Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4872

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
07/996554-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt verdachte tot het (terug) betalen van 138.690,21 euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel door de verkoop van vlees dat niet voor de consumptiemarkt was bestemd. Verdachte heeft gedurende een lange periode vele malen vlees dat niet (meer) bestemd was voor de menselijke consumptie en als destructiemateriaal had dienen te worden verwerkt verkocht als zijnde vlees bestemd voor de menselijke consumptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht – Meervoudige Strafkamer

Locatie Zwolle

Parketnr. : 07/996554-08

Datum : 16 september 2014

Beslissing op de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht

van de officier van justitie in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

In de onderhavige zaak is door de rechtbank op 31 januari 2013 een (tussen)beslissing gegeven, welke als hier herhaald en ingelast geldt.

Procesgang

De rechtbank heeft na voornoemde (tussen)beslissing kennisgenomen van:

  • -

    een aanvullend rapport van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) d.d. 13 maart 2013 (11 maart maar niet noemen dan ?);

  • -

    een nadere schriftelijke reactie van de raadsvrouw van [verdachte] d.d. 13 juni 2013.

Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 17 september 2013.

Daarbij zijn gehoord:

- [verdachte], bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.F. Jagtenberg, advocaat te Hoofddorp;

- mr. E.L. Edens, officier van justitie.

Op verzoek van de officier van justitie en [verdachte] is het onderzoek ter voornoemde terechtzitting geschorst voor onbepaalde tijd teneinde te bezien of een minnelijke regeling overeengekomen kon worden.

Namens de officier van justitie is op 24 februari 2014 per mail meegedeeld dat het treffen van een minnelijke regeling is mislukt.

Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens hervat op 10 juni 2014.

Daarbij zijn gehoord:

- [verdachte], bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.F. Jagtenberg, advocaat te Hoofddorp;

- mr. E.L. Edens, officier van justitie.

Overwegingen

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft [verdachte] in de onderliggende strafzaak met opgemeld parketnummer bij vonnis van 5 juni 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest, ter zake van:
-feit 1, 4, 5 en 6 telkens:

Opzettelijk een geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

-feit 2, 3, 7 en 8 telkens:

Valsheid in geschrift;

-feit 9:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4 va de Destructiewet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

De rechtbank neemt voornoemd arrest als uitgangspunt. Uit de voor de bewezenverklaring in voornoemd arrest gebruikte bewijsmiddelen is aannemelijk geworden dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

De rechtbank is bij de berekening uitgegaan van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 31 augustus 2009, opgemaakt door G. Vink en N.A.A. van Tricht, het aanvullend rapport d.d. 12 juli 2011 van G.M.W. Thoelen van Galen en N.A.A. van Tricht.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

[verdachte] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in deze ontnemingsvordering niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard, omdat de vordering ondeugdelijk is onderbouwd, van de zijde van het Openbaar Ministerie zelf is aangegeven dat het onmogelijk is om de juiste kostprijs te berekenen en het Openbaar Ministerie vragen van de rechtbank onbeantwoord laat.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen van de zijde van [verdachte] is aangevoerd de conclusie tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet kan dragen. Een ondeugdelijke onderbouwing of de onmogelijkheid een kostprijs te berekenen kan consequenties hebben voor de vaststelling van het als wederrechtelijk verkregen aan te merken voordeel, maar niet valt in te zien om welke reden dit tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de ontnemingsvordering omstandig (in een 5-tal ordners) is onderbouwd, zij het dat van de zijde van het Openbaar Ministerie is aangegeven dat zij voor wat betreft een deel van het berekende voordeel niet over volledige informatie heeft kunnen beschikken.

Het voorgaande zou anders kunnen zijn bij het onbeantwoord laten van vragen van de rechtbank. Daarover echter het volgende.

De rechtbank heeft aan het Openbaar Ministerie/de NVWA opgedragen om nadere informatie te verstrekken (…) omtrent de door haar gehanteerde kostprijs- en opbrengstberekeningen ter zake van het zogenaamde [bedrijf 2]-vlees met inachtneming van (onder meer) het door [verdachte] gevoerde verweer dat in de opbrengstberekeningen van de NVWA ten onrechte ook rundvleesfacturen zijn meegenomen, terwijl het in deze zaak uitsluitend om varkensvlees gaat.

Daarop is van de zijde van het Openbaar Ministerie aangevoerd (in een aanvullend rapport d.d. 13 maart 2013, op pagina 4) dat alle rundvleespartijen bij de kostprijsberekening buiten beschouwing zijn gelaten. Daarbij is verwezen naar dossierstukken.

Naar het oordeel van de rechtbank valt dit optreden van het Openbaar Ministerie ruimschoots binnen de grenzen van het betamelijke en van een behoorlijke procesgang.

De rechtbank zal op grond van voorgaande overwegingen het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verwerpen.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Met betrekking tot de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, overweegt de rechtbank thans als volgt.

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat [verdachte] heeft genoten, neemt de rechtbank het rapport d.d. 31-08-2009 van de Forensische Accountancy van het Dienstonderdeel Opsporing van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) tot uitgangspunt. Dit rapport is ook door de officier van justitie aan zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag gelegd.

De rechtbank zal in het navolgende zoveel mogelijk direct ingaan op de bezwaren die [verdachte] tegen de berekeningen uit het rapport van de Forensische Accountancy van het Ministerie van LNV (hierna verder te noemen: het FA-rapport) heeft ingebracht. Meer algemene verweren met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zullen aan het slot worden behandeld.

Overeenkomstig het FA-rapport schat de rechtbank het bedrag aan wederrechtelijk genoten voordeel op basis van de bruto-marge (te weten het verschil tussen de verkoopopbrengst en de inkoopkosten) van de leveringen van steekvlees categorie 3, of daarmee vermengd vlees, voor zover dat door [verdachte] – in strijd met de bestemming – als voor menselijke consumptie bestemd vlees is verkocht en geleverd, verminderd met de direct daaraan gerelateerde kosten.

Bij de hierna volgende bespreking van

I. de verkoopopbrengst,

II. de inkoopkosten, en

III. de directe kosten

IV. het wederrechtelijk verkregen voordeel

hanteert de rechtbank – wederom in navolging van het FA-rapport – een onderscheid naar afkomst en verwerkingswijze van het steekvlees categorie 3 (verder de noemen: het steekvlees), te weten:

1. steekvlees dat, al dan niet via de [bedrijf 1] Vleeshandel B.V., is ingekocht bij [bedrijf 2] Fleischwerk GmbH & Co KG (verder te noemen: [bedrijf 2]), en dat

a. rechtstreeks verkocht is aan afnemers, onder soortgelijke benaming als bij de inkoop (varkenstrimmings, snippers, en dergelijke benamingen);

b. na verwerking/productie op de productielocatie [bedrijf 3] te Lith doorverkocht is als “Mager Met”;

2. steekvlees dat is ingekocht door [bedrijf verdachte 1] B.V. bij [bedrijf 4] GmbH (verder te noemen: Westpet);

3. steekvlees dat, al dan niet via de [bedrijf 1] Vleeshandel B.V., is ingekocht door [bedrijf verdachte 1] B.V. bij andere leveranciers.

I. De verkoopopbrengst

Ad 1.a)

Steekvlees afkomstig van [bedrijf 2], rechtstreeks doorverkocht onder soortgelijke benamingen als bij inkoop:



Voor de hand had gelegen om in navolging van het FA-rapport als verkoopopbrengst aan te merken: de verkochte en gefactureerde hoeveelheden maal de verkoopprijs/kg.

Omdat uit tabel 10.2 niet valt af te leiden welke hoeveelheden steekvlees nu precies rechtstreeks onder soortgelijke benamingen zijn doorverkocht, neemt de rechtbank voor wat de verkoopopbrengst over wat in het FA-rapport als verkoopopbrengst voor de totale hoeveelheid [bedrijf 2]-vlees is berekend1. Zie hiervoor ook hetgeen is overwogen onder 1.b).

Ad 1.b)

Steekvlees afkomstig van [bedrijf 2], verwerkt en doorverkocht als Mager Met:

Wanneer:

  • -

    vooraf steekvlees rechtstreeks is geleverd aan productiebedrijf [bedrijf 3] te Lith, onder de benaming (varkens)trimmings, snippers of andere soortgelijke benamingen;

  • -

    of vooraf steekvlees, na opslag bij [bedrijf 5] B.V. is geleverd aan productiebedrijf [bedrijf 3], onder de benamingen (varkens)trimmings, snippers of andere soortgelijke benamingen; en

  • -

    vervolgens enige dagen later bij [bedrijf 5] B.V. inslag plaatsvindt van “Mager Met” (met een temperatuur tussen ca. 2o tot 5o C en afkomstig van de productielocatie te Lith”)

merkt de rechtbank als verkoopopbrengst aan de hoeveelheid “Mager Met“ die afkomstig is van [bedrijf 3], maal de gemiddelde verkoopprijs “Mager Met”.

De vaststelling van de gemiddelde verkoopprijs “Mager Met” is gebaseerd op die verkoopfacturen, uit de in beslag genomen verkoopadministratie van [bedrijf verdachte 1] B.V., waarvan aannemelijk is dat die betrekking hebben op “Mager Met”, zij het dat deze zowel als “Mager Met” als als “Trimming” of een andere soortgelijke benaming werd verkocht. Voor de berekening van de gemiddelde verkoopprijs is alleen rekening gehouden met:

  • -

    die producten die op de factuur worden omschreven als Mager Met dan wel Trimming, met vermelding van een bepaalde vlees/vet-verhouding. Dit met dien verstande dat het product met de omschrijving “(pork)trimmings 90/10” voor de berekening van de gemiddelde verkoopprijs van Mager Met buiten beschouwing is gelaten, omdat niet valt uit te sluiten dat het hier een partij paardenvlees betreft die als rundvlees is verkocht met de omschrijving “Trimmings 90/10” en de verkoopprijs van paardenvlees en rundvlees hoger ligt dan de verkoopprijs van varkensvlees en Mager Met.

  • -

    die producten die op de factuur worden omschreven als Mager Met.

De gemiddelde verkoopprijs van deze producten over de periode van 1 januari 2006 tot 1 maart 2008 is berekend op € 1,322.

Anders dan [verdachte] meent, zijn bij de berekening van een gemiddelde verkoopprijs in het FA-rapport de facturen van rundvlees buiten beschouwing gelaten. Immers is bij die berekening alleen rekening gehouden met die facturen die, blijkens de omschrijving op de factuur, betrekking hebben op vlees dat afkomstig is van varkens. Facturen met andere omschrijvingen zijn buiten beschouwing gelaten3.

Voorts is op grond van het opsporingsonderzoek aannemelijk geworden dat niet alleen steekvlees bij [bedrijf 3] is geleverd, maar dat in een aantal gevallen op of omstreeks dezelfde dag ook andere soorten vlees zijn geleverd en dat aldaar het steekvlees en andere soorten vlees zijn verwerkt tot één product “Mager Met”, waarna afvoer van dit product heeft plaatsgevonden naar onder meer Vrieshuis [bedrijf 5].

Wanneer:

  • -

    bij [bedrijf 5] de uitslag van steekvlees, onder de benamingen (varkens)trimmings, snippers of andere soortgelijke benamingen, naar de productielocatie bij [bedrijf 3] minder is dan (na verwerking van) de inslag van “Mager Met” bij [bedrijf 5], en

  • -

    op of omstreeks dezelfde dag, naast de uitslag van steekvlees, ook andere soorten vlees bij [bedrijf 5] zijn uitgeslagen met bestemming de productielocatie van [bedrijf 3],

neemt de rechtbank de gehele inslag van “Mager Met” bij [bedrijf 5] bij de berekening van de opbrengst in aanmerking. Immers is door het productieproces de gehele partij Mager Met met steekvlees “besmet” en mag dit niet worden verkocht als vlees dat voor menselijke consumptie is bestemd. De totale verkoop van Mager Met is daardoor illegaal en de verkoopopbrengst (minus inkoopkosten en directe vaste kosten) derhalve als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.

De rechtbank neemt over wat in het FA-rapport als verkoopopbrengst voor de totale hoeveelheid Mager Met is berekend4.

Uit de spreadsheet in paragraaf 10.2 van het FA-rapport valt niet af te leiden wat afzonderlijk de hoeveelheid en de verkoopopbrengst is geweest van (ad 1.a) het rechtstreeks doorverkochte steekvlees en (ad 1.b) hetgeen als Mager Met is doorverkocht. Maar de rechtbank gaat hierbij uit van de bedragen die in de spreadsheet van paragraaf 10.2. van het FA-rapport staan genoemd als verkoopopbrengst van de totale hoeveelheden van [bedrijf 2] afkomstig steekvlees, vermeerderd met de apart genoemde opbrengst van de “meer inslag” van het Mager Met.

De rechtbank gaat dus uit van:

Verkoopopbrengst 2006:

€ 117.897,89

Verkoopopbrengst 2007:

155.914,48

Opbrengst meer inslag Mager Met 2006:

46.116,84

Opbrengst meer inslag Mager Met 2007:

73.180,80

Totaal

€ 393.110,01

Ad 2) Steekvlees afkomstig van Westpet
Het gaat hier om steekvlees dat Westpet heeft verkocht aan [bedrijf verdachte 1] B.V., waarna dit vlees vervolgens door [bedrijf verdachte 1] ook weer is verkocht en geleverd met valselijk opgemaakte CMR’s, om te verhullen dat vlees, dat in werkelijkheid steekvlees was, werd geleverd ten behoeve van menselijke consumptie.
Als verkoopopbrengst is aangemerkt de verkochte en gefactureerde hoeveelheid maal de verkoopprijs/kg. Indien zelfde partijen steekvlees weer zijn teruggekocht en opnieuw verkocht, is voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tweemaal een verkoopopbrengst meegenomen.

De rechtbank gaat hierbij uit van de bedragen die in de spreadsheet van paragraaf 10.3. van het FA-rapport staan genoemd

De rechtbank gaat dus uit van:

Verkoopopbrengst 2006:

€62.654,37

Verkoopopbrengst 2007:

29.084,71

Totaal

€91.739,08

Ad 3) Steekvlees afkomstig van andere leveranciers:

Er wordt rekening gehouden met één partij die afkomstig is van [bedrijf 6] B.V. uit België, die gedeeltelijk is verkocht aan [bedrijf verdachte 1] B.V..
Blijkens de bovenste spreadsheet op pagina 1000035 is deze partij deels rechtstreeks verkocht en deels in productielocatie [bedrijf 3] verwerkt tot Mager Met en als zodanig verkocht.
Voor wat het rechtstreeks verkochte steekvlees gaat de rechtbank uit van de in de spreadsheet genoemde bruto-marge (€ 588,80) en voor wat de meer inslag Mager Met van de in de spreadsheet genoemde verkoopopbrengst van € 3.553,44. De rechtbank gaat hierbij, overeenkomstig het FA-rapport, uit van de gemiddelde verkoopprijs van Mager Met van € 1,32/kg. Van dat laatste dienen later (zie onder II. Inkoopkosten) nog de inkoopkosten à € 0,82/kg te worden afgetrokken.
De rechtbank gaat dus uit van:

Bruto-marge OL-[bedrijf 8]-[bedrijf 6] 06

€ 588,80

Meerinslag 2.692 kg

3.553,44

Totaal

4.142,24

Er wordt voorts rekening gehouden met twee partijen die afkomstig zijn van [bedrijf 7] GmbH te Kassel, die via [bedrijf 8] aan [bedrijf verdachte 1] zijn verkocht als pork- en varkenstrimming en waarvan aannemelijk is dat één van deze partijen eveneens deels in productielocatie [bedrijf 3] is verwerkt en als Mager Met is verkocht.
De rechtbank houdt ook hierbij rekening met de in de onderste spreadsheet op pagina 1000035 genoemde bruto-marges van € 19.817,88 en € 18.933,50 en voor wat de meer-inslag Mager Met van de in de spreadsheet genoemde verkoopopbrengst van € 8.656,56. De rechtbank gaat ook hierbij, overeenkomstig het FA-rapport, uit van de gemiddelde verkoopprijs van Mager Met van € 1,32/kg. Van dat laatste dienen later (zie onder II. Inkoopkosten) nog de inkoopkosten à € 0,82/kg te worden afgetrokken.
De rechtbank gaat dus uit van:

Bruto-marge OL-[bedrijf 8]-[bedrijf 7] 01

€ 19.817,88

Meerinslag 6558 kg

8.656,56

Verkoopopbrengst OL-[bedrijf 8]-[bedrijf 7] 04

18.933,50

Totaal

€ 47.407,94

Het totaal aan verkoopopbrengst van steekvlees van andere leveranciers is de som van € 4.142,24 en € 47.407,94 is € 51.550,18.

II. De inkoopkosten

Voor de schatting van de inkoopkosten, heeft de rechtbank, in navolging van het FA-rapport, rekening gehouden met die partijen steekvlees waarvan uit het strafdossier is gebleken dat dit steekvlees in een later stadium – illegaal – is aangemerkt en verkocht als vlees bestemd voor humane consumptie. Als inkoopprijs wordt berekend de door de verdachte bij de (directe) leverancier ingekochte hoeveelheid steekvlees maal de inkoopprijs/kg.

Ad 1.a)

Steekvlees afkomstig van [bedrijf 2], rechtstreeks doorverkocht onder soortgelijke benamingen als bij inkoop:

In het FA-rapport is met betrekking tot het steekvlees dat [bedrijf verdachte 1] B.V. als (varkens)trimmings, snipper of soortgelijke benamingen heeft ingekocht en gefactureerd gekregen, en welke hij onder soortgelijke benaming rechtstreeks aan afnemers heeft verkocht, als inkoopprijs aangemerkt de gefactureerde hoeveelheid maal de prijs/kg5. In de tabel 10.2 van het FA-rapport kan de rechtbank de inkoopprijs waarmee voor dit steekvlees rekening is gehouden niet afzonderlijk herleiden. Nu noch de Officier van Justitie, noch de raadsvrouw tijdens het voortgezette debat nog over deze partij steekvlees heeft gerept, zal ook de rechtbank dit eveneens buiten beschouwing laten.

Ad 1.b)

Steekvlees afkomstig van [bedrijf 2], verwerkt en doorverkocht als Mager Met:

Met betrekking tot het steekvlees dat op de productielocatie van [bedrijf 3] samen met andere vleessoorten, niet zijnde steekvlees, is verwerkt tot Mager Met, overweegt de rechtbank het volgende omtrent de inkoopkosten.

Uit verklaringen van [verdachte], [naam - bedrijf 3] en [naam] (van Vrieshuis [bedrijf 5]) blijkt dat allerlei andere soorten vlees, niet zijnde steekvlees, samen met het steekvlees tot Mager Met is verwerkt, zoals onder meer buikranden, wangen, schouderstukjes, nekstukken, tongvlees.

In het FA-rapport wordt voor wat betreft de inkoopkosten van Mager Met twee te onderscheiden benaderingen gekozen:

1. voor zover de inslag van Mager Met bij [bedrijf 5] overeenstemt met hetgeen kort daarvoor aan steekvlees is uitgeslagen: de bij de (directe) leverancier ingekochte hoeveelheid steekvlees maal de inkoopprijs/kg van dit steekvlees6.
Blijkens de behandelingen ter terechtzitting zijn de officier van justitie als de verdediging het erover eens dat voor de inkoopprijs van dit van [bedrijf 2] afkomstige steekvlees € 0,41/kg gerekend kan worden. De rechtbank zal ook hiervan uitgaan.

2) voor zover het om de zogenaamde meer-inslag gaat: de gemiddelde inkoopprijs voor de andere (met het steekvlees vermengde) vleessoorten7.


Voor de vaststelling van de inkoopkosten van deze andere soorten vlees is in het FA-rapport gelet op de administratie van accountant Buro de Lopikerwaard (BDL) en de daarin voorkomende overzichten van voorraden van deze vleessoorten, waarvan op grond van de verklaringen van eerdergenoemde [verdachte], [bedrijf 3] en [naam] aannemelijk is dat deze zijn verwerkt in het Mager Met. In het FA-rapport is rekening gehouden met de prijzen die per vleessoort op die overzichten van die voorraden voorkomen. Het totaalbedrag van de gehele voorraad per vleessoort is door BDL in de (concept)jaarrekeningen van [bedrijf verdachte 1] B.V. vermeld. Op basis van de totaalbedragen per vleessoort over de jaren 2007 en 2008, is in het FA-rapport een gemiddelde inkoopprijs van de andere vleessoorten, die in het Mager Met zijn verwerkt, berekend8. Aldus is in het FA-rapport een gemiddelde inkoopprijs voor de andere vleessoorten berekend van € 0,68 per kg.

Verweer [verdachte] tegen deze benadering (pagina 4 conclusie van antwoord):

[verdachte] heeft tegen de benadering van de inkoopkosten voor Mager Met in het FA-rapport bezwaar gemaakt.

In de eerste plaats omdat geen rekening gehouden is met de juiste mengverhouding van steekvlees en andere vleessoorten. Bij de berekening van inkoopkosten van Mager Met – niet zijnde de meer-inslag – wordt geen rekening gehouden met het feit dat dit vermengd is met veel duurder andersoortig vlees.
Ten tweede klaagt [verdachte] erover dat in het FA-rapport bij de berekening van de inkoopprijs van de meer-inslag Mager Met alleen rekening gehouden is met het bevroren vlees en niet met het duurdere verse vlees.

Volgens [verdachte] bestaat Mager Met – grofweg – voor 1/3 deel uit steekvlees, voor 1/3 deel uit (bevroren) andere soorten vlees uit Vrieshuis [bedrijf 5] en voor 1/3 deel uit vers vlees. [verdachte] heeft becijferd dat de gemiddelde inkoopprijs van vers vlees € 1,20/kg is en de gemiddelde inkoopprijs van vers en bevroren vlees samen € 1,03/kg. Het steekvlees van [bedrijf 2] kost volgens [verdachte] gemiddeld € 0,41/kg. [verdachte] heeft een gemiddelde inkoopprijs voor het Mager Met berekend van € 0,82/kg.

Tenslotte dient er volgens [verdachte] nog rekening gehouden te worden met bewerkingsverlies. Volgens [verdachte] gaat tijdens het productieproces ca. 5 tot 10% verloren.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer van [verdachte] steek houdt.

Door enerzijds, voor zover de hoeveelheden ingeslagen Mager Met gelijk waren aan de kort daarvoor uitgeslagen hoeveelheden steekvlees, rekening te houden met een inkoopprijs gelijk aan die van het steekvlees, en anderzijds, voor zover het gaat om de meer-inslag, rekening te houden met de inkoopprijs gelijk aan de gemiddelde inkoopprijs van het door het Mager Met gemende andersoortige vlees zoals die in bevroren toestand bij Vrieshuis [bedrijf 5] in voorraad werden gehouden, wordt er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat iedere hoeveelheid Mager Met is geproduceerd uit een mengsel van steekvlees, andersoortig bevroren vlees en vers vlees. Hierdoor wordt zowel voor het Mager Met, voor zover overeenstemmend met de hoeveelheid uitgeslagen steekvlees, als voor wat betreft het meer-ingeslagen Mager Met, een te lage inkoopprijs aangehouden.

Juiste mengverhouding

De rechtbank gaat uit van de mengverhouding van het steekvlees, het andere bevroren vlees en het verse vlees van 1:1:1, zoals door [verdachte] gesteld en door de officier van justitie onvoldoende gemotiveerd is weersproken, terwijl deze mengverhouding de rechtbank, gelet op de verklaringen van [verdachte], [naam - bedrijf 3] en [naam] niet onaannemelijk voorkomt. Dat [verdachte] voor de productie van het Mager Met geen deugdelijke product-administratie heeft bijgehouden hoeft in dit geval niet tegen hem te werken. Voor de rechtbank prevaleert in dit geval het beginsel dat bij twijfel gerekend dient te worden in het voordeel van de verdachte c.q. veroordeelde.

De rechtbank neemt voor de berekening van de gemiddelde inkoopprijs van het Mager Met de door [verdachte] becijferde inkoopkosten over. [verdachte] heeft deze inkoopkosten becijferd op grond van de facturen van andere (bevroren dan wel verse) vleessoorten, zoals door hem bij conclusie van dupliek overgelegd. Door het ontbreken van een deugdelijke product-administratie valt weliswaar niet met stelligheid te zeggen of en in hoeverre die desbetreffende hoeveelheden andere soorten vlees (hetzij vers, hetzij bevroren) daadwerkelijk voor de verwerking in het Mager Met zijn gebruikt. Maar voor de rechtbank prevaleert ook hier het beginsel in dubio pro reo.

De rechtbank gaat uit van de volgende door [verdachte] becijferde, en in zoverre niet of onvoldoende van de kant van de officier van justitie bestreden, inkoopprijzen per kilo:

− steekvlees € 0,41/kg

− ander bevroren vlees 0,68/kg

− vers vlees 1,20/kg

− gemiddeld € 0,76/kg

productieverlies

Voorts zal de rechtbank, overeenkomstig het verweer van [verdachte], rekening houden met een productieverlies van, zoals door [verdachte] gesteld, tussen de 5% en 10%. De officier van justitie heeft dit onvoldoende bestreden, terwijl het de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt.

Rekening houdende met een gemiddeld productieverlies van 7,5% komt daarmee de inkoopprijs per verkochte hoeveelheid Mager Met op € 0,76 x 100/92,5 = € 0,82/kg.

herberekening inkoopprijs [bedrijf 2]-vlees

De rechtbank kan echter van de inkoopprijs van de totale hoeveelheid Mager Met geen herberekening maken, omdat in het FA-rapport niet valt af te leiden welke hoeveelheden steekvlees, afkomstig van [bedrijf 2], rechtstreeks zijn doorverkocht onder soortgelijke benamingen als het is ingekocht (als hiervoor genoemd onder 1.a.) en steekvlees afkomstig van [bedrijf 2], verwerkt tot en doorverkocht als Mager Met (als hiervoor genoemd onder 1.b)

In het voortgezette debat tussen de Officier van Justitie en de raadsvrouw over de onderhavige ontnemingsvordering, zijn zij het er echter op enige moment (in de conclusie van antwoord sub 11 en in de reactie daarop van de NVWA over eens geworden dat 240.000 kg van [bedrijf 2] afkomstig steekvlees als Mager Met de deur weer is uitgegaan. Hoewel de rechtbank die hoeveelheid uit tabel 10.2 van het FA-rapport niet kan afleiden, zal ook de rechtbank daarvan uitgaan, nu partijen het hier kennelijk over eens zijn.

Niet alleen die 240.000 kg steekvlees is als Mager Met verkocht, maar dit steekvlees is, zoals hiervoor omschreven, vermengd met ander bevroren vlees en vers vlees, zodat de totale hoeveelheid vlees die als Mager Met is verkocht groter is. In het FA-rapport wordt dat omschreven als „meer-inslag”. In tabel 10.2 van het FA-rapport wordt een hoeveel meer-inslag Mager Met genoemd van 34.937 en 55.440 maakt samen: 90.377 kg.

De rechtbank gaat nu voor wat betreft de hoeveelheid Mager Met uit van de som van 240.000 kg en 90.377 kg is 330.377 kg.

Voor wat betreft de inkoopprijs van deze 330.377 kg Mager Met gaat de rechtbank nu uit van 330.377 kg x 0,82 inkoopprijs, maakt € 270.909,14

Ad 2) Steekvlees dat is ingekocht bij Westpet :

Als inkoopprijs wordt aangemerkt, overeenkomstig het FA-rapport, de door [verdachte] bij de (directe) leverancier ingekocht hoeveelheid steekvlees/kg.

Aldus gaat de rechtbank voor wat betreft de bruto-marge van de van Westpet afkomstige leveranties uit van het volgende9:

Bruto-marge 2006

€ 17.320,81

Bruto-marge 2007

8.843,25

Totaal

26.164,06

Ad 3) steekvlees dat door [bedrijf verdachte 1] B.V. is ingekocht bij andere leveranciers:

Ook hier wordt als inkoopprijs aangemerkt de door [verdachte] bij de (directe) leverancier ingekochte hoeveelheid steekvlees/kg. Omdat in het FA-rapport die inkoopprijs niet afzonderlijk wordt genoemd, is de rechtbank hiervoor reeds uitgegaan van de in de spreadsheets op pag. 1000035 van het FA-rapport genoemde bruto marge, waarin de inkoopkosten reeds zijn verwerkt.

Daarnaast blijkt hierbij echter, net als bij het [bedrijf 2] vlees, een hoeveelheid te zijn verwerkt tot Mager Met. Voor wat de inkoop van die desbetreffende hoeveelheid gaat de rechtbank (net als bij [bedrijf 2]-vlees) uit van een inkoopprijs van € 0,82.

Aldus gaat de rechtbank, voor wat betreft de inkoopprijs van de van andere leveranciers afkomstige leveringen, uit van het volgende10.

Inkoop meerinslag Mager Met 2.692 kg x € 0,82

2.207,44

en

Inkoop meerinslag Mager Met 6.558 kg x € 0,82

5.377,56

Voor zover het van andere leveranciers afkomstige steekvlees is verwerkt in Mager Met gaat de rechtbank met betrekking tot de door vermenging verkregen meer-inslag uit van een totale inkoopprijs van € 2.207,44 + 5.377,56 = € 7.585,00

III. Directe kosten

Voor wat betreft de directe kosten in relatie tot de opbrengst is in het FA-rapport uitgegaan van de in de (concept-)jaarrekeningen opgenomen kostenposten. Deze directe kosten zijn vervolgens uitgedrukt in een percentage van de jaaromzet van [bedrijf verdachte 1] B.V., te weten voor 2006 10,08% en voor 2007 7,43%11.

Nu in de hiervoor omschreven benadering van de rechtbank de jaren 2006 en 2007, in ieder geval voor wat het betreft het [bedrijf 2]-vlees, door elkaar zijn gaan lopen, zal de rechtbank gemakshalve en in het voordeel van veroordeelde (en omdat de Officier van Justitie in zijn laatste ten behoeve van schikkingsonderhandelingen opgestelde berekening ook is uitgegaan van 10% en derhalve veroordeelde in zoverre wel wilde tegemoetkomen) uitgaan van een percentage directe kosten van 10% van de omzet.

Totale berekening:

[bedrijf 2]

Westpet

andere leveranciers

verkoopopbrengst

€ 393.110,01

91.739,08

€ 51.550,18

inkoopprijs

€ 270.909,14

€ 7.585,00

bruto-marge

122.200,87

€ 26.164,06

43.965,18

10% directe kosten

39.311,00

9.173,90

5.155,00

wederrechtelijk verkregen voordeel

82.889,87

16.990,16

38.810,18

Aldus berekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 138.690,21.

Toerekening aan A.J. [verdachte]

Conform vaste rechtspraak rekent de rechtbank het aldus door [bedrijf verdachte 1] B.V. verkregen voordeel toe aan [verdachte], omdat hij ofwel rechtstreeks ofwel, sinds een statutenwijziging per 24 september 2007, via diens beheermaatschappij [bedrijf verdachte 2] B.V. als aandeelhouder en bestuurder alleen het beheer voerde over deze vennootschap. Aldus had hij de volledige zeggenschap over deze vennootschap en kon hij als enige over het vermogen van deze rechtspersoon beschikken, zodat voor zover het vermogen van de vennootschap door de illegale vleeshandel is verrijkt, dat geacht moet worden aan [verdachte] ten goede te zijn gekomen.

Schatting

Gelet op het bovenstaande schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel in totaal op € 138.690,21.

Overige verweren van [verdachte]

I. Aftrek van reeds betaalde belasting

[verdachte] heeft tegen de vordering van de officier van justitie ingebracht dat hij over alle opbrengsten van de vennootschap belasting (zowel omzetbelasting als vennootschapsbelasting) heeft betaald. Over het eigen salaris van [verdachte], dat hij van [bedrijf verdachte 1] ontving, heeft hij inkomstenbelasting betaald. De belastingen moeten – aldus het standpunt van [verdachte] – van het berekende voordeel worden afgetrokken.

In navolging van de Hoge Raad, in haar arrest van 17-02-1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZD0947), overweegt de rechtbank het volgende.
Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht leidt het fiscale mechanisme dat, voor zover belasting verschuldigd is over wederrechtelijk verkregen voordeel, die belastingheffing weer ongedaan wordt gemaakt indien en voor zover dat voordeel weer wordt ontnomen, naar het oordeel van de wetgever zowel in strafrechtelijke als fiscaalrechtelijke zin tot een evenwichtig resultaat, terwijl daarentegen een rekening houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting bij de bepaling van het te ontnemen voordeel naar het oordeel van de minister tot een onevenwichtig en onbedoeld resultaat zou leiden. De keuze voor vorenomschreven fiscaal systeem brengt volgens de wetgever mee dat de strafrechter bij de bepaling van het aan voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing.

De rechtbank zal dan ook aan de fiscale consequenties van deze ontnemingsbeslissing voorbij gaan.

II. Rekening houden met misgelopen inkomsten (pag. 5 conclusie van antwoord punt 11 en 12)

[verdachte] heeft aangevoerd dat, als hij het steekvlees van [bedrijf 2] niet zou hebbn vermengd tot Mager Met, hij dit steekvlees op een andere manier zou hebben kunnen afzetten en daarvoor ook een opbrengst zou hebben kunnen verkrijgen. Met deze aldus misgelopen “normale” opbrengst moet aan de kostenkant rekening gehouden worden. [verdachte] gaat hiervoor uit van het bedrag van € 3.000,00.

Hetzelfde geldt voor de opbrengsten van het steekvlees dat afkomstig is van Westpet. Daarbij moet aan de kostenkant rekening worden gehouden van een gederfde “normale” opbrengst van € 0,03 p/kg.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De ontnemingsmaatregel van art. 36e van het Wetboek van Strafrecht strekt tot ontneming van voordeel dat de veroordeelde met schending van een wettelijk voorschrift heeft verkregen. Dat veroordeelde een deel van dat voordeel ook had kunnen verkrijgen zonder schending van die wettelijke voorschriften, staat er niet aan in de weg om de opbrengst van hetgeen veroordeelde heeft verkregen uit handel in strijd met de wettelijke voorschriften als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken. Sterker nog: het draagt bij aan het doel van de strafrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften – juist ook ten opzichte van handelaren die wel met inachtneming van de wettelijke voorschriften winst trachten te verwerven – om de gehele opbrengst van illegale handel als wederrechtelijk voordeel aan te merken, en niet slechts tot aan het bedrag dat veroordeelde tenminste ook uit legale handel had kunnen verkrijgen.

III. Verzoek tot matiging

[verdachte] heeft verzocht rekening te houden met de financiële gevolgen voor zijn bedrijf, als gevolg van dit strafrechtelijk onderzoek en de hiermee gepaard gaande negatieve publiciteit. Al het vlees is inbeslaggenomen, ongeacht de afkomst, en [verdachte] heeft 100 ton vlees moeten afwaarderen tot petfood, terwijl dat vlees niet afkomstig was van [bedrijf 2] noch op andere wijze was “besmet”. Hierdoor heeft [verdachte] zo’n € 80.000,00 verlies geleden. Omdat [verdachte] heeft moeten inzien dat de papieren bij het vlees niet altijd zijn te vertrouwen, heeft hij inmiddels een groot deel van zijn vleeshandel verkocht. Vanwege deze omstandigheden heeft [verdachte] verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te stellen.

De rechtbank acht geen redenen aanwezig om tot matiging over te gaan. Van enige cijfermatige onderbouwing van hetgeen [verdachte] aan het verzoek tot matiging ten grondslag heeft gelegd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
De door [verdachte] gestelde imagoschade is een omstandigheid die hij zich had moeten realiseren als mogelijk gevolg voordat hij de bewezen verklaarde strafrechtelijke handelingen ging plegen.

De rechtbank is voorts gelet op het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat thans niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde niet in staat zou zijn aan het hiervoor vermelde bedrag te voldoen. De rechtbank ziet daarom ook hierin geen reden om tot matiging van het ontnemingsbedrag over te gaan. Mocht in de toekomst blijken dat er geen of onvoldoende draagkracht aanwezig is, dan zal daarover in de executiefase kunnen worden geoordeeld.

Betalingsverplichting

De rechtbank stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van

€ 138.690,21

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals dit gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 138.690,21;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 138.690,21 aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

Aldus gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mrs. F. van der Maden en L.J. Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2014.

Mr. Bosch voornoemd was buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Zie spreadsheet op pagina 1000031 van het FA-rapport

2 Zie spreadsheet op pag. 1000102 t/m 1000105 (FD/14)

3 Zie bijlage 3 van het FA-rapport op pag. 1000075 en 76

4 Zie spreadsheet op pagina 100031 van het FA-rapport

5 Zie par. 9.4.1. op pagina 1000026 van het FA-rapport

6 Zie par. 9.4.2. op pagina 1000026 van het FA-rapport

7 Zie pagina 1000030 van het FA-rapport, 3e alinea: “De meer inslag “Mager Met” is afkomstig van ander vlees (anders dan steekvlees categorie 3)…”

8 Zie spreadsheet op pagina 1000027 van het FA-rapport

9 Zie spreadsheet op pagina 1000032 van het FA-rapport

10 Zie spreadsheets op pagina 1000035

11 Zie spreadsheet op pagina 1000213 e.v. van het FA-rapport