Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4754

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-07-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
C-08-155867 - FA RK 14-1041
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets slaagt niet. Kinderalimentatie wordt, na aftrek van de zorgkorting, volgens de tabel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/155867 / FA RK 14-1041 (SvE)

Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 21 juli 2014, in de zaak van:

[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoekster,

advocaat: mr. P. van der Zalm,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. A.R. de Witte.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 01 mei 2014;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, binnengekomen op 19 juni 2014.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 26 juni 2014 een brief van mr. De Witte van diezelfde datum met bijlagen;

- op 3 juli 2014 een brief van mr. Van der Zalm van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 juli 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

Uit de – inmiddels verbroken – relatie van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2003],

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2005],

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [2008].

De man heeft voornoemde minderjarigen erkend. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen in de periode van januari 2013 tot en met september 2013 vast te stellen op € 154,- per maand en vanaf 1 oktober 2013 vast te stellen op € 746,- per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht, kosten rechtens.


Zij stelt dat de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage. Zij heeft zelf geen draagkracht om een bijdrage te leveren in de kosten van de kinderen. Nu de (advocaat van de) vrouw de man reeds in januari 2013 heeft aangeschreven kan de kinderalimentatie met ingang van die datum worden vastgesteld.

Het verweer

De man verzoekt de rechtbank de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen, dan wel een zodanige bijdrage vast te stellen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

Hij betwist de behoefte van de kinderen. Gezien zijn inkomsten en lasten is hij niet in staat de verzochte bijdrage te voldoen. Ook van de vrouw mag worden verwacht dat zij een bijdrage levert in de kosten van de kinderen. Niet is gebleken dat zij niet in staat zou zijn inkomen te verwerven. Hij erkent dat hij door de vrouw in januari 2013 is aangeschreven ter zake van zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen. Door hem zijn destijds financiële bescheiden in het geding gebracht. De vrouw heeft er desondanks niet voor gekozen om een bijdrage door de rechtbank te laten vaststellen. De eventueel door de man te betalen kinderalimentatie kan daarom niet eerder worden vastgesteld dan per datum verzoekschrift.

De beoordeling

Ten aanzien van de ingangsdatum

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechtbank hanteert als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage 1 mei 2014, nu de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen en moeten houden met een door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen. Weliswaar is onweersproken gesteld dat de man in januari 2013 door de (advocaat van de) vrouw is aangeschreven over zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige kinderen, maar nu de man daarop financiële bescheiden aan de vrouw heeft doen toekomen waaruit volgens de man bleek dat hij niet in staat was bij te dragen in de kosten van de kinderen, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de vrouw gelegen om op dat moment een verzoekschrift ter griffie van de rechtbank in te dienen indien zij van mening was dat de man toch in staat moest worden geacht een bijdrage te leveren. Nu zij zulks heeft nagelaten mogen de negatieve consequenties van die keuze niet voor rekening van de man worden gebracht.

Ten aanzien van de behoefte van de minderjarige

In geschil is de behoefte van de minderjarige.

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de relatie dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen.

Niet weersproken is dat partijen in oktober 2011 gescheiden zijn gaan leven, zodat in beginsel het inkomen dat door beide partijen op dat moment werd verdiend als leidraad heeft te gelden voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen. Vast staat dat de vrouw ten tijde van de samenleving geen inkomen had. De rechtbank zal voor de bepaling van het gezinsinkomen daarom uitsluitend aansluiting zoeken bij het inkomen van de man.

Uit de overgelegde jaaropgaven 2011 van de man volgt dat hij in dat jaar een belastbaar loon had van in totaal € 14.007,-. In 2012 bedroeg het belastloon van de man blijkens de door hem overgelegde jaaropgaven € 14.524,-. In september 2013 is de man in loondienst getreden bij [X]. Zijn inkomen aldaar bedraagt blijkens de door hem overgelegde salarisspecificaties van november 2013 tot en met februari 2014 € 2.130,30 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt hij een overwerkvergoeding van gemiddeld € 1.003,79 bruto per maand en een CAO-vergoeding van gemiddeld € 699,06 netto per maand.

Omdat een stijging van het inkomen van een ouder voor zover dit hoger is dan het voormalig gezinsinkomen tijdens de samenleving van invloed is op de vaststelling van de behoefte van minderjarigen zal de rechtbank voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen uitgaan van het huidige inkomen van de man. De kinderen mogen meeprofiteren van de gestegen welvaart aan de zijde van de man. Immers de verhoging van het inkomen van de man zou ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat aan de kinderen zou zijn besteed als partijen niet uit elkaar zouden zijn gegaan.

Rekening houdend met voormelde huidige inkomsten van de man en met de voor hem geldende tarieven inkomstenbelasting en de heffingskortingen becijfert de rechtbank het huidig besteedbaar inkomen van de man op € 2.932,- netto per maand.

Op basis van de tabel 2014 en voormeld netto inkomen (inclusief voormeld kindgebonden budget) berekent de rechtbank de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage van hun ouders op € 813,- per maand. Deze behoefte vermindert de rechtbank vervolgens met het kindgebonden budget waarop de ouder bij wie de kinderen na het uiteengaan van partijen verblijft aanspraak kan maken. Nu de vrouw geen inkomensgegevens van haarzelf en haar partner heeft overgelegd gaat de rechtbank ervan uit dat zij het maximale kindgebonden budget van € 145,- per maand ontvangt. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen komt daarmee op € 668,- per maand, ofwel (afgerond) € 223,- per kind per maand.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

Ten aanzien van de draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Voor zover recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, zal de rechtbank de draagkracht van de man met dit bedrag verhogen.

Zoals hiervoor is overwogen bedraagt het huidige netto besteedbaar inkomen van de man € 2.932,- per maand.

Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 834,- per maand. Omdat de man aanspraak kan maken op fiscaal voordeel in verband met te betalen kinderalimentatie verhoogt de rechtbank de berekende draagkracht met een fiscaal voordeel van € 90,- per maand. De draagkracht van de man komt daarmee op € 924,- per maand.

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw

Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat haar draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen kan worden vastgesteld op € 25,- per maand. Nu de man dat niet heeft weersproken, gaat de rechtbank hiervan uit.

Ten aanzien van de draagkrachtvergelijking

Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen € 949,- (€ 924,- + € 25,-) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte, die is vastgesteld op € 668,- per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de behoefte van de kinderen te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man vastgesteld op een (afgerond) bedrag ad € 650,- per maand (€ 924,- : € 949,- x € 668,-). Het aandeel van de vrouw stelt de rechtbank vast op (afgerond) € 18,- per maand (€ 25,- : € 949,- x € 668,-).

Ten aanzien van de aanvaardbaarheidstoets

De man stelt dat voormelde bijdrage – vanwege na te noemen last – voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat hij bij vaststelling van deze bijdrage met zijn inkomen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. Hij verzoekt de rechtbank rekening te houden met zijn betalingsverplichting van € 300,- per maand uit hoofde van betaling door hem op een gezamenlijke schuld van partijen. De man voert daartoe aan dat het gaat om een last die partijen gezamenlijk zijn aangegaan en waarop thans door hem alleen wordt afgelost. Hij is niet in staat zich van deze schuld te bevrijden.

De vrouw heeft het bestaan van een deel van de door de man bedoelde schulden erkend.

De rechtbank stelt voorop dat in die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.250,- netto per maand, vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie kan leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige:

- bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan

voorzien, of

- van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem

geldende bijstandsnorm overhoudt.

Het is aan degene die een beroep doet op de aanvaardbaarheidstoets om aan de hand van al zijn inkomsten en lasten inzichtelijk te maken of sprake is van een situatie zoals hiervoor omschreven.

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man als productie 8 bij zijn verweerschrift een overzicht verstrekt van zijn lasten. Zover de rechtbank uit de stukken kan opmaken betreft het hier schulden aan Menzis, het CJIB, de in 2011 ten onrechte ontvangen huurtoeslag, de in 2010 onterecht ontvangen kindertoeslag/kindgebonden budget, een schuld aan het Gemeentelijk belastingkantoor, Essent retail, MVGM Vastgoed Management, NV Unive Schade (via AGC gerechtsdeurwaarders). Daarnaast zou nog sprake zijn van een huurachterstand. De rechtbank is gebleken dat een groot deel van de bij die productie overgelegde lasten zien op de periode 2012. Onduidelijk is of de man thans nog op deze schulden aflost dan wel dat zij geheel zijn afgelost. Ter mondelinge behandeling is door de man verduidelijkt dat hij met deurwaarderskantoor GGN Tijhuis & Partners is overeengekomen dat hij maandelijks aflost op al zijn schulden met een bedrag van € 300,- per maand en daarnaast op de achterstand in de huurbetalingen met € 100,- per maand.

Zoals hiervoor is overwogen bedraagt het huidige NBI van de man € 2.932,- per maand.

Uit de bij productie 8 overgelegde stukken blijken de navolgende lasten (alles netto en per maand):
- een huur van € 517,43, te verminderen met de gemiddelde basishuur van € 224,-;
- de premie ZVW van € 126,11, te verminderen met de nominale premie ZVW van € 39,-;
- de rente en aflossing van € 300,- op voormelde schulden;
- de aflossing van € 100,- op de huurachterstand.


Naast voormelde lasten houdt de rechtbank bij de beoordeling of het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets kan slagen tevens rekening met het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen van € 650,- per maand.

De totale lasten van de man komen daarmee op (afgerond) € 1.431,- netto per maand. Zoals hiervoor is overwogen moet de man in ieder geval 90% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm overhouden om de noodzakelijke lasten van zijn bestaan te kunnen voldoen.

Na voldoening van zijn lasten resteert voor de man een ruimte van € 1.501,- (2.932 – 1.431) per maand om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te kunnen voorzien, terwijl 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm € 853,- per maand bedraagt. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat de man ook bij betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen van € 650,- per maand voldoende middelden overhoudt om in de kosten van zijn bestaan te voorzien. Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets kan dan ook niet slagen. De rechtbank neemt hierbij voorts in ogenschouw dat de man van zijn voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht van € 924,- per maand enkel € 650,- per maand hoeft te voldoen ter bestrijding van de kosten van de kinderen, zodat hij het restant ook zou kunnen aanwenden om de schulden af te lossen.

De man stelt dat uitgegaan dient te worden van een zorgregeling van eenmaal per veertien dagen een weekeinde alsmede gedurende een aantal vakanties en feestdagen. De vrouw erkent dat de man contact heeft met de kinderen maar betwist dat hij ook gedurende de vakanties omgang heeft met de kinderen. Ter mondelinge behandeling heeft de man erkend dat hij de kinderen graag meer zou willen zien, maar dat hij thans voor een nieuwe werkgever werkt en dat hij zijn verlof nog moet opbouwen. Voor volgend jaar kan hij de omgangsregeling uitbreiden. De door de man voorgestane regeling komt de rechtbank niet onredelijk voor. Dat de man aan deze regeling op dit moment feitelijk nog geen uitvoering kan geven acht de rechtbank bij de vaststelling van het aandeel van de man in de kosten van de kinderen minder relevant. Dit geldt temeer nu de bijdrage voor de toekomst wordt vastgesteld. Met de man gaat de rechtbank daarom uit van een zorgkortingspercentage van 25. Nu de behoefte € 668,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 167,- per maand.

Aldus gerekend resteert een door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor de kinderen van € 483,- (€ 650,- minus de zorgkorting van € 167,-) per maand, ofwel € 161,- per kind per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

De beslissing

De rechtbank:

1.

Bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2003],

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2005],

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [2008]

met ingang van 1 mei 2014 op € 161,- (éénhonderdéénenzestig EURO) per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Blankestijn, in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2014.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.