Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4671

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-08-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
C/08/155690 / FA RK 14-1014 C/08/150693 / FA RK 14-149
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst af het verzoek tot ontheffing van de moeder van het gezag. Onvoldoende is gebleken dat bedreiging van de zedelijke en geestelijke belangen niet kunnen worden afgewend met maatregel van OTS. Moeder stelt plaatsing minderjarige in pleeggezin ook niet ter discussie. Stemt ermee dat kind daar blijft tot aan volwassenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Team jeugdrecht

zaaknummers.: C/08/155690 / FA RK 14-1014 (ontheffing)

C/08/150693 / FA RK 14-149 (gezagsverzoek) (HA)

beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, d.d. 4 augustus 2014

met betrekking het minderjarige kind:

[naam 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1].

op het verzoek van

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verzoeker,

hierna ook de Raad te noemen,

in de zaak met het nummer 150690 FA RK 14-1014 tot ontheffing van de gezaghebbende ouder uit het ouderlijk gezag,

en op het verzoek van

1. [belanghebbende 1],
hierna de moeder (met gezag) te noemen,

wonende te [woonplaats 1], [adres 1],

2. [belanghebbende 2],
hierna grootmoeder te noemen,
wonende te [woonplaats 1], [adres 4],
advocaat: mr. B.A.M. Oude Breuil,

in de zaak met het nummer 150693 FA RK 14-149, om grootmoeder samen met moeder met het gezag over [naam 1] te belasten.

In beide zaken zijn naast de moeder en grootmoeder als belanghebbenden aan te merken:

3. [naam 2],

hierna de vader (zonder gezag) te noemen,

wonende te [woonplaats 2], [adres 3].

4 de heer[naam 3],

hierna de grootvader (moederzijde) te noemen,

5 de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel, (gezinsvoogdijinstelling),

hierna: BJzO,

kantoorhoudende 7607 ES Almelo, Haven Noordzijde 39.

6 de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te 1102 BP Amsterdam Zuidoost, Bijlmerdreef 101,
hierna: WSJ.

Het procesverloop (in beide zaken)

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de navolgende stukken:

 het op 22 januari 2014 ontvangen verzoekschrift van moeder en grootmoeder, ingeschreven onder zaaknummer 150693 FA RK 14-149;

 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter zitting op 20 februari 2014, naar aanleiding van genoemd verzoekschrift;

 het verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 29 april 2014, en ingeschreven onder zaaknummer 150690 FA RK 14-1014;

 de bij dat verzoekschrift behorende bijlagen, waaronder bereidverklaringen.

Op 7 juli 2014 heeft een (voortzetting van de) mondelinge behandeling ter zitting met gesloten deuren plaatsgevonden.

Ter zitting zijn verschenen en gehoord:

 de Raad, vertegenwoordigd door de heer [A],

 de moeder, vergezeld van haar moeder [belanghebbende 2], beiden bijgestaan door
mr. Oude Breuil.

 WSJ vertegenwoordigd door de heer[F.], namens mevrouw [L], de gezinsvoogdes.

De vader van de minderjarige is, hoewel daartoe op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen, niet verschenen.

De vaststaande feiten

[naam 1] is geboren uit de inmiddels al geruime tijd verbroken relatie van de moeder en de vader. De vader heeft [naam 1] erkend. De moeder oefent het gezag over [naam 1] alleen uit.

[naam 1] woont vanaf zijn geboorte bij zijn grootouders (moederszijde).

Op 13 januari 2011 is hij voorlopig onder toezicht gesteld en bij beschikking van 10 maart 2011 is de ondertoezichtstelling uitgesproken. [naam 1] is geplaatst bij zijn grootouders, derhalve in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg.

Laatstelijk is de ondertoezichtstelling verlengd bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 februari 2014 voor de duur van zes maanden, ingaande 10 maart 2014 tot en met 10 september 2014. De machtiging uithuisplaatsing is eveneens verlengd bij dezelfde beschikking. De machtiging is geldig tot en met 10 september 2014.

Het verzoek van moeder en grootmoeder

Moeder en grootmoeder verzoeken om hen gezamenlijk met het gezag over [naam 1] te belasten.

Het verzoek van de Raad

De Raad verzoekt in zijn verzoekschrift moeder van het gezag over de minderjarige te ontheffen. Als grondslag voor het verzoek stelt de Raad dat is gebleken dat moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen.

De Raad verzoekt voorts om bij ontheffing WSJ te benoemen tot voogd.

De standpunten

Raad voor de Kinderbescherming

In zijn op 29 april 2014 uitgebrachte onderzoeksrapport baseert de Raad zijn verzoek, samengevat, op het navolgende. Gedurende de ondertoezichtstelling is gebleken dat moeder over onvoldoende opvoedingscapaciteiten beschikt om de opvoeding van [naam 1] op zich te nemen. Het doel van een ondertoezichtstelling, namelijk het toewerken naar een situatie waarbij moeder weer zelf de zorg voor [naam 1] ter hand kan nemen, kan niet worden behaald. Bij moeder is sprake van problematiek op diverse leefgebieden. Op grond van die problemen en de hechtingsrelatie die [naam 1] heeft met zijn grootouders, is terugkeer naar moeder niet aan de orde. Dat [naam 1] bij vader zal wonen is geen optie. Vader is niet in beeld.

De voogdij, opdragen aan de grootouders, kan mogelijk in de toekomst een optie zijn. Vooralsnog is het gewenst WSJ te benoemen tot voogd.

WSJ

Ter zitting heeft de aanwezige vertegenwoordiger van WSJ heeft te kennen gegeven dat er wel aandachtspunten zijn. Hij noemt daarbij dat er een verschil van mening is geweest tussen de gezinsvoogdes en de grootouders over de schoolkeuze van [naam 1] maar dat dit verschil van mening inmiddels is opgelost.

Moeder

Moeder heeft zelf ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd en mr. Oude Breuil heeft namens moeder gepleit tot afwijzing van het verzochte. Moeder is tegen een ontheffing van haar uit het ouderlijk gezag. Moeder accepteert de ondertoezichtstelling en ook dat binnen de ondertoezichtstelling een terugplaatsing van [naam 1] bij haar thuis niet aan de orde is. Moeder belast [naam 1] niet. Moeder en haar ouders hebben onderling een goed en frequent contact. In haar hart heeft moeder het liefst dat [naam 1] bij haar zal wonen maar moeder ziet dat [naam 1] gelukkig is bij zijn grootouders en zij wil dat niet verstoren. Moeder accepteert dat [naam 1] bij zijn grootouders opgroeit. Moeder is altijd bereikbaar voor de gezinsvoogdes en zij werkt binnen de ondertoezichtstelling overal aan mee. Moeder heeft de grote wens om, ondanks dat de situatie is zoals die is, toch als laatste nog het gezag over [naam 1] te mogen behouden. Dat geeft haar een goed gevoel. Ontheffing doet haar gevoelsmatig pijn.

Moeder acht het in het belang van [naam 1] dat zij samen met grootmoeder met het gezag over [naam 1] zal zijn belast. Dit omdat de dagelijkse verzorging en opvoeding van [naam 1] bij grootmoeder berust en beiden in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan.

[belanghebbende 2] (grootmoeder)

Grootmoeder heeft ter zitting de standpunten van moeder ondersteund en mr. Oude Breuil heeft namens haar gepleit tot toewijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag.

Vanwege de beperking van [naam 1] heeft hij behoefte aan speciaal onderwijs. De door de gezinsvoogdes voorgestelde school bevindt zich in de buurt van de woning van vader. Uit hun zorgen over de veiligheid van [naam 1] zijn de beide grootouders het aanvankelijk niet eens geweest met de voorgestelde schoolkeuze, maar zij zijn het wel eens met het soort te volgen onderwijs.

De beoordeling van de verzoeken en de motivering van de beslissing

1. Aan het verzoek van de Raad tot (gedwongen) ontheffing liggen de artikelen 1:266 en 1:268 leden 1 en 2a Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 1:254 BW ten grondslag.

2. Op grond van artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over zijn/haar kind c.q. kinderen worden ontheven, op grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn/haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind c.q. kinderen zich daar niet tegen verzet.

Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de moeder niet instemt met de ontheffing van het gezag over [naam 1], ligt aan de rechtbank ter beoordeling voor of er gegronde vrees bestaat dat, na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden van de minderjarige, deze maatregel -door de ongeschiktheid of onmacht van de (gezaghebbende) ouders om de plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid (als bedoeld in artikel 1:254 BW) van de minderjarige af te wenden. Daarbij doet niet ter zake of de dreiging van zedelijke of lichamelijke ondergang aan (één van) de ouders kan worden verweten.

3. Uit het rapport van de Raad blijkt voldoende dat moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat [naam 1] belang heeft bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie. [naam 1] heeft op grond van zijn algehele ontwikkelingsachterstand intensieve zorg en begeleiding nodig. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat hij zich positief ontwikkelt en dat hij het naar zijn zin heeft bij zijn grootouders, aan wie hij gehecht is. Ten aanzien van de ontwikkeling van [naam 1] is derhalve niet gebleken van een zodanige situatie dat verderstrekkende maatregelen noodzakelijk zijn. De stelling van de Raad dat ontheffing beter aansluit bij de feitelijke situatie van [naam 1] kan niet leiden tot de conclusie dat aan de vereisten voor ontheffing is voldaan. Ontheffing kan immers, indien de ouder zich verzet, slechts worden uitgesproken als blijkt dat ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende is om de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid (als bedoeld in artikel 1:254 BW) van de minderjarige af te wenden.

Gebleken is dat moeder de plaatsing van [naam 1] bij haar ouders niet ter discussie stelt. Weliswaar heeft moeder in haar hart het liefst dat [naam 1] bij haar komt wonen maar ze beseft dat dit niet haalbaar is en ze heeft zich daarbij neergelegd. De wens van moeder is goed te begrijpen en doet wat de rechtbank betreft niet af aan de betrouwbaarheid en duurzaamheid van haar instemming dat [naam 1] door haar ouders wordt verzorgd en opgevoed en dat zij de hulp en aanwijzingen van de gezinsvoogdes aanvaardt. [naam 1] verblijft al sinds zijn geboorte bij zijn grootouders. Hij is daar helemaal op zijn plaats. Hij is er goed gehecht en het is niet in zijn belang dat er verandering in zijn woonsituatie komt. Moeder met gezag heeft uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij nu en voor de toekomst volledig instemt met het opgroeien van [naam 1] bij haar ouders.
Niet is gebleken dat moeder vanuit haar gezagspositie voor [naam 1] noodzakelijke besluiten blokkeert. Als de gezinsvoogdes instemmingen van moeder als ouder met gezag nodig heeft dan is moeder beschikbaar en doet zij niet moeilijk over dat soort regelzaken. Ter zitting is verder gebleken dat verlengingszittingen in het verleden geen problemen opleverden en in de toekomst geen stressvolle momenten behoeven te zijn voor de belanghebbenden.

4. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek tot ontheffing te worden afgewezen. Ook al is er geen zicht meer op terugplaatsing en is het evident dat de toekomst van het kind niet bij moeder zal zijn, dan staan de duurzame instemming en de kans op psychische schade voor moeder bij ontheffing aan een ontheffing in de weg. Het gaat hier om een moeder die haar gezag op een goede manier gebruikt in de samenwerking met haar ouders en de hulpverlening. De rechtbank acht het van belang dat zij haar gezag behoudt en vanuit die positie op de hoogte blijft van en betrokken blijft bij beslissingen die [naam 1] aangaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het vorenstaande, sprake van een situatie waarin uithuisplaatsing binnen het kader van een ondertoezichtstelling voldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid (als bedoeld in artikel 1:254 BW) van de minderjarige af te wenden. Aan de wettelijke voorwaarden om te komen tot ontheffing is daarom niet voldaan. Ontheffing is in dit geval bovendien niet in het belang van [naam 1] en daarom moet het verzoek van de Raad worden afgewezen.

5. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van moeder en grootmoeder om hen gezamenlijk met het gezag over [naam 1] te belasten dient te worden toegewezen, nu geen contra-indicaties zijn gebleken en aan de bepalingen zoals die zijn genoemd in artikel 1:253t BW is voldaan. Grootmoeder is immers mede de opvoeder van [naam 1] en toewijzing van dit verzoek betekent ook dat het gezag van grootmoeder wordt ingeperkt door de ondertoezichtstelling.

De beslissing

De rechtbank:

Inzake zaaknummer: C/08/150690 / FA RK 14-1014 (ontheffing)

1. Wijst het verzoek van de Raad af.

Inzake zaaknummer C/08/150693 / FA RK 14-149 (gezagsverzoek)

2. Bepaalt dat [belanghebbende 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2], met het gezag over de minderjarige wordt belast, zodat grootmoeder voortaan samen met moeder het gezag over de minderjarige uitoefent.

3. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

4. Gelast de griffier de hiervoor onder 2. vermelde aantekening in het gezagsregister toe te voegen.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. W.M.B. Elferink in tegenwoordigheid van H.E. Abbink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 04 augustus 2014.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.