Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4669

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
C/08/160928 / KG ZA 14-294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing executoriaal beslag. Te executeren vonnis niet overgelegd, zodat geldigheid van de te executeren titel niet beoordeeld kan worden. Afgifte van auto, nu bezitter van auto wordt vermoed rechthebbende te zijn (3:119 lid 1 BW), behoudens tegenbewijs dat niet is geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/160928 / KG ZA 14-294

Vonnis in kort geding van 28 augustus 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

1. de maatschap naar Burgerlijk recht

[gedaagde 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigde mr. J.F. Vanhommerig, deurwaarder te Enschede ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de op 21 augustus aan de zijde van [eiseres] in het geding gebrachte producties;

  • -

    de op 25 augustus aan de zijde van [gedaagde 1] in het geding gebrachte producties;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiseres];

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 1].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde 2] zijn in 1975 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij notariële akte van 3 april 1991 hebben zij alsnog huwelijkse voorwaarden laten opstellen. In de akte is (onder meer) opgenomen:

“Artikel 1

Tussen echtgenoten wordt elke gemeenschap van goederen, ook die van winst en verlies, alsmede die van vruchten en inkomsten, uitgesloten.”

2.2.

De burgerlijke maatschap [X] op heeft op 31 juli 2014 executoriaal beslag laten leggen op onder meer de personenauto van het merk Mercedes Benz, type C220, voorzien van een Duits kenteken ([xxxx]) en een trekhaak, compleet met contactsleutels en kentekenbescheiden en deze, zonder de contactsleutels en kentekenbescheiden, in gerechtelijke bewaring genomen.

2.3.

De beslagen zijn gelegd ter verzekering van verhaal van een vordering van de burgerlijke maatschap [X] op [gedaagde 2].

2.4.

Bij exploit van 4 augustus 2014 is [gedaagde 2] aangezegd dat de beslagen roerende zaken op 29 augustus 2014 om 16.30 uur openbaar zullen worden verkocht, tenzij [gedaagde 2] uiterlijk een week voor de vastgestelde verkoop, althans voor dat plaatsing van een advertentie in het ‘Dagblad TC Tubantia’ heeft plaatsgevonden, het verschuldigde aan hoofdsom, rente en kosten betaalt.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair gedaagde te veroordelen tot opheffing van het op 31 juli 2014 gelegde executoriale beslag op roerende zaken, te weten op de personenwagen merk Mercedes-Benz met het kenteken [xxxx] en wel binnen twee uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een zodanige andere termijn als bij dit vonnis in goede justitie te bepalen,

II. Subsidiair gedaagde te verbieden tot het openbaar verkopen van de personenwagen merk Mercedes-Benz met het kenteken [xxxx] en wel binnen twee uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een zodanige andere termijn als bij dit vonnis in goede justitie te bepalen,

III. Uiterst subsidiair een voorziening te treffen zoals u in goede justitie moge behagen,

IV. In beide gevallen te bepalen dat gedaagde aan eiseres verschuldigd is een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke mocht blijven aan de vordering onder I of II te voldoen, zulks met een maximum van € 15.000,00, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag,

V. Gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] stelt daartoe dat [gedaagde 1] er ten onrechte vanuit gaat dat niet zij, maar [gedaagde 2] eigenaar is van de auto. [eiseres] wordt vermoed eigenaar / rechthebbende te zijn op grond van artikel 3:119 BW en door [gedaagde 1] wordt hiertegen geen enkele valide grondslag opgeworpen. [gedaagde 1] maakt zich volgens [eiseres] schuldig aan misbruik van executierecht.

3.3.

[gedaagde 1] heeft de vordering van de [eiseres] gemotiveerd betwist en heeft geconcludeerd tot afwijzing van haar vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft er ter zitting op gewezen dat de tenaamstelling van de wederpartij niet klopt. Zij heeft echter niet gesteld dat de ‘[gedaagde 1]’, die thans is gedagvaard, niet degene is die het in dit geding door haar bestreden executoriale beslag heeft doen leggen.

4.2.

De voorzieningenrechter zal er daarom van uitgaan dat de bij de Kamer van Koophandel vermelde maatschap [X] (productie 4 aan de zijde van [eiseres]) en de in de dagvaarding vermelde maatschap naar Burgerlijk recht “[gedaagde 1]” dezelfde rechtspersoon zijn.

4.3.

Het vereiste spoedeisend belang bij de vordering blijkt voldoende uit de aard van het gevorderde. [eiseres] heeft bovendien onbetwist gesteld dat zij woont in een buitengebied, waar geen openbaar vervoer mogelijkheden zijn en dat zij dagelijks een auto nodig heeft in verband met de zorg voor een ziek familielid en de paarden van haar dochter.

4.4.

Het te executeren vonnis is niet overgelegd, ook niet nadat de voorzieningenrechter daarnaar ter terechtzitting bij de gemachtigde van [gedaagde 1] had geïnformeerd naar aanleiding van de stelling van [eiseres] dat aan haar en aan haar advocaat een afschrift van het vonnis was geweigerd. Ook een afschrift van een desbetreffend proces-verbaal van betekening is niet overgelegd. De voorzieningenrechter kan de geldigheid van de titel, die [gedaagde 1] wil executeren, dus niet beoordelen.

4.5.

[eiseres] stelt terecht dat [gedaagde 1], door deze stukken niet over te leggen, in heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv, waardoor de voorzieningenrechter informatie is onthouden die relevant kon zijn voor zijn beoordeling van de zaak. Alleen al deze omstandigheid rechtvaardigt de gevorderde opheffing van het ten laste van [eiseres] gelegde beslag.

4.6.

De gepretendeerde (in dit geding niet overgelegde en de voorzieningenrechter dus inhoudelijk onbekende) executoriale titel is kennelijk gebruikt om beslag te leggen op een auto, die volgens [eiseres] haar eigendom is. Zij baseert die stelling op de hierna te noemen onbetwiste feiten, in verband met het wettelijk bewijsvermoeden van
artikel 3:119 lid 1 BW, dat luidt: “De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn.”

4.7.

[eiseres] stelt dat zij de bezitter is van de auto op grond van de volgende en door haar deels met bescheiden gestaafde feiten:
- zij had de auto ten tijde van de beslaglegging feitelijk onder zich, inclusief de sleutels en het op haar naam gestelde kentekenbewijs van die auto, en
- de auto is aan haar krachtens koopovereenkomst op 7 maart 2012 geleverd tegen betaling van een koopprijs van € 12.000,-, zoals vermeld in een door [eiseres] in het geding gebrachte en op haar naam gestelde aankoopnota van een garagebedrijf.

4.8.

Deze feiten tonen aan dat [eiseres] ten tijde van de inbeslagname bezitter was van de auto. Op grond van artikel 3:119 lid BW heeft zij daarom te gelden als de eigenaar van de auto, behoudens door [gedaagde 1] te leveren tegenbewijs dat, zoals zij heeft gesteld, niet [eiseres] eigenaar is, maar [gedaagde 2], ten laste van wie het te executeren vonnis is gewezen.

4.9.

[gedaagde 1] heeft zulk bewijs echter niet geleverd. Hij heeft volstaan met het opsommen van omstandigheden, waaraan zij het vermoeden ontleent dat [gedaagde 2] de eigendom van de auto niet daadwerkelijk aan [eiseres] heeft verkocht en geleverd.

4.10.

[gedaagde 1] heeft in dit verband het volgende aangevoerd. De factuur dateert van 5 maart 2012, hetgeen niet strookt met de dagvaarding, waarin [eiseres] stelt dat zij de auto heeft gekocht op 7 maart 2012. Ook de omstandigheid dat de factuur geen BTW vermeld over de marge, dat de factuur betrekking heeft op een Nederlands bedrijf dat een Duitse auto met een Duits kenteken verkoopt uit diens handelsvoorraad en dat de garagehouder niet is ingegaan op een verzoek van de zijnde van [gedaagde 1] om vragen te beantwoorden, maakt dat [gedaagde 1] vraagtekens plaatst bij de rechtmatigheid en juistheid van de factuur.

4.11.

Slechts de tenaamstelling van het kenteken is volgens [gedaagde 1] op 7 maart 2012 gewijzigd, wat niet beschouwd kan worden als een leveringshandeling, aldus [gedaagde 1]. [gedaagde 2] is slechts bezitter en nimmer eigenaar geweest van de auto, die hij in het kader van een financial lease constructie onder zich had. Aan het bezit en houden van de auto is voor de buitenwereld nimmer is gewijzigd.

4.12.

Ook na 7 maart 2012 is, aldus [gedaagde 1], [gedaagde 2] gebruiker en bezitter van de auto gebleven en hij heeft zich ook gepresenteerd als eigenaar van de auto, wat wordt gestaafd door de verschillende getuigenverklaringen. Nu de auto feitelijk in handen [gedaagde 2] is gebleven, kan de vermeende levering niet aan [gedaagde 1] worden tegengeworpen, aldus 3:109 juncto 3:90 BW, aldus [gedaagde 1].


4.13. Uit deze stellingen valt echter niet met enige mate van zekerheid af te leiden dat de auto ten tijde van de inbeslagneming niet van [eiseres] was, maar in eigendom toebehoorde aan [gedaagde 2]. De voorzieningenrechter neemt daarom op basis van artikel 3:119 lid 1 BW aan dat [eiseres] bezitter van de auto is en daarom heeft te gelden als de eigenaar daarvan.

4.14.

Weliswaar zou [gedaagde 1] desondanks op de auto verhaal kunnen nemen (met een rechtsgeldige titel), als zij zou aantonen dat [eiseres] weliswaar eigenaar van de auto is, maar dat de auto valt in een tussen [eiseres] en [gedaagde 2] bestaande goederengemeenschap, maar [gedaagde 1] heeft dit niet gesteld, noch onderbouwd.

4.15.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft [eiseres] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter te gelden als eigenaar van de auto en dat [gedaagde 1] op die auto geen verhaalsrecht kan doen gelden. Dit betekent dat het beslag onrechtmatig is gelegd en dat de primaire vordering van [eiseres] voor toewijzing in aanmerking komt.

4.15.

De voorzieningenrechter zal het beslag zelf opheffen, met veroordeling om de auto aan [eiseres] te (laten) afgeven, op straffe van een dwangsom. De dwangsom zal worden gemaximeerd.

4.16.

[gedaagde 1] dient als de in het ongelijk gesteld partij te worden belast met de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 100,33

- griffierecht 282,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.198,33

4.17.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiseres] zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] heeft gedagvaard, doch dat de vordering zoals opgenomen in het petitum van de dagvaarding slechts betrekking heeft op een niet nader aangeduide gedaagde.

4.21.

Uit de strekking van de vordering en uit de omstandigheid dat ter zitting is toegelicht dat [gedaagde 2] slechts is gedagvaard ingevolge het bepaalde in artikel 438 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waarin is bepaald dat verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde. De voorzieningenrechter neemt daarom aan dat, waar in het petitum sprake is van ‘gedaagde’, daarmee slechts bedoeld wordt [gedaagde 1], en niet [gedaagde 2].

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

I. Heft op het op 31 juli 2014 gelegde executoriale beslag op roerende de zaak, te weten de personenwagen merk Mercedes-Benz met het kenteken [xxxx].

II. Veroordeelt [gedaagde 1] om de auto binnen twee uur na betekening van dit vonnis aan [eiseres] af te geven of te doen afgeven, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde 1] niet aan deze veroordeling voldoet, met bepaling dat het totaal der te verbeuren dwangsommen een bedrag van
€ 20.000,- niet te boven zal gaan.

III. Veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.198,33,

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.