Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4607

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
08/730987-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een vrouw tot een gevangenisstraf van 222 dagen en TBS met voorwaarden voor brandstichtingen bij een buitendeur van een bedrijf in Zutphen en een hooiberg en overkapping in Lettele (gemeente Deventer). Zij is verminderd toerekeningsvatbaar. De vrouw moet een schadevergoeding betalen van in totaal 27.580 euro voor de hooiberg en overkapping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/730987-13

Datum vonnis: 01 september 2014

Vonnis (Promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in de FPK te Assen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 december 2013, 17 maart 2014 en 18 augustus 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Zwartjesen van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1: brand heeft gesticht;

- feit 2: primair brand heeft gesticht, subsidiair gepoogd heeft brand te stichten en

- feit 3: brand heeft gesticht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

zij op of omstreeks 05 november 2013, in de gemeente Zutphen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een (buitendeur) van een bedrijfspand ([bedrijf 1]) gelegen aan de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een gat in de plexiflexdeur van voornoemde bedrijfspand gemaakt door middel van braak/verbreking en/of (vervolgens) een fles inhoudende/bevattende wasbenzine, althans bevattende een brandbare

vloeistof in voornoemde gat geplaatst/vastgezet en/of vervolgende deze fles,

althans deze brandbare vloeistof in/uit deze fles met een aansteker aangestoken, althans tot ontvlamming gebracht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met wasbenzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die (plexiflex) deur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en/of aangrenzende pand(en)/loods(en) en/of in dat pand en/of

aangrenzende pand(en) bevindende goederen (tuinmeubelen en/of

buitenaccessoires), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Zij op of omstreeks 05 november 2013, in de gemeente Zutphen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een (buitendeur) van een bedrijfspand ([bedrijf 1]) gelegen aan de [adres 2] te Zutphen, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een rol papier op/tegen een (rol) deur geplaatst en/of (vervolgens) deze rol papier en/of de -rubbers van de-

roldeur van dat bedrijfspand overgoten/besprenkeld met aceton/terpentine en/of

(vervolgens) deze rol papier en/of deze roldeur met een aansteker aangestoken, althans deze brandbare (vloei)stof met een aansteker aangestoken, althans tot ontvlamming gebracht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met aceton/terpentine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die (rol) deur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand

en/of aangrenzende pand(en)/loods(en) en/of in dat pand en/of aangrenzende pand(en) bevindende goederen (vrachtwagens en/of buitenaccessoires), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

zij op of omstreeks 05 november 2013, in de gemeente Zutphen, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een (buitendeur) van een bedrijfspand [bedrijf 1]) gelegen aan de [adres 2] te Zutphen, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een rol papier op/tegen een (rol) deur geplaatst en/of (vervolgens) deze rol papier en/of de -rubbers van de- roldeur van dat bedrijfspand

overgoten/besprenkeld met aceton/terpentine en/of (vervolgens) deze rol papier en/of deze roldeur met een aansteker aangestoken, althans deze brandbare (vloei)stof met een aansteker aangestoken, althans tot ontvlamming gebracht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met aceton/terpentine, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 06 september 2013, te Lettele, gemeente Deventer, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een hooiberg, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een met wasbenzine gedrenkte/vervatte/bespoten handdoek met een aansteker aangestoken en/of

(vervolgens) deze brandende handdoek in/op/tegen een hooiberg gegooid/gedeponeerd, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemde hooiberg, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die hooiberg geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die hooiberg en/of die overkapping en/ot in die hooiberg bevindende pa(a)l(en), in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld voor het onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 222 dagen met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd onder de in het reclasseringsrapport van 5 augustus 2014 gestelde voorwaarden. De officier van justitie heeft de rechtbank tevens verzocht de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 1], [bedrijf 2] en Stichting IJssellandschap, heeft de officier van justitie gevorderd deze vorderingen in zijn geheel toe te wijzen nu deze voldoende zijn onderbouwd alsmede de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 subsidiar en 3 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënte op de terechtzitting van 30 december 2013 de tenlastegelegde brandstichtingen heeft bekend te hebben gepleegd, met dien verstande dat het aansteken van de rol met papieren handdoekjes in de hoek van de deur zoals onder 2 ten laste is gelegd uitsluitend een poging tot brandstichting (zoals subsidiair ten laste is gelegd) oplevert, aangezien deze rol uiteindelijk slechts smeulend is aangetroffen.

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [naam 1] heeft de raadsman bepleit dat namens de B.V. [bedrijf 1] geen vordering is ingediend maar dat de vordering is ingediend onder de eigen naam van [naam 1]. Nu de B.V. schade heeft geleden en niet [naam 1] als natuurlijk persoon en de vordering naar de mening van de raadsman onvoldoende is onderbouwd verzoekt de raadsman primair de vordering af te wijzen en subsidiair [naam 1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Met betrekking tot de vordering van Stichting IJssellandschap refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

De vordering van [bedrijf 2] acht de raadsman onvoldoende onderbouwd en derhalve verzoekt de raadsman de rechtbank primair deze vordering af te wijzen en subsidiair [bedrijf 2] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

4.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot het onder 1 en 3 tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat zij op 5 november 2013 in/aan een buitendeur van een bedrijfspand ([bedrijf 1]), gelegen aan de [adres 1] in de gemeente Zutphen, opzettelijk brand heeft gesticht alsook dat zij omstreeks 06 september 2013, aan de [adres 3] te Lettele, gemeente Deventer, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een hooiberg.

De rechtbank overweegt dat verdachte op 5 november 2013 en 6 september 2013 ten overstaan van de politie alsmede ter terechtzitting op 30 december 2013, omtrent beide feiten een bekennende verklaring afgelegd.

In onderling verband en samenhang bezien met de processen-verbaal van bevindingen van de politie van 6 november 2013 en 6 september 2013 alsmede de aangifte door [naam 1] van 5 november 2013 en de aangifte door [naam 2] van 6 september 2013, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 5 november 2013 de buitendeur van een bedrijfspand, te weten [bedrijf 1] en omstreeks 6 september 2013 de hooiberg aan de [adres 3] te Lettele, opzettelijk in brand heeft gestoken waardoor schade alsmede gemeen gevaar voor goederen is ontstaan.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Een bewezenverklaring van brandstichting vereist dat iets in brand wordt gestoken dat daartoe niet bestemd is. Voorts moet de opzet van verdachte gericht zijn geweest op die brandstichting.

Verdachte heeft over voornoemd feit bij de politie op 5 november 2013 en ter terechtzitting op 30 december 2013 verklaard dat zij de intentie had het pand in brand te steken. Verdachte heeft verklaard dat zij tegen de roldeur van de kas van het bedrijf [bedrijf 1] aan de [adres 2] te Zutphen, een in aceton doordrenkte rol papier heeft gezet en de rubbers van de roldeuren met aceton heeft overgoten. Daarna heeft zij de deur in brand gestoken. Zij heeft verklaard dat zij een blauwe vlam zag toen zij de deur aanstak. Het vuur is op een gegeven moment echter gedoofd en een smeulende rol papier bleef over.

De rechtbank overweegt vervolgens dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 6 november 2013 blijkt dat de betreffende roldeur door brand was beschadigd en dat de tochtstrip aan de rechterzijde van de schuifdeur tot twee meter hoogte was afgebrand

Ook aangever [naam 1] heeft in zijn aangifte van 5 november 2013 verklaard dat de deurstijl van de roldeur door het smeulende vuur was beschadigd.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in dit geval sprake is van het voltooide delict brandstichting of dat er slechts een begin van uitvoering, kort gezegd een poging tot brandstichting heeft plaatsgevonden.

Gezien voornoemde bewijsmiddelen waaruit valt op te maken dat verdachte van plan was het pand in brand te steken en dat door haar toedoen brand is ontstaan aan de deur en deze daardoor ook beschadigd is geraakt, is de rechtbank van oordeel dat niet slechts sprake is van een poging doch van een voltooid delict.

De rechtbank acht derhalve het onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 05 november 2013, in de gemeente Zutphen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een (buitendeur van een) bedrijfspand ([bedrijf 1]) gelegen aan de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een gat in de plexiflexdeur van voornoemd bedrijfspand gemaakt door middel van braak en (vervolgens) een fles inhoudende/bevattende wasbenzine, in voornoemd gat geplaatst/vastgezet en vervolgende deze fles, met een aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan die (plexiflex) deur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en aangrenzende pand(en)/loods(en) en zich in dat pand en/of aangrenzende pand(en) bevindende goederen (tuinmeubelen en/of buitenaccessoires), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

2.

zij op 05 november 2013, in de gemeente Zutphen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een (buitendeur van een) bedrijfspand ([bedrijf 1]) gelegen aan de [adres 2] te Zutphen, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een rol papier op/tegen een (rol) deur geplaatst en (vervolgens) deze rol papier en de -rubbers van de roldeur- van dat bedrijfspand overgoten/besprenkeld met aceton en (vervolgens) deze rol papier en deze roldeur met een aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan die (rol)deur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en aangrenzende pand(en)/loods(en) en in dat pand en/of aangrenzende pand(en) bevindende goederen (vrachtwagens en/of buitenaccessoires), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

3.

zij omstreeks 06 september 2013, te Lettele, gemeente Deventer, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een hooiberg, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een in/met wasbenzine gedrenkte/bespoten handdoek met een aansteker aangestoken en

(vervolgens) deze brandende handdoek in/op/tegen een hooiberg gegooid, ten gevolge waarvan die hooiberg geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die hooiberg en die overkapping en in die hooiberg bevindende pa(a)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

feit 2 primair

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

feit 3

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting ontslag van alle rechtsvervolging bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte haar daden heeft gepleegd onder invloed van een ziekelijke stoornis. Daardoor kan zij niet verantwoordelijk worden gehouden voor de feiten die zij heeft gepleegd en is zij derhalve volledig ontoerekeningsvatbaar.

De rechtbank overweegt omtrent het verweer het volgende.

Op 21 december 2013 heeft dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus een rapport uitgebracht naar aanleiding van een psychiatrisch onderzoek betreffende verdachte. Uit dat rapport valt op te maken dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis der geestvermogens (alcoholmisbruik). Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens te weten een laaggemiddelde intelligentie en een gemengde persoonlijkheidsstoornis met trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling bestonden ook ten tijde van de aan verdachte tenlastegelegde feiten. De gedragskeuzes van verdachte werden daardoor beïnvloed.

Volgens de psychiater hadden de ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling een duidelijke doorwerking in de haar ten laste gelegde feiten. Derhalve acht de psychiater de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Op 20 december 2013 heeft mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog een rapport uitgebracht naar aanleiding van een psychologisch onderzoek betreffende verdachte.

Uit dat rapport valt op te maken dat de psycholoog tot dezelfde conclusies komt als de psychiater en dat ook de psycholoog verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.

De rechtbank overweegt vervolgens dat uit de stukken van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting valt te destilleren dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar zou zijn geweest tijdens het plegen van de ten laste gelegde delicten.

De rechtbank onderschrijft de inhoud van de rapportages als hiervoor omschreven en maakt de inhoud daarvan tot de hare en verwerpt het verweer van de raadsman.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Daarbij neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Uit de eerder genoemde rapportages van dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus en mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog komt - samengevat - een beeld naar voren dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van alcoholmisbruik en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken. Overheersend is dat de tenlastegelegde feiten agressieve impulsdoorbraken vormen die samenhangen met een overschreden emotionele draagkracht waarbij er een extra gedragsontremming plaatsvond als gevolg van alcoholmisbruik. Bij de feiten gepleegd op 5 november 2013 stonden met name gevoelens van woede en wraak op de voorgrond.

Verdachte wordt door de deskundigen op grond van vorengenoemde overwegingen verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Zowel de psychiater als de psycholoog achten de kans op recidive hoog. Vanwege het feit dat verdachte voorlopig een externe beveiliging nodig heeft om haar impulsen en impulsiviteit te beheersen en te neutraliseren is een klinische behandeling nodig. Om te voorkomen dat ze met haar impulsiviteit en beperkte inzicht op basis van de verstandelijke vermogens haar behandeling zou willen stoppen, achten de deskundigen een stevige juridische stok achter de deur noodzakelijk om te voorkomen dat zij onbehandeld en met een hoog recidivegevaar op straat komt. Beide deskundigen adviseren daarom een klinische behandeling binnen een TBS-maatregel met voorwaarden.

Op 15 mei 2014 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst en is een aanvang gemaakt met een proefbehandeling in de FPK Assen, teneinde te onderzoeken of bij verdachte voldoende motivatie bestond om een behandeling onder een voorwaardelijke titel vorm te geven.

Op 18 augustus 2014 heeft mevr. H.J. Verhoef, reclasseringswerker, ter terechtzitting verslag gedaan van het verblijf van verdachte in de FPK te Assen. Zij heeft verklaard dat verdachte goed aan de behandeling deelneemt en zich ook goed aan het programma houdt.

De Reclassering adviseert de ingezette behandeling bij de FPK Assen voort te zetten onder de juridische titel TBS met voorwaarden.

Verdachte heeft ter terechtzitting op 18 augustus 2014 verklaard dat het in de FPK te Assen goed gaat met haar en dat zij veel baat heeft bij de therapieën die zij volgt. Zij heeft zich voorts akkoord verklaard met het advies van de deskundigen de maatregel TBS met voorwaarden op te leggen. Zij heeft tevens verklaard zich aan de geadviseerde voorwaarden te zullen houden.

In het maatregelenrapport van Reclassering Nederland d.d. 5 augustus 2014 wordt geconcludeerd dat behandeling nodig is, en wel binnen een stevig kader. In geval van TBS met voorwaarden worden de volgende voorwaarden geadviseerd:

Algemene voorwaarden

  • -

    Verdachte houdt zich aan de voorwaarden en aanwijzingen die haar gesteld zijn door of namens de toezichthoudende instantie, te weten Stichting Reclassering Nederland.

  • -

    Verdachte zal zich niet schuldig maken aan strafbare feiten of zich in situaties begeven die voor haar risicovol zijn en/of haar resocialisatie in gevaar brengen.

  • -

    Verdachte zal zich niet buiten de Nederlandse grenzen begeven.

Bijzondere voorwaarden

  • -

    Verdachte wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich klinisch te laten opnemen in de FPK Assen of soortgelijke instelling, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven. Mocht de geïndiceerde kliniek verdachte niet de zorg- en/of veiligheid kunnen bieden die zij nodig heeft dan zal NIFP-IFZ een andere kliniek indiceren waarvoor dezelfde aanwijzingen zullen gelden.

  • -

    Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen, voorwaarden, behandelafspraken en huisregels van FPK Assen.

  • -

    Verdachte volgt het vrijhedenbeleid zoals afgesproken is met de behandelcoördinator van FPK Assen in samenspraak met de reclassering.

  • -

    Na uitstroom van de klinische behandeling verblijft verdachte op een door de reclassering goed gekeurd woonadres.

  • -

    Na uitstroom van de klinische behandeling neemt verdachte deel aan de ambulante (medicamenteuze) behandeling bij een ambulante forensische polikliniek, of in overleg met FPK Assen aan te wijzen andere behandelinstelling, zulks zolang deze instelling in overleg met de reclassering behandeling nodig acht.

  • -

    Verdachte werkt, indien geïndiceerd, mee aan een time-out bij een nader te bepalen instelling. Deze time-outplaatsing duurt zolang als nodig is om verdachte op verantwoorde en veilige wijze terug te laten keren naar de omstandigheden voorafgaand aan de time-out doch maximaal 2 x 7 weken.

  • -

    Verdachte drinkt geen alcohol. Verdachte werkt mee aan middelencontrole.

  • -

    Verdachte heeft een dagbesteding (betaald, dan wel onbetaald) voor een nader af te spreken aantal uren.

  • -

    Verdachte geeft de reclassering en de behandel/begeleidingsinstellingen toestemming om onderling informatie uit te wisselen. Dit met als doel om stagnatie in de begeleiding te voorkomen en risicovolle situaties tijdig te signaleren.

  • -

    Verdachte werkt mee aan ambulante woon/ thuisbegeleiding en/of gezinsbegeleiding, indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank onderschrijft de inhoud van de rapportages als hiervoor omschreven en maakt de inhoud daarvan tot de hare.

Naast de door de Reclassering Nederland gestelde algemene voorwaarden stelt de rechtbank ambtshalve de algemene voorwaarde dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan zal bieden.

De rechtbank volgt het advies van de deskundigen, nu is gebleken dat de ingezette behandeling aldaar voldoende perspectieven biedt en verdachte ter terechtzitting heeft laten weten met de voorgestelde behandeling – inclusief de maatregel TBS met voorwaarden – in te stemmen.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel TBS met voorwaarden noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, met name in het kader van de door de deskundigen gesignaleerde vijandige houding van verdachte jegens personen uit haar verleden.

Gelet op de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, is de rechtbank tevens van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is. De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 222 dagen. Dit is gelijk aan de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het van groot belang dat de behandeling van verdachte bij de FPK Assen, zoals die reeds is ingezet, zonder onderbreking wordt voortgezet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de op grond van artikel 38 Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat als de behandeling in de FPK te Assen niet aaneengesloten aan de voorafgaande periode plaatsvindt, de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 1] (feit 1)

[naam 1], wonende te Zutphen aan de [adres 4], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal zesduizend, negenhonderd en tachtig euro en tweeëntwintig eurocent, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- schade snelloopdeur.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank overweegt dat [naam 1] de vordering onder eigen naam heeft ingediend en dat de vordering niet is ingediend door de B.V. [bedrijf 1] die de schade heeft geleden.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat
[naam 1] bevoegd is de B.V. te vertegenwoordigen.

De rechtbank is gezien het voornoemde van oordeel dat de benadeelde partij [naam 1] in zijn vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Stichting IJssellandschap (feit 3)

Stichting IJssellandschap, gevestigd te Olst, aan de Haereweg 4, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal vijfentwintig duizend euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- herbouw herberg.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 25.000,-, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De rechtbank zal tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht.

[bedrijf 2] (feit 3)

[bedrijf 2] (met als vertegenwoordiger [naam 3], wonende te Lettele aan de [adres 3]), heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal tweeduizend, vijfhonderd en tachtig euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    ½ ha opgeslagen roggestro met korrel: € 2.205,-;

  • -

    125 balen hooi a € 3,-: € 375,-.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn betwist doch voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 2.580,-, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De rechtbank zal tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 38, 38a en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 222 dagen,

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij als voorwaarden:

Algemene voorwaarden

  • -

    Verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  • -

    Verdachte houdt zich aan de voorwaarden en aanwijzingen die haar gesteld zijn door of namens de toezichthoudende instantie, te weten Stichting Reclassering Nederland.

  • -

    Verdachte zal zich niet schuldig maken aan strafbare feiten of zich in situaties begeven die voor haar risicovol zijn en/of haar resocialisatie in gevaar brengen.

  • -

    Verdachte zal zich niet buiten de Nederlandse grenzen begeven.

Bijzondere voorwaarden

  • -

    Verdachte wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich klinisch te laten opnemen in de FPK Assen of soortgelijke instelling, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven. Mocht de geïndiceerde kliniek verdachte niet de zorg- en/of veiligheid kunnen bieden die zij nodig heeft dan zal NIFP-IFZ een andere kliniek indiceren waarvoor dezelfde aanwijzingen zullen gelden.

  • -

    Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen, voorwaarden, behandelafspraken en huisregels van FPK Assen.

  • -

    Verdachte volgt het vrijhedenbeleid zoals afgesproken is met de behandelcoördinator van FPK Assen in samenspraak met de reclassering.

  • -

    Na uitstroom van de klinische behandeling verblijft verdachte op een door de reclassering goed gekeurd woonadres.

  • -

    Na uitstroom van de klinische behandeling neemt verdachte deel aan de ambulante (medicamenteuze) behandeling bij een ambulante forensische polikliniek, of in overleg met FPK Assen aan te wijzen andere behandelinstelling, zulks zolang deze instelling in overleg met de reclassering behandeling nodig acht.

  • -

    Verdachte werkt, indien geïndiceerd, mee aan een time-out bij een nader te bepalen instelling. Deze time-outplaatsing duurt zolang als nodig is om verdachte op verantwoorde en veilige wijze terug te laten keren naar de omstandigheden voorafgaand aan de time-out doch maximaal 2 x 7 weken.

  • -

    Verdachte drinkt geen alcohol. Verdachte werkt mee aan middelencontrole.

  • -

    Verdachte heeft een dagbesteding (betaald, dan wel onbetaald) voor een nader af te spreken aantal uren.

  • -

    Verdachte geeft de reclassering en de behandel/begeleidingsinstellingen toestemming om onderling informatie uit te wisselen. Dit met als doel om stagnatie in de begeleiding te voorkomen en risicovolle situaties tijdig te signaleren.

  • -

    Verdachte werkt mee aan ambulante woon/ thuisbegeleiding en/of gezinsbegeleiding, indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

De Stichting Reclassering wordt daarbij opdracht gegeven verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

De rechtbank beveelt de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Schadevergoeding

[naam 1] (feit 1)

- bepaalt dat de benadeelde partij: [naam 1], wonende te Zutphen, aan de [adres 4], niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Stichting IJssellandschap (feit 3)

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Stichting IJssellandschap van een bedrag van € 25.000,- (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2013);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 25.000,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 160 dagen zal worden toegepast,

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

[bedrijf 2] (feit 3)

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 2] van een bedrag van € 2.580,- (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2013);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.580,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 35 dagen zal worden toegepast,

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Bosch, voorzitter, mr. R.P. van Eerde en
mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 01 september 2014.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Feiten 1 en 2

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Noord en Oost-Nederland met nummer PL05QB 2013113777. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

  • -

    Proces-verbaal van aangifte, met fotobijlagen, door [naam 1] d.d.5 november 2013, pagina’s 29 tot en met 38.

  • -

    Proces-verbaal van bevindingen van politie d.d. 6 november 2013, pagina’s 39 en 40.

  • -

    Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 november 2013, pagina’s 43 tot en met 46.

  • -

    Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 30 december 2013, inhoudende de verklaring van verdachte.

Feit 3

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland met nummer PL04DD 2013075337. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

  • -

    Proces-verbaal van bevindingen van politie d.d. 6 september 2013, pagina’s 6 en 7.

  • -

    Proces-verbaal van aangifte door [naam 2] namens Stichting IJssellandschap d.d. 6 september 2013, pagina’s 26 tot en met 33.

  • -

    Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 september 2013, pagina’s 22 tot en met 25.

  • -

    Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 30 december 2013, inhoudende de verklaring van verdachte.