gestelde totstandkoming van de afspraken als gevolg van bedreiging, bedrog dan wel misbruik van omstandigheden.

4.21.

Nu het tegenbewijs tegen de inhoud van de akte door de man voorshands is geleverd, kan de vrouw met een beroep op het convenant niet langer haar stelling bewijzen dat de daarin vastgelegde afspraken pas op 7 juli 2010 definitief zijn geworden. Blijkens het voorgaande heeft de vrouw ook anderszins onvoldoende bewijs geleverd van voornoemde stelling. Evenmin heeft zij daartoe een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat de vrouw geen tegenbewijs mag leveren tegen het vermoeden dat de inhoud van het convenant niet juist is.

4.22.

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de thans voorhanden zijnde stukken en de onvoldoende gemotiveerd betwiste stellingen van de man komen vast te staan dat partijen de afspraken zoals verwoord in het op 7 juli 2010 ondertekende convenant al eerder, ieder geval vóór 1 maart 2010 - definitief hebben gemaakt en dat de ondertekening van het convenant enkel nog een formaliteit was. Dit betekent dat het tijdstip van verdeling ook vóór 1 maart 2010 is gelegen.

4.23.

Daaruit volgt dat de vervaltermijn van drie jaar uiterlijk op 1 maart 2010 is gaan lopen en eindigde op 1 maart 2013. De rechtsvordering van de vrouw, zoals ingesteld bij de dagvaarding van 8 juli 2013, is derhalve na verloop van de vervaltermijn, dus te laat, ingesteld. Indien en voor zover de vrouw gezien het uitbrengen van de dagvaarding nog een beroep doet op de buitengerechtelijke vernietiging waartoe zij bij brief van 17 juni 2013 zou zijn overgegaan, is zij ook daartoe te laat overgegaan, aangezien naast de rechtsvordering ook het recht (de bevoegdheid) tot vernietiging uiterlijk op 1 maart 2013 is vervallen.

4.24.

De mogelijkheid dat de vrouw te laat is met het instellen van haar vordering tot vernietiging van de verdeling, is in het debat tussen partijen en ter comparitie niet aan de orde geweest. Ter voorkoming van een verrassingsbeslissing stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich (uitsluitend) hierover in een akte uit te laten.

De vordering tot nadere verdeling

4.25.

De vrouw heeft zich in de conclusie van repliek op het standpunt gesteld dat ten onrechte niet in de verdeling betrokken zijn de ING-depots onder de nummers [xxxx] en [yyyy] en dat de waarde van deze onverdeeld gebleven bestanddelen nog tussen partijen dienen te worden gedeeld.

4.26.

In de conclusie van dupliek heeft de man betwist dat de ING-depots niet in de verdeling zijn betrokken. De depots komen volgens hem al voor in het ‘voorstel scheiding’. Hierin staat duidelijk dat deze post aan de man is toebedeeld, aldus de man. Zijns inziens kan hieruit geconcludeerd worden dat het niet gaat om verzwegen bestanddelen en dat ze wel degelijk in de verrekening zijn betrokken.

4.27.

De vrouw heeft er vervolgens bij akte op gewezen dat in artikel 4.1. van het convenant onder te verdelen vermogensbestanddelen alleen de polis van lijfrente is benoemd. In de correspondentie van 24 januari 2010 staat vermeld dat deze lijfrente een waarde zou hebben van ongeveer € 3.000,--, terwijl in de door de man als productie 8 bij de conclusie van dupliek overgelegde berekening diezelfde lijfrente door de man wordt gewaardeerd op € 6.454,--. Nu de ING-depots volgens de vrouw niet in het convenant zijn vermeld, handhaaft zij haar stelling dat ze niet bij de definitieve verdeling zijn betrokken en dienen zij in haar visie aangemerkt te worden als vergeten bestanddelen.

4.28.

De rechtbank stelt voorop dat het feit dat goederen zijn ‘overgeslagen’ bij de verdeling, de verdeling nog niet ongeldig maakt. Is een goed ten onrechte buiten de verdeling gebleven, dan kan dat alsnog op voet van artikel 3:179 lid 2 BW worden verdeeld. Om te bepalen of goederen nog moeten worden verdeeld, dient eerst de omvang van de gemeenschap te worden vastgesteld.

4.29.

De stelling van de vrouw dat de ING-depots niet zijn verdeeld en het verweer van de man dat zij wel zijn verdeeld en aan hem zijn toegedeeld, impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat deze depots tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de depots zijn meegenomen in de verdeling verwezen naar het ‘voorstel scheiding’ van 24 januari 2010. De rechtbank stelt vast dat in het ‘voorstel scheiding’, evenals in het convenant, de depots niet met zoveel woorden worden genoemd. De man heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden. De rechtbank zal de man toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden, waaruit valt af te leiden dat de ING-depots bij de verdeling aan de man zijn toegedeeld en deze feiten en omstandigheden waar mogelijk met bescheiden te onderbouwen.

Slotsom

4.30.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, kan de rechtbank nog geen eindbeslissing geven. Beide partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld nog een akte te nemen en aan de man zal een bewijsopdracht worden verstrekt. De rechtbank zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol zoals hieronder is vermeld.

4.31.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 22 oktober 2014, zodat partijen, ieder voor zich, zich kunnen uitlaten over hetgeen onder 4.24 van dit vonnis is omschreven,

5.2.

draagt de man op om te bewijzen als overwogen in rechtsoverweging 4.29,

5.3.

bepaalt dat indien de man bewijs wenst te leveren door getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Almelo door mr. Zweers,

5.4.

verwijst de zaak naar de civiele rol van deze rechtbank van woensdag

24 september 2014 voor dagbepaling enquête en draagt de man op om ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen en het aantal te horen getuigen dan wel dat hij geen bewijs door getuigen wenst te leveren,

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.coll: