Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4715

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
C-08-154271 - FA RK 14-745
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank acht het niet redelijk dat man een bijdrage levert in de kosten van zijn stiefkinderen, nu het huwelijk tussen de man en vrouw eerst op 20-11-13 is ontbonden, de man en zijn huidige echtgenoot eind 2013 zijn gaan samenwonen en op 26-1-14 zijn gehuwd. Bovendien is het niet aannemelijk gemaakt dat de biologische vader geen hogere bijdrage in de kosten van zijn eigen kinderen zou kunnen leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0262

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/154271 / FA RK 14-745 (SL(O)

Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 29 juli 2014, in de zaak van:

[verzoeker],

verder ook de man te noemen,

wonende te[woonplaats 1], [adres 1],

verzoeker,

advocaat: mr. M. Cupido,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats 2], [adres 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. M.H. van der Linden.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 31 maart 2014;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 27 juni 2014.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 19 juni 2014 een brief van mr. van der Linden met bijlagen;

- op 20 juni 2014 een brief van mr. Cupido met bijlagen;

- op 25 juni 2014 een brief van mr. Cupido met bijlagen.

De minderjarigen [zijn] op 23 april 2014 door de kinderrechter gehoord. Van dit verhoor is proces-verbaal opgemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 30 juni 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder ook de Raad te noemen, is verschenen de heer [G.]. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

Partijen zijn op 7 september 2000 met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk zijn geboren de navolgende minderjarige kinderen:

[naam 1], geboren te[geboorteplaats] op[geboortedatum],

[naam 2], geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum],

[naam 3], geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum].

Partijen zijn gezamenlijk belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door hen beiden op 6, respectievelijk 13 november 2013 ondertekende echtscheidingsconvenant. In dit convenant zijn partijen, voor zover thans van belang, als volgt overeengekomen:
- onder 3.1 Er bestaat tussen de vader en de kinderen een zorg- of contactregeling, inhoudende dat de vader een weekend per veertien dagen van vrijdag 15.30 uur tot zondag 15.30 uur omgang met de kinderen zal hebben.

- onder 7.1 De kosten van de kinderen komen volgens de ouders op dit moment neer op € 797, - per maand en de ouders zullen naar rato van hun draagkracht daaraan bijdragen. Met ingang van 1 november 2013 (datum levering echtelijke woning) en zolang de minderjarige kinderen minderjarig zijn en bij moeder wonen, betaalt de vader aan de moeder alimentatie voor de minderjarige kinderen van € 477, - per maand, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 159, - per kind per maand.

Bij beschikking van 20 november 2013 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op 9 december 2013 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de inhoud van het door partijen opgestelde ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking en dat de man met ingang van 1 november 2013 en zolang de kinderen minderjarig zijn aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie minderjarige kinderen een bedrag van € 159,- per kind per maand.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2014 een bedrag van respectievelijk € 481,29 per maand en € 160,43 per kind per maand.

Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

I. de zorgregeling zodanig wordt gewijzigd dat de kinderen van partijen - aansluitend aan het omgangsweekeinde - voortaan ook de maandag tot en met dinsdagavond 19 uur bij de man verblijven en de woensdagmiddag in de week daarna vanuit school tot 19 uur met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum;

II. de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen met ingang van datum indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een door rechtbank te bepalen datum, wordt gewijzigd in een bijdrage van € 80,- per kind per maand.

De man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man is 27 januari 2014 gehuwd met [naam 4] (hierna [T.]), die uit een eerder huwelijk twee minderjarige kinderen heeft. Als gevolg van dit huwelijk is hij (mede) onderhoudsplichtig geworden voor de kinderen van [T.]. Bovendien is [T.] momenteel in verwachting van een tweeling. Uit de overgelegde zwangerschapsverklaring blijkt dat de tweeling omstreeks 13 oktober 2014 zal worden geboren.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen, kosten rechtens. Daartoe stelt zij dat de man door zijn houding en gedrag het onmogelijk maakt dat de vrouw en de kinderen een rustig en gestructureerd bestaan opbouwen en somt zij enkele incidenten op. Wat betreft het verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdrage stelt zij dat de man al vanaf het begin weigert de afgesproken bijdrage te betalen. Zij stelt dat het betalen van de kinderalimentatie voor de eigen kinderen voorrang geniet boven het betalen voor de stiefkinderen. Uit de overgelegde financiële bescheiden blijkt volgens de vrouw dat ze onvoldoende inkomen heeft om in de behoefte van de kinderen te voorzien en dat de in het ouderschapsplan overeengekomen bijdrage van de man noodzakelijk is.

De vrouw verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man de kinderen in het omgangsweekend op de zondag om 15.30 uur terug dient te brengen, dat de man eenmaal per week de kinderen mag bellen en wel op de woensdag om 17.30 uur en dat de vrouw als enige het ouderlijk gezag over de kinderen zal uitoefenen.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

De man verzoekt dat de rechtbank het zelfstandige verzoek zal afwijzen en persisteert voor het overige.

De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwd onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt nu de man gehuwd is met [T.] en als gevolg van dat huwelijk op grond van artikel 1:392 Burgerlijk Wetboek (BW) onderhoudsplichtig wordt voor haar minderjarige kinderen die behoren tot het gezin. De man kan daarom in zijn verzoek worden ontvangen. Ook ten aanzien van de zorg- en contactregeling is sprake van gewijzigde omstandigheden, zodat de man eveneens in dit verzoek kan worden ontvangen.

Ten aanzien van de zorgregeling

De rechtbank is van oordeel dat zij onvoldoende gegevens heeft om een beslissing te nemen op het voorliggende verzoek en het zelfstandige verzoek. Daarom verzoekt de rechtbank de Raad om de rechtbank te rapporteren en te adviseren over de voor de minderjarigen meest wenselijke verdeling van zorg- en opvoedingstaken, alsmede over het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag over de kinderen. De beslissing zal worden aangehouden.

Ten aanzien van de verzochte bijdrage

Niet betwist is dat de man en [T.] samen een tweeling verwachten, voor welke tweeling de man ook onderhoudsplichtig zal zijn. De beschikbare draagkracht van de man dient dan in beginsel ook over zowel [naam 1], [naam 2] en [naam 3] als zijn stiefkinderen als de thans nog ongeboren tweeling te worden verdeeld. De rechtbank zal daarom in haar beoordeling het verzoek splitsen in twee perioden: de periode tot aan de geboorte van de tweeling en de periode daarna.

Bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de ongeboren tweeling houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 70.

Ten aanzien van de verzochte bijdrage tot aan de geboorte van de tweeling

Op grond van artikel 1:400 BW wordt bij de bepaling van het aandeel van een ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kinderen rekening gehouden met alle onderhoudsverplichtingen die deze ouder heeft jegens zijn of haar kinderen en stiefkinderen. Nu de man op 27 januari 2014 gehuwd is met [T.], is hij op grond van artikel 1:395 BW als stiefouder in beginsel verplicht om ook bij te dragen in de kosten van de tot zijn (nieuwe) gezin behorende minderjarige kinderen van [T.], te weten [naam 8] en [naam 6]. De vrouw heeft gesteld dat het betalen van de kinderalimentatie voor de eigen kinderen voorrang geniet boven het betalen voor de stiefkinderen. De rechtbank overweegt ten aanzien van dat verweer als volgt.

De behoefte van de minderjarigen [naam 1], [naam 2] en [naam 3]

De behoefte van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] is tussen partijen niet in het geschil en kan worden vastgesteld op € 242,- per kind per maand. Uitgaande van een kindgebonden budget van de vrouw van € 54, - resteert een behoefte van € 188, - per kind per maand.

De draagkracht van de man en de vrouw

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man en de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens.

De man heeft een netto besteedbaar inkomen € 2.320, - per maand. De draagkracht van de man kan worden berekend aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)].

Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op

€ 534, - per maand. De man maakt aanspraak op fiscaal voordeel in verband met de te betalen kinderalimentatie van € 102, - per maand, gezien de hoogte van de hierna vast te stellen bijdrage. De draagkracht van de man komt, met inachtneming daarvan, op € 636, - per maand.

De vrouw heeft een netto besteedbaar inkomen van € 1.149, - per maand, wat, gelet op voornoemde formule, leidt tot een draagkracht van de vrouw van € 50, - per maand.

Onderhoudsbijdrage voor de stiefkinderen?

Uit de parlementaire geschiedenis van het hiervoor aangehaalde artikel 1:395 BW volgt dat, als de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen, de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang zijn. De omvang van ieders onderhoudsverplichting hangt dan af van de omstandigheden van het geval waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder(s) en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, de draagkracht van de ouder(s) en de stiefouder en de feitelijke verhouding tot ieder van de onderhoudsplichtigen

De man en de vrouw hebben, zoals uit bovenstaande berekening blijkt, juist voldoende draagkracht om te voorzien in de kosten van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] (totaal € 564, -). Wanneer de draagkracht van de man ook deels aangewend zou worden voor de kosten van de stiefkinderen (volgens de man € 333, - per kind per maand) kan zeker niet meer volledig in de behoefte van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] worden voorzien.

Volgens de man is het netto besteedbaar inkomen van [T.] € 1.200, - per maand. Uitgaande van dit gegeven en de hiervoor genoemde formule, betekent dit dat de draagkracht van [T.] € 50, - per maand is. Volgens de man is de behoefte van de beide stiefkinderen in de echtscheidingsprocedure van [T.] vastgesteld op totaal € 666, - per maand. Dit is echter niet vastgelegd. De ex-echtgenoot van [T.] betaalt maandelijks een onderhoudsbijdrage van € 182, - voor beide kinderen conform een beschikking van de rechtbank van 17 maart 2014.

Het huwelijk van de man en de vrouw is vrij recent ontbonden op 20 november 2013; feitelijk leefden de man en de vrouw sinds mei 2013 niet meer bij elkaar. De man is met [T.] gehuwd op 26 februari 2014. Gelet op de leeftijd van de kinderen van de man en de vrouw (respectievelijk 3, 11 en 12 jaar oud) en de korte periode waarin de man met [T.] en haar kinderen een gezin vormt, is er een nauwere verwantschap tussen de man en de kinderen dan tussen de man en de stiefkinderen.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het op dit moment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onredelijk dat de man een bijdrage levert in de kosten van de siefkinderen, temeer nu niet aannemelijk is gemaakt dat de ex-echtgenoot van [T.] niet in meerdere mate in de kosten van de stiefkinderen kan voorzien. De rechtbank is gebleken dat op verzoek van de biologische vader de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, bij beschikking van 17 maart 2014 diens onderhoudsbijdrage in de kosten van zijn kinderen is gewijzigd naar € 91,- per kind per maand. [T.] heeft in die procedure geen verweer gevoerd. De rechtbank heeft de bijdrage van de biologische kinderen van [T.] aldus niet zelf vastgesteld, maar beslist conform het verzoek. Uit voormelde beschikking blijkt voorts dat bij echtscheidingsbeschikking de bijdrage van de biologische ouder in de kosten van de kinderen die hij samen met [T.] heeft is bepaald op € 250, - per kind per maand. Daarnaast blijkt uit die beschikking dat de biologische vader met ingang van 20 december 2013 werkloos is geworden en sindsdien een WW-uitkering ontvangt. Door de man is echter in de onderhavige procedure niet aangetoond dat die situatie thans nog steeds voortduurt. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de behoefte van de stiefkinderen € 666,- per maand bedraagt en dat de biologische vader van de kinderen van [T.] op dit moment geen hogere bijdrage zou kunnen leveren in de kosten van zijn eigen kinderen. Gelet op de wettelijke onderhoudsverplichting die op de man rust om ook te voorzien in de kosten van zijn stiefkinderen die tot zijn gezin behoren, stelt de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van zijn stiefkinderen in redelijkheid gelijk aan het aandeel van [T.] in die kosten, te weten € 50,- per maand. Van de draagkracht van de man resteert aldus € 586,- om bij te dragen in de kosten van [naam 1], [naam 3] en [naam 2] en (vanaf hun geboorte) van de nog ongeboren tweeling.

Ten aanzien van het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van [naam 1], [naam 3] en [naam 2]

Omdat de draagkracht van de man en de vrouw van € 636,- per maand (€ 586,- + € 50,-) voldoende is om volledig in de kosten van [naam 1], [naam 3] en [naam 2] te voorzien, ziet de rechtbank aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De behoefte is, na aftrek van het kindgebonden budget, € 564, - per maand. Uitgaande van de hiervoor berekende draagkracht van de man van € 586, - per maand en van de vrouw van € 50, - per maand zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand hiervan wordt het aandeel van de man in de kosten van [naam 1], [naam 3] en [naam 2] vastgesteld op (afgerond) € 520, - per maand en het aandeel van de vrouw in de kosten van deze kinderen op € 44, - per maand. Nu deze bijdrage hoger is dan de onderhoudsbijdrage die de man reeds thans betaalt, het verzoek van de man betrekking had op verlaging van de onderhoudsbijdrage en de vrouw geen zelfstandig verzoek heeft ingediend tot verhoging van de geldende onderhoudsbijdrage, zal de rechtbank het verzoek van de man voor zover dat ziet op de wijziging van de kinderalimentatie tot het moment dat zijn kinderen uit het huwelijk met [T.] zijn geboren, afwijzen.

Ten aanzien van de verzochte bijdrage na de geboorte van de tweeling

De rechtbank zal thans het verzoek van de man beoordelen voor de situatie dat de tweeling geboren is. Daarbij handhaaft de rechtbank hetgeen is overwogen ten aanzien van de onderhoudsbijdrage voor de stiefkinderen zodat de draagkracht van de man van € 586,-verdeeld zal worden over de drie kinderen en over de tweeling.

De behoefte van de ongeboren tweeling en van de minderjarigen [naam 1], [naam 2] en [naam 3]

De behoefte van de ongeboren tweeling is, uitgaande van de hiervoor genoemde netto besteedbare inkomens van de man en van [T.], € 416, - per kind per maand. Omdat ook [T.] onderhoudsplichtig is voor deze kinderen en voor haar twee kinderen uit haar vorige relatie met [naam 7], brengt de rechtbank de helft van de draagkracht van [T.] in mindering op de behoefte van de nog ongeboren tweeling. Het aandeel van de man in de behoefte van deze kinderen komt daarmee op (afgerond) € 404,- per kind per maand. De behoefte van de minderjarigen [naam 1], [naam 2] en [naam 3] bedraagt, zoals hiervoor al is vastgesteld, € 188, - per kind per maand. De totale behoefte van de minderjarigen en de ongeboren tweeling is, gelet op het vorenstaande, € 1.372, - per maand.

De draagkracht van de man en de vrouw

De draagkracht van de man is, zoals hiervoor al aangegeven, € 586, - per maand en die van de vrouw € 50, - per maand.

Ten aanzien van het aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen en de ongeboren tweeling

Omdat de draagkracht van de man onvoldoende is om volledig in de kosten van de ongeboren tweeling en de minderjarigen te voorzien, ziet de rechtbank aanleiding om de beschikbare draagkracht van de man te verdelen naar rato van de behoefte van deze kinderen. Deze behoefte is € 1.372, - per maand. Uitgaande van de hiervoor berekende draagkracht van de man van € 586, - per maand komt het aandeel van de man in de kosten van [naam 1], [naam 3] en [naam 2] op € 80,- per kind per maand en in de kosten van de ongeboren tweeling op € 173,- per kind per maand.

De gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw om in de kosten van [naam 1], [naam 3] en [naam 2] te voorzien bedraagt aldus € 290,- per maand ((3 x 80) + 50). Nu deze draagkracht onvoldoende is om de kosten van de minderjarigen van € 564,- per maand te dekken, ziet de rechtbank geen aanleiding om de bijdrage van de man in de kosten van [naam 1], [naam 3] en [naam 2] op een lager bedrag vast te stellen dan dat zijn draagkracht toelaat. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage daarom vaststellen op € 80,- per kind per maand. Deze bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Ten aanzien van de proceskosten

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

1.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo een onderzoek in te stellen en aan de rechtbank uiterlijk op 30 november 2014 te rapporteren en te adviseren over de voor de minderjarigen meest wenselijke verdeling van zorg- en opvoedingstaken, alsmede over het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag over de kinderen;

2.

houdt in verband daarmee het verzoek van de man en het zelfstandig verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling, alsmede het zelfstandig verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag over de minderjarige kinderen van partijen aan tot voormelde zittingsdatum;

3.

wijzigt de bij echtscheidingsconvenant van 13 november 2013 overeengekomen en bij beschikking van de rechtbank van 20 november 2013 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen:

[naam 1], geboren te[geboorteplaats] op[geboortedatum],

[naam 2], geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum],

[naam 3], geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum]
en stelt die bijdrage met ingang van de dag van de geboorte van de tweeling uit het huwelijk van de man en [T.] vast op € 80, - (tachtig EURO) per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.

verklaart onderdeel 3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van M.R. Asveld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.