Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4828

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
C-08-148134 - FA RK 13-2498
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling omgangsregeling, gelet op zeer traumatische gebeurtenissen in het verleden, af. De vader heeft geen openheid van zaken gegeven over zijn psychische gesteldheid, terwijl hij in het verleden een suïcidepoging heeft ondernomen en gedreigd heeft om zichzelf en de minderjarige wat aan te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/148134 / FA RK 13-2498 (mk)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 1 juli 2014

inzake

[verzoeker],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres]

verzoeker,

advocaat: mr. T.J.H. Zwiers,

en

[belanghebbende],

verder ook de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. A. Gerards.

Met betrekking tot dit verzoek is mede als belanghebbende aan te merken:

de [minderjarige].

Het procesverloop

Bij op 28 november 2013 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de vader verzocht een omgangsregeling vast te stellen.

Op 4 december 2013 heeft de vader aanvullende stukken in het geding gebracht.

Op 10 januari 2014 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 januari 2014. Ter zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. Zwiers, en de moeder, bijgestaan door mr. Gerards.

De Raad voor de Kinderbescherming, verder de raad te noemen, is vertegenwoordigd door de heer B.A.M. Giesen. De standpunten zijn toegelicht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter aan de raad verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

[minderjarige] heeft zijn mening aan de kinderrechter kenbaar gemaakt bij op 13 januari 2014 ingekomen brief.

Op 23 april 2014 is een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ter griffie ingekomen.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 3 juni 2014. Ter zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. Zwiers, en de moeder, bijgestaan door mr. Gerards. De raad is vertegenwoordigd door de heer J.J. de Vries. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is geboren:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2001].

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 19 mei 2004 is de echtscheiding uitgesproken. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem van 21 oktober 2008 is de moeder alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. Bij die beschikking is de vader het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd.

De standpunten van partijen

De vader verzoekt de kinderrechter om te bepalen dat tussen hem en [minderjarige] een omgangsregeling in welke vorm dan ook, wordt vastgesteld. Hij stelt hiertoe - kort en zakelijk weergegeven - dat er sinds de beschikking van het gerechtshof inmiddels meer dan vijf jaren zijn verstreken. Sindsdien zijn er geen incidenten geweest. De vader heeft contact opgenomen met een psycholoog, de heer [H] te [plaats]. De psycholoog heeft een persoonlijkheidsonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat er bij de vader geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis in engere zin. De vader vormt geen gevaar voor zichzelf of voor anderen in het algemeen en voor [minderjarige] in het bijzonder. Volgens de vader is er daarom weer contact mogelijk tussen hem en [minderjarige]. De vader acht het ook in het belang van [minderjarige] dat zij weer contact met elkaar hebben. Dit contact dient geleidelijk te worden opgebouwd. De vader heeft de moeder meermalen schriftelijk verzocht om mee te werken aan omgang, echter tot op heden zonder resultaat.

De moeder heeft verweer gevoerd. Zij stelt - eveneens kort en zakelijk weergegeven - dat er sinds juli 2006 geen contact meer is geweest tussen de vader en [minderjarige]. De omstandigheden sinds de beschikking van het gerechtshof Arnhem zijn niet gewijzigd. Het gerechtshof heeft destijds in haar beschikking overwogen dat zij de vader kennelijk ongeschikt acht dan wel niet in staat tot omgang met [minderjarige]. Het gerechtshof heeft hem daarom het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd. De moeder informeert de vader tweemaal per jaar via post en foto’s. De moeder stelt dat het vooruitzicht van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] voorzienbare blijvende spanningen oproept bij haar. Hierbij is [minderjarige] niet gebaat, zodat omgang ook anderszins in strijd is met zijn zwaarwegende belangen.

De moeder hecht geen of weinig waarde aan het persoonlijkheidsonderzoek uit 2012 van de psycholoog [H]. Het onderzoek is niet recent en het rapport is enkel gebaseerd op een vragenlijstonderzoek. De moeder twijfelt aan de volledigheid van het rapport. Indien de kinderrechter van oordeel mocht zijn dat een omgangsregeling moet worden vastgesteld, dan verzoekt zij de kinderrechter om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

[minderjarige] heeft schriftelijk verklaard dat hij weet dat zijn vader van hem houdt, dat hij ook van zijn vader houdt, maar dat hij nog geen behoefte heeft om hem te zien.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

De kinderrechter heeft de raad verzocht onderzoek te doen naar en de kinderrechter te rapporteren en te adviseren over de vraag of omgang in het belang van [minderjarige] is en zo ja, op welke wijze daaraan dan invulling dient te worden gegeven.

In zijn rapport van 23 april 2014 adviseert de raad de kinderrechter om geen omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en zijn vader. De raad acht omgang niet in het belang van [minderjarige]. Er is al jaren geen omgang tussen [minderjarige] en zijn vader en die mogelijkheden zijn er nu ook niet. [minderjarige] wil het niet en zijn moeder ook niet. De wens van [minderjarige] om geen omgang te hebben, dient serieus genomen te worden. Dit is de belangrijkste contra-indicatie voor omgang. [minderjarige] voelt zich niet veilig. Omgang kan niet worden afgedwongen. Daarnaast kan moeder het contact tussen [minderjarige] en zijn vader niet aan. De suïcidepoging van vader in 2003 en zijn dreiging in 2006 om [minderjarige] en zichzelf van het leven te beroven, hebben diepe sporen nagelaten. Voor vader is het moeilijk om zich te verplaatsen in [minderjarige] en zijn moeder. De wens van vader om contact met [minderjarige] te hebben, is begrijpelijk, maar hij gaat hierbij enigszins voorbij aan het effect dat zijn verzoek op [minderjarige] en zijn moeder heeft.

De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek van de vader, mede gelet op de inhoud van voormelde raadsrapportage, moet worden afgewezen. Op basis van de uitvoerig in het raadsrapport beschreven argumenten dient geconcludeerd te worden dat omgang tussen [minderjarige] en zijn vader niet in het belang is van [minderjarige]. Het is aan [minderjarige] zelf om in de toekomst contact met zijn vader op te nemen als hij daar behoefte aan heeft. De kinderrechter begrijpt dat deze beslissing voor de vader zeer teleurstellend is, maar het belang van [minderjarige] dient voorop te staan. Zijn belang weegt zwaarder dan het belang van de vader in deze.

De kinderrechter gaat voorbij aan de stelling van de vader dat het rapport niet volledig is, omdat er geen persoonlijkheidsonderzoek van de vader heeft plaatsgevonden.

Er zijn twee belangrijke contra-indicaties voor omgang. De eerste contra-indicatie is de uitdrukkelijke wens van [minderjarige] om geen omgang met zijn vader te hebben, omdat hij zich bij hem niet veilig voelt. De tweede contra-indicatie is de weerstand van de moeder tegen omgang tussen [minderjarige] en zijn vader. De hevige spanningen die omgang bij de moeder zouden oproepen, staan aan die omgang in de weg. Moeder is het vertrouwen in vader volledig kwijtgeraakt door zijn zelfmoordpoging in 2003 en zijn dreiging in 2006 om [minderjarige] en zichzelf van het leven te beroven. Het is hierdoor voor moeder niet mogelijk om [minderjarige] in zijn omgang met vader te begeleiden.

Wellicht had de vader een deel van het wantrouwen bij moeder kunnen wegnemen door volledige openheid van zaken te geven. De kinderrechter en de moeder hebben hun twijfels geuit over de volledigheid van de door de vader in het geding gebrachte kopie van het rapport van de psycholoog. De moeder stelt hierover terecht dat het rapport “kop noch staart heeft”. De vader heeft echter nagelaten om alsnog het origineel van het rapport over te leggen. Daarnaast stelt de moeder terecht dat de vader geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn contacten met psychiaters en/of psychologen in de afgelopen jaren, dat hij geen informatie verstrekt over diagnose en behandelplannen en de uiteindelijke resultaten van de gevolgde behandelingen.

Gelet op de voor de moeder en [minderjarige] zeer traumatische gebeurtenissen, had de vader hierover volledige duidelijkheid moeten verschaffen. Te meer nu uit het (wel in het geding gebrachte deel van het) rapport van de psycholoog onder meer blijkt dat de vader een overmaat aan energie toont waarbij sprake is van een gebrek aan richting, conceptuele desorganisatie, een onrealistische zelfwaardering, een lage frustratietolerantie en impulsiviteit. Daarnaast is sprake van een grote mate van oppervlakkige sociale vaardigheid en zelfoverschatting en geringe egobegrenzing bij een onvermogen tot het aangaan en onderhouden van diepergaande, wederkerige emotionele relaties. Het wantrouwen van de moeder naar de vader toe is hierdoor niet weggenomen. Integendeel, het wantrouwen is alleen nog maar toegenomen.

De vader verwijt de moeder en de raad dat zij er niets aan hebben gedaan om het gevoel van onveiligheid bij [minderjarige] te verminderen, maar naar het oordeel van de kinderrechter is hier sprake van de spreekwoordelijke pot die de ketel iets verwijt. De vader had hieraan zelf ook een positieve bijdrage kunnen leveren door naar de moeder toe open en eerlijk te zijn over zijn psychische gesteldheid.

De kinderrechter wenst nog op te merken dat hij begrip heeft voor de wens van vader om af en toe een bedankje van [minderjarige] zelf te ontvangen voor de kaarten die hij stuurt en de cadeautjes die hij door oma van vaderszijde aan [minderjarige] doet toekomen. Van moeder mag worden verwacht dat zij [minderjarige] hierin blijft stimuleren. Zij kan niet volstaan met de opmerking dat [minderjarige] oud genoeg is om daaraan zelf te denken. De kinderrechter sluit zich aan bij de opmerking van de raad dat dergelijke bedankjes een kwestie van fatsoen zijn. Dat [minderjarige] oma bedankt wanneer zij namens vader een cadeautje meeneemt, betekent niet automatisch dat hij daarmee ook zijn vader heeft bedankt. Het zou [minderjarige] niet misstaan om vader af en toe eens persoonlijk te bedanken, bijvoorbeeld via de mail. Hij zou vader daar een groot plezier mee doen.

De kinderrechter zal de proceskosten compenseren nu partijen gehuwd zijn geweest en de procedure het recht op omgang van de hieruit geboren minderjarige betreft.

de beslissing

De kinderrechter:

1.

Wijst af het verzoek van de vader.

2.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D. Blomhert, kinderrechter, in tegenwoordigheid van G.M. Keupink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014.