Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4827

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
C/08/157830 / ES RK 14-1639
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Berekening draagkracht m.b.t. kinderalimentatie indien de man de lasten van de voormalige echtelijke woning blijft doorbetalen en daarnaast eigen woonlasten heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/157830 / ES RK 14-1639 (HN)

beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 4 juli 2014

inzake

[verzoeker],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. M.H. Hasselo.

Het procesverloop

Op 13 juni 2014 is een verzoekschrift tot het verkrijgen van voorlopige voorzieningen ter griffie ingekomen.

Op 27 juni 2014 is een verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, ter griffie ingekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van 30 juni 2014. Ter zitting zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Mühlstaff en de vrouw, bijgestaan door mr. Hasselo. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is mevrouw M. Jongman aanwezig. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Partijen zijn op [1999] te [plaats] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

Uit dit huwelijk zijn geboren:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2000],

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2002],

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [2005],

[minderjarige 4], geboren te [geboorteplaats] op [2007].

De standpunten van partijen

Ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verzoekt de man te bepalen dat de minderjarigen in de even weken bij de man verblijven, waarbij de minderjarigen door de man en/of zijn nieuwe partner op donderdag bij school worden opgehaald en op vrijdagochtend naar school worden gebracht en later weer gehaald en waarbij ten aanzien van de vakantie- en feestdagen en overige afspraken de regeling geldt zoals die blijkt uit productie I van het verzoekschrift. Daarnaast verzoekt de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking de afgifte van de spullen genoemd in productie II bij het verzoekschrift.

De vrouw voert hiertegen verweer. Ter zake de afgifte van de goederen stelt de vrouw dat de verdeling van de inboedel, voor zover nog niet gerealiseerd, in het kader van de bodemprocedure aan de orde dient te komen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat dit wel in het kader van deze voorlopige voorzieningen moet worden betrokken, stelt de vrouw dat zij ten aanzien van een aantal in het verweerschrift genoemde zaken geen bezwaar heeft tegen toedeling aan de man en dat ten aanzien van andere in het verweerschrift genoemde zaken het verzoek moet worden afgewezen, omdat de vrouw die goederen wenst te behouden dan wel dat het verzoek onvoldoende gespecificeerd is.

Ook kan de vrouw niet instemmen met het door de man verzochte co-ouderschap. Zij acht dit om verschillende redenen te belastend voor de kinderen. Allereerst vanwege de afstand. De vrouw woont in [plaats] en daar gaan de kinderen ook naar school en de man woont bij zijn nieuwe partner, met drie kinderen, in [plaats]. Toewijzing van het verzoek zou betekenen dat de man en zijn partner voor de helft van de tijd zeven kinderen moeten verzorgen en opvoeden in een woning die daarvoor naar de mening van de vrouw niet in voldoende mate geschikt is, gelet op o.a. het leeftijdsverschil van de kinderen en het feit dat het om zoons en dochters gaat.

De vrouw verzoekt de toevertrouwing van de kinderen. De vrouw wenst het contact tussen de man en de kinderen niet te dwarsbomen maar stelt ook een contact met de kinderen in het weekend op prijs en in het voorstel van de man heeft zij die mogelijkheid eens per twee weken alleen op zondag. De vrouw stelt een reguliere weekendregeling voor in die zin dat de kinderen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man zorgt voor het halen en brengen. De vrouw kan niet instemmen met de door de man verzochte verdeling van de (zomer)vakanties en doet daarvoor een ander verzoek. Daarnaast verzoekt de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 269,= en dient de man primair de hypotheeklasten van de woning en overige in het verweerschrift genoemde lasten voor zijn rekening te blijven nemen dan wel subsidiair te bepalen dat de man met een bedrag van € 847,80 per maand bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Ter zitting heeft de vrouw haar primaire verzoek voor wat betreft de alimentatie gewijzigd in die zin dat de rechtbank dient te verstaan dat de man de hypotheeklasten, de premie levensverzekering en het eigenaarsdeel van de onroerende zaak belasting etc.) dient te voldoen en daarnaast een bedrag van € 250,= per maand aan partneralimentatie.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De rechtbank oordeelt ten aanzien van de (zelfstandige) verzoeken als volgt.

1 TEN AANZIEN VAN HET VOORTGEZET GEBRUIK VAN DE ECHTELIJKE WONING

1.1

Het zelfstandige verzoek van de vrouw ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning kan worden toegewezen, nu de man daartegen geen verweer heeft gevoerd.

2 TEN AANZIEN VAN DE AFGIFTE VAN DE GOEDEREN

2.1

De rechtbank is in casu van oordeel dat het bestek en de opscheplepel van de moeder van de man kunnen worden gezien als goederen strekkend tot het dagelijks gebruik. Voor zover de afgifte van de goederen zoals dat door de man is verzocht, ziet op voormelde goederen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man kan worden toegewezen.

2.2

De rechtbank is van oordeel dat omtrent de overige goederen in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dient te worden beslist nu de verdeling van de inboedel geen voorlopige voorziening is zoals die in de wet is genoemd, maar een nevenvoorziening die in het kader van de echtscheidingsprocedure ter beoordeling aan de rechtbank kan worden voorgelegd. Ter zitting hebben partijen wel afgesproken dat zij voor de overige goederen in onderling overleg afspraken zullen maken over de afgifte van de spullen waarmee de vrouw heeft ingestemd en zoals dat blijkt uit haar verweerschrift.

3 TEN AANZIEN VAN DE VOORLOPIGE TOEVERTROUWING

3.1

De rechtbank stelt vast dat de man een uitgebreide omgangsregeling verzoekt welke overeenkomt met een zogenoemde co-ouderschap en dat het zelfstandig verzoek van de vrouw de voorlopige toevertrouwing van de kinderen inhoudt.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet in het belang van de minderjarigen dat er sprake is van een zogenoemd co-ouderschap zoals dat door de man is verzocht. Redengevend daarvoor zijn de navolgende omstandigheden. Erkend wordt dat de communicatie tussen de ouders buitengewoon slecht is. Willen de ouders op een feitelijke evenredige wijze voor de kinderen zorgen, dan dienen zij over de kinderen goed te kunnen communiceren. Daarnaast staat vast dat de vrouw met de kinderen thans in [plaats] woonachtig is en dat de man is verhuisd naar [plaats].

Die afstand acht de rechtbank in het belang van de kinderen te groot. Er kan weliswaar voor gezorgd worden dat de kinderen worden gehaald en gebracht naar school, maar het deels wonen in [plaats] zal een wissel trekken op het sociale leven van alle kinderen en op hun rust. Dit oordeelt de rechtbank op dit moment niet in het belang van de kinderen.

Hierbij komt dat de kinderen thans in de woning van de man in [plaats] een krappe behuizing zullen aantreffen, welke behuizing nog krapper is als ook de kinderen van de nieuwe partner er aanwezig zijn.

Het voorgaande leidt er toe dat het zelfstandige verzoek van de vrouw voor wat betreft de voorlopige toevertrouwing moet worden toegewezen.

4 TEN AANZIEN VAN DE VERDELING VAN DE ZORG- EN OPVOEDINGSTAKEN

4.1

De rechtbank is van oordeel dat er zeker sprake moet zijn van een regelmatig contact tussen de man en de kinderen.

Door de man is in dit verband een verzoek gedaan en dit verzoek komt overeen met het voorstel van de man tot co-ouderschap.

De rechtbank stelt in dit verband ten eerste vast dat het verzoek zoals de man dat doet niet overeenkomt met de bijlage van het verzoekschrift waarnaar hij verwijst.

De man wenst heel uitgebreid contact met de kinderen. Om dezelfde reden als hierboven, oordeelt de rechtbank dat een dergelijke uitgebreide regeling niet in het belang van de kinderen is op dit moment. De door de man voorgestelde regeling leidt tot veel heen en weer reizen tussen [plaats] en [plaats] en de rust van de kinderen zal hierdoor, mede gelet op de krappe behuizing van de man, onvoldoende zijn gewaarborgd.

4.2

De vrouw heeft verzocht een zorg- en contactregeling vast te stellen van één maal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur.

Gelet op de betwisting door de vrouw, heeft de man zijn stelling dat de vrouw op zaterdag werkt en dat hij ook de andere zaterdag voor de kinderen wenst te zorgen, onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelt deze verzochte regeling thans in het belang van de kinderen en de rechtbank zal dit verzoek toewijzen.

4.3.

De man kan er mee instemmen dat ter zake de verdeling van de zomer- en kerstvakantie uitgegaan wordt van het voorstel van de vrouw zoals dat is opgenomen in haar verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek. Dit zal de rechtbank dan ook toewijzen.

5 TEN AANZIEN VAN DE BIJDRAGE IN DE KOSTEN VAN VERZORGING EN OPVOEDING

Ten aanzien van de behoefte van de minderjarige

5.1.

De man betwist dat de hoogte van de behoefte van de minderjarigen.

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de relatie dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen.

Uit de overgelegde salarisspecificatie van de man volgt dat hij een inkomen van € 4.754,= bruto per maand geniet, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, een bruto reis- en onkostenvergoeding van € 230,20 per maand. Daarnaast ontvangt de man een dividend-uitkering ad € 316,50 per jaar, waarop € 47,48 belasting verschuldigd is, zodat een netto vergoeding van € 269,= per jaar resteert. Op het inkomen wordt wegens een pensioen een totaal bedrag van € 211,= per maand ingehouden. Rekening houdend met de voor hem geldende tarieven inkomstenbelasting en de heffingskortingen komt dit neer op een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 3.279,= netto per maand.

Ter zake het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de jaaropgave 2013, nu door de man niet is weersproken dat het inkomen van de vrouw in 2014 niet representatief voor haar inkomen omdat zij in die periode het zwangerschapsverlof van een collega heeft opgevangen en gedurende meer uren werkzaam is geweest. Aan die situatie is thans een einde gekomen. Het inkomen van de vrouw bedraagt volgens de overgelegde jaaropgave 2013 € 11.512,= bruto per jaar. Rekening houdend met de voor haar geldende tarieven inkomstenbelasting en de heffingskortingen, te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, komt dit neer op een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 841,= netto per maand.

Het gezamenlijk netto gezinsinkomen bedroeg ten tijde van het huwelijk aldus € 4.120,= per maand. Op basis van de tabel 2014 en voormeld netto gezinsinkomen berekent de rechtbank de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage van hun ouders op € 360,= per kind per maand. Deze behoefte vermindert de rechtbank vervolgens met het kindgebonden budget waarop de ouder bij wie de kinderen na het uiteengaan van partijen verblijft aanspraak kan maken. Op basis van de op de website van de belastingdienst voorkomende “Proefberekening toeslagen” becijfert de rechtbank het kindgebonden budget na uiteengaan op € 48,= per kind per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen komt daarmee op € 312,= per kind per maand.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

Ten aanzien van de draagkracht van de man

5.2.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw uit van de navolgende gegevens.

De man woont samen met een nieuwe partner die in eigen levensonderhoud voorziet.

Hiervoor heeft de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man becijfert op

€ 3.279,= per maand.

De rechtbank berekent normaliter de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)].

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw

5.3.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens.

Blijkens de jaaropgave 2013 bedraagt het inkomen van de vrouw € 11.512,= bruto per jaar.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 959,= per maand.

Gelet op het feit dat de vrouw een inkomen geniet beneden de bijstandsnorm, sluit de rechtbank aan bij het aanbod van de vrouw om met in totaal € 50,= per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Ten aanzien van de woonlasten

5.4

Partijen zijn het er over eens dat de man de hypotheekrente en de premie van de daaraan gekoppelde levensverzekering voor zijn rekening dient nemen. Anders dan partijen, zal de rechtbank de netto hypotheeklasten van de echtelijke woning (€ 692,= per maand), de premie levensverzekering (€ 45,= per maand), alsmede de helft van de huurlasten van de woning die de man thans met zijn nieuwe partner bewoont (€ 325,= per maand), betrekken in de berekening van het draagkrachtloos inkomen.

Zij verschillen van mening over het feit of de man eveneens de overige zakelijke lasten (zoals het eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting, waterschapslasten, rioolheffing, opstalverzekering en dergelijke) alsmede de maandelijkse lasten van gas, water en licht van de echtelijke woning voor zijn rekening dient te nemen. De rechtbank is van oordeel dat het forfait eigenaarslasten door ieder van partijen voor de helft moet worden gedragen (€ 48,= per maand), nu zij beiden eigenaar van de woning zijn. In dat verband sluit de rechtbank aan bij fiscale regelgeving. Voor wat betreft de overige kosten is de rechtbank van oordeel dat de vrouw deze lasten als gebruiker van de echtelijke woning eveneens dient te voldoen. Deze lasten dienen uit de voor haar geldende bijstandsnorm te worden voldaan.

Op grond van het voorgaande bedragen de totale netto woonlasten van de man € 1.110,= per maand. Ter zake de woonlasten wordt op grond van de geldende formulering 0,3 van het netto besteedbaar inkomen betrokken in de forfaitaire berekening van de kinderalimentatie, te weten € 983,70 (0,3 x NBI = € 3.279,=), zodat € 126,= (€ 1.110,= - € 984) per maand wordt betrokken in de berekening van het draagkrachtloos inkomen. De rechtbank berekent op grond van het voorgaande derhalve de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860 + 126)]. Voor zover recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, zal de rechtbank de draagkracht van de man met dit bedrag verhogen.

Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op

€ 229,= per kind per maand. Omdat de man aanspraak kan maken op fiscaal voordeel in verband met te betalen kinderalimentatie verhoogt de rechtbank de berekende draagkracht met een fiscaal voordeel van € 37,= per kind per maand. De draagkracht van de man komt daarmee op € 266,= per kind per maand.

Ten aanzien van de zorgkorting

5.5

Zoals hiervoor is overwogen heeft de man eens per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur contact met de minderjarige kinderen van partijen. De man heeft dan ook aanspraak op een zorgkorting. De rechtbank volgt wat betreft de hoogte van die zorgkorting de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Uitgaande van voormelde regeling geldt een zorgkortingspercentage van 15%. Nu de kosten van de kinderen € 312,= per kind per maand bedragen, beloopt de zorgkorting € 47,= per kind per maand.

Conclusie

5.6

Nu de draagkracht van de ouders onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan draagkracht aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:
€ 266,= (draagkracht) minus [(€ 47,= (zorgkorting) minus € 17,= (de helft van het tekort aan draagkracht)]= € 236,= per maand per kind per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

De rechtbank gaat er van uit dat partijen bovenstaande bijdrage in onderling overleg kunnen wijzigen vanwege de gewijzigde fiscale wetgeving per 1 januari 2015.

6 TEN AANZIEN VAN DE PARTNERALIMENTATIE

Voor wat betreft het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen.

Bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

Verder houdt de rechtbank rekening met de navolgende, door de man niet weersproken, lasten (alles op maandbasis):

- de huur ad € 325,=, zijnde de helft van de huurlasten van de partner van de man, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur ad

€ 224,=;

  • -

    de hypotheekrente ad € 1.172,=;

  • -

    de helft van het forfait eigenaarslasten ad € 48,=;

  • -

    de aflossing / premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek ad € 45,=;

  • -

    de premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering) ad € 130,= per maand, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW ad € 39,=;

  • -

    het verplicht eigen risico ad € 30,=;

  • -

    bovenstaande bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Op grond van bovenstaande berekening is de rechtbank van oordeel dat de man niet in staat is om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

I. Bepaalt, dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] met bevel dat de man deze woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

II. Bepaalt dat de vrouw aan de man dient af te geven het bestek en de opscheplepel van zijn moeder.

III. Bepaalt, dat de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd.

IV. Bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 27 juni 2014 voorlopig aan de vrouw zal verstrekken als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 236,= (tweehonderdzesendertig euro) per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

V. Treft inzake het recht van de minderjarigen op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende voorlopige regeling: de man heeft eens per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur omgang met de minderjarige kinderen. Daarnaast worden de vakantie- en feestdagen bij helfte gedeeld. Ten aanzien van de zomervakantie 2014 geldt dat de minderjarigen in de weken 28, 29 en 31 bij de man zijn en voor het overige bij de vrouw. De minderjarigen verblijven tijdens de kerstdagen 2014 bij de vrouw en op oudejaarsdag en nieuwjaarsdag bij de man.

VI. Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Blankestijn, in tegenwoordigheid van

J.H.A.L. Koelen-Goosink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2014.