Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4572

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
C/08/ 87649 / HA ZA 07-685 EN C/08/113807 / HA ZA 10-844
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBALM:2012:BX6849.

De rechtbank stelt vast dat de geleverde wagens kennelijk niet beschikten over de eigenschappen die eiseres op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten, terwijl geenszins is aangetoond dat dit falen kan worden toegeschreven aan een oorzaak die voor rekening voor eiseres behoort te komen.

De koopovereenkomst is daarom niet ten onrechte ontbonden en die ontbinding houdt in rechte stand. Daaruit volgt, dat de in conventie gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden en de daarop gebaseerde eis tot terugbetaling van het betaalde gedeelte van de koopprijs kunnen worden toegewezen.

Hiermee is echter nog niet beslist over de door eiseres gevorderde vergoeding van de door haar gestelde schade. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid om het debat over de schade voort te zetten en verwijst daartoe de zaak naar de rol voor nadere conclusies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummers: C/08/ 87649 / HA ZA 07-685 (hoofdzaak) en

C/08/113807 / HA ZA 10-844 (vrijwaring)

datum vonnis: 13 augustus 2014 (wh)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaken van:

in de hoofdzaak:

de Stichting

Stichting Verpleging en Verzorging Eindhoven,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verder te noemen SVVE,

advocaat: mr. M.J. Vis Azn te Utrecht,

tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Electro Calorique Holland B.V.,

gevestigd te Almelo,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,

verder te noemen ECH,

advocaat: mr. F. Kolkman te Almelo,

en in de vrijwaringszaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Electro Calorique Holland B.V.,

gevestigd te Almelo,

eiseres in vrijwaring,

verder te noemen ECH,

advocaat: mr. F. Kolkman te Almelo,

tegen

Electro Alu Sas,

gevestigd te 63290 Chateldon, Frankrijk,

gedaagde in vrijwaring,

verder te noemen EAS,

advocaat: mr.drs. F.J.E. van Rossum te Amsterdam.

1. Het procesverloop

in de hoofdzaak:

1.1. Bij tussenvonnis van 22 augustus 2012 werd aan ECH een bewijsopdracht verstrekt. Beide partijen hebben getuigen doen horen.

1.2. Partijen hebben ieder na enquête geconcludeerd en vervolgens opnieuw vonnis gevraagd. De datum van de uitspraak is, na aanhouding, vastgesteld op vandaag.

in de vrijwaring:


1.3. Bij het tussenvonnis van 11 januari 2012 is elke beslissing in vrijwaring aangehouden.

2 De verdere beoordeling

in de hoofdzaak:

In conventie en in reconventie:

2.1.

In het tussenvonnis van 22 augustus 2012 heeft de rechtbank vastgesteld dat de door SVVE gestelde gebreken aan de wagens, zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, en dat bovendien een niet gering aantal van deze problemen zich al kort na de levering van de wagens heeft gemanifesteerd. De rechtbank overwoog dat de klachten van SVVE kwantitatief en kwalitatief zo ernstig waren, dat SVVE daarin in beginsel niet ten onrechte aanleiding heeft gevonden om de koopovereenkomst tussen partijen te ontbinden.

2.2.

Vervolgens heeft de rechtbank aan ECH opgedragen om feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit valt af te leiden dat:
- de ondervonden temperatuurproblemen zijn veroorzaakt door het door SVVE gebruikte, en door een andere onderneming dan ECH (namelijk GFDS) geleverde glycolstation, dan wel dat deze temperatuurproblemen moeten worden toegeschreven aan een andere aan SVVE toe te rekenen oorzaak, en dat
- de meeste mankementen aan de wagens, met name ook de gebleken ongeschiktheid van de wagens voor automatisch wassen in een wasstraat wegens lekkages, het gevolg waren van te ruw gebruik, en met name ook onoordeelkundig transport van de wagens door personeel van SVVE.


2.3. Ter uitvoering van die bewijsopdracht heeft ECH zeven getuigen doen horen, waarna SVVE in contra-enquête zes getuigen heeft voorgebracht. De verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen verwijzen ook naar door die getuigen eerder afgelegde en schriftelijk vastgelegde verklaringen. Elke getuige heeft zijn of haar eerder afgelegde verklaring onder ede zonder voorbehoud bevestigd en gehandhaafd. De rechtbank beschouwt die eerder afgelegde verklaringen daarom telkens als een onderdeel van de onder ede afgelegde verklaringen, met dezelfde formele en materiële bewijskracht.

2.4.

Voor zover relevant voor de bewijsopdracht (gebreken aan het koelsysteem, dan wel geschiktheid van de wagens voor wassen in een automatische wasstraat, dan wel een of meer andere aan SVVE toe te rekenen oorzaken) zijn de hieronder zakelijk samen te vatten getuigenverklaringen afgelegd:

in enquête:

2.4.1.

Getuige [1]: dat hij in 1995 of 1996 betrokken is geraakt bij de advisering van SVVE over centralisatie van de voedselproductie ten behoeve van haar instellingen; dat de maaltijden na de bereiding zouden worden gekoeld om ze houdbaar te maken en daarna in wagentjes in een vrachtauto naar de omliggende bewonersinstellingen te worden vervoerd; dat hij heeft geadviseerd om dat systeem bij SVVE in te voeren; dat ECH in 2005 met een nieuw koel- en transportsysteem op de markt kwam, waarin maaltijden in wagentjes met glycol werden gekoeld, waarna de wagens op de plaats van bestemming werden aangesloten op een regelkast en elektrisch werden verwarmd; dat de temperatuurbeheersing in de wagens ontoereikend was; dat in het warme compartiment de temperatuur op 60 tot 70 graden moest worden gebracht en dat in het koude compartiment de gewenste temperatuur
3 tot 4 graden was; dat die temperaturen lang niet altijd werden bereikt; dat contacten van verwarmingselementen in de wagens beschadigd raakten; dat voor het wassen van de wagens een wasstraat was aangeschaft; dat de wagens daarom bestand moesten zijn tegen spuitend water volgens de IPX-norm, maar dat ze dat niet waren; dat de oorzaak was de constructie van de wagens; dat de wagens niet goed bestand waren tegen transport per vrachtauto; dat ze daarvoor niet stabiel genoeg waren; dat ECH voor dat transport geen richtlijnen heeft verstrekt; dat in de centrale keuken netjes met de wagens werd omgegaan en dat het ook met de belading van de wagens keurig toeging; dat voor de ingebruikneming van de wagens tussen partijen niet is gesproken over de manier waarop de wagens in de vrachtauto’s moesten worden vastgezet.

2.4.2.

Getuige [2]: dat hij chef productie is bij ECH; dat hij heeft gezien dat, en hoe, de wagens werden ingeladen in de vrachtauto’s; dat ze werden vastgezet met banden; dat dit schadelijk kan zijn voor de karren omdat daardoor de structuur van de karren kan worden geforceerd en allerlei schokken en trillingen van de weg aan de karren worden doorgegeven; dat hij heeft gezien hoe ze werden uitgeladen, terwijl de laadklep nog niet volledig op het niveau van de grond was; dat ook dat schadelijk kan zijn; dat hij uitdrukkelijk heeft geadviseerd om geen banden te gebruiken en om de laadklep volledig tot grondniveau te laten zakken; dat er behalve glycol ook lucht zit in een glycoltank, omdat glycol bij temperatuurveranderingen ook volumeveranderingen ondergaat; dat lucht in de tank nodig is om zulke veranderingen te kunnen opvangen.

2.4.3.

Getuige [3]: dat hij de CEO is van EAS, de fabrikant van de wagens; dat ten behoeve van alle klanten een technisch dossier met instructies voor de gebruikers wordt verstrekt; dat die instructies zijn gesteld in het Engels en in het Frans; dat die instructies in dit geval op twee belangrijke punten niet zijn opgevolgd; dat met wagens grotere hoogteverschillen zijn overbrugd dan in verhouding tot de wieldiameter verantwoord was; dat de wagens voor transport niet mogen worden vastgezet met banden, maar alleen met stangen; dat hij weet dat er problemen zijn geweest met de aansluiting van de wagens op de glycolinstallatie.

2.4.4.

Getuige [4]: dat hij in dienst is geweest van ECH; dat hij verantwoordelijk was voor de commerciële activiteiten; dat SVVE heeft geklaagd over de geleverde karren; dat 10% van de klachten betrekking had op onjuiste temperaturen en 90% op lekkages; dat de temperatuurproblemen grotendeels werden veroorzaakt door een opeenhoping van lucht in het glycolsysteem; dat dit systeem was geleverd door GFDS; dat ECH de karren moest aansluiten op dat systeem; dat in de zomer van 2006 de karren bij SVVE heeft gezien; dat ze na ongeveer zes weken te zijn gebruikt gebutst en gedeukt waren en dat ze er uit zagen of ze al drie of vier jaar in gebruik waren geweest; dat ECH in 2006 meer dan eens heeft gewezen op de noodzaak van correct transport van de karren; dat ECH aan SVVE instructie heeft verstrekt over de karren; dat dit mondeling is geschied door een commercieel medewerker van ECH aan gebruikers van de karren bij SVVE; dat hij niet weet of aan SVVE ook schriftelijke gebruiksinstructies zijn verstrekt.

2.4.5.

Getuige [12]: dat hij in dienst is geweest van ECH en verantwoordelijk was voor de service aan klanten; dat hij weet dat er is geklaagd over onjuiste temperaturen in de karren; dat hij die klachten niet ter plaatse heeft onderzocht; dat [5], verkoper bij ECH, dat heeft gedaan; dat hij heeft gezien dat er water en lucht in het koelsysteem zaten; dat al binnen een week na aflevering twee karren onherstelbaar beschadigd retour kwamen; dat ze waren omgevallen in een vrachtwagen; dat ze krom en scheef waren en dat ECH ze in Borne niet meer kon herstellen; dat ze daardoor niet meer door de wasstraat konden; dat ECH indertijd een dossier heeft aangelegd over allerlei mechanische beschadigingen aan de karren, zoals deuken en schade aan stopcontacten; dat het daarbij ging om fouten bij het gebruik en bij het transport; dat hij tenminste eenmaal zelf heeft gezien dat een kar overeind moest worden gezet nadat hij in een vrachtauto was gevallen; dat gedurende een aantal maanden is gereden met verkeerde vrachtauto’s; dat die auto’s verkeerd waren omdat de karren daarin alleen konden worden vastgezet met sjorbanden; dat rijen karren daardoor min of meer bewegelijk ten opzichte van elkaar stonden en tegen elkaar opbotsten als de auto bijvoorbeeld over een verkeersdrempel reed; dat die auto’s een huif van zeildoek hadden en dat de temperatuur in de laadruimte daardoor in de zomer sterk opliep; dat daarna goede vrachtauto’s beschikbaar kwamen, waarin de karren goed konden worden vastgezet met een systeem met stangen; dat dit systeem echter door het personeel (van SVVE) niet werd gebruikt; dat men verklaarde dat men die stangen teveel moeite vond; dat dit onder meer werd gezegd door de heer [11]; dat er ook een probleem was met hoogteverschillen, waarover de karren moesten rijden, bij laadkleppen van vrachtauto’s en bij drempels op de locaties; dat, toen er al schade aan karren was opgetreden; ECH aan SVVE heeft aangegeven hoe de karren moesten worden vervoerd; dat dit gebeurd is op tenminste één overleg, waarbij aanwezig waren [naam], [11], [1] en [Naam 2].

2.4.6.

Getuige [5]: dat hij bij ECH als verkoper in dienst is geweest; dat drie weken na aflevering van de karren bleek dat ze door SVVE werden geladen en vervoerd in verkeerde vrachtauto’s, omdat die auto’s geen systeem hadden met stangen om de karren vast te zetten; dat daarvoor in die auto’s sjorbanden werden gebruikt; dat je, als je dit met teveel kracht doet, de karren uit hun verband kunt trekken; dat dit ook is gebeurd; dat de duwstangen op de deuren van de karren allemaal zijn verbogen; dat daardoor de deuren van de karren niet goed meer open gingen; dat SVVE daarna vrachtauto’s met een stangensysteem heeft ingezet; dat hij ook andere schades aan de karren heeft waargenomen: karren waren krom, waardoor de deuren gingen kieren; dat daardoor in wasstraat water kan zijn doorgedrongen in het elektrische gedeelte; dat er ook kapotte stopcontacten waren; dat de karren werden aangesloten op een glycolsysteem van GFDS; dat dit niet steeds goed werkte omdat er lucht in de installatie kwam; dat dit zo is gebleven totdat hij in 2008 bij ECH vertrok.


2.4.7. Getuige [8]: dat hij tot medio 2012 als ingenieur in dienst was bij
Electro Calorique (de fabrikant van de karren); dat hij heeft gezien dat er problemen waren met de karren als gevolg van transport van de karren per vrachtauto; dat hij op een (tijdens het verhoor aan de getuige getoonde) foto een kar zag met twee soorten beschadigingen, namelijk een deuk, die kan hebben veroorzaakt dat de deur van het technisch gedeelte niet meer waterdicht was; dat hij ook beschadigingen zag van lasnaden op de hoeken; dat dit kan betekenen dat de kar zo vervormd was geraakt, dat deze niet meer waterdicht was; dat op een foto een kar is te zien met een sterk verbogen stang; dat hij op een foto een scheef staande deurknop en een niet recht verlopende naad zag; dat de verbuiging duidelijk te wijten is aan de manier waarop de kar met transportbanden is vastgezet in de vrachtauto.

in contra-enquête:

2.4.8.

Getuige [7]: dat hij als chauffeur vanaf het begin is betrokken bij het vervoer van de karren per vrachtauto; dat voor dit doel op maat gemaakte DAF vrachtwagens werden gebruikt; dat de karren in de vrachtauto op de rem werden gezet en door middel van een spanband en sperstangen werden vastgezet; dat in de vrachtauto’s naast elkaar drie rijen van telkens zeven tot acht karren pasten; dat aan het eind van elke rij een stang werd geplaatst, die werd vastgezet aan het plafond en aan de vloer; dat voor alle zekerheid daar aan werd toegevoegd een horizontale spanband, die werd vastgezet aan de linker- en aan de rechterkant van de laadruimte, om volstrekt te voorkomen dat de rijen karren in beweging konden komen; dat de spanbanden in het begin wel één of twee keer zijn vastgemaakt aan de duwstangen van de karren; dat toen de duwstangen krom raakten; dat die stangen wel solide leken maar het niet waren; dat de karren ieder wel 300 kilo wegen; dat de karren aanvankelijk (slechts) waren voorzien van vier zwenkwielen en dat ze daardoor alle kanten opgingen; dat dit later werd verholpen nadat aan EC was gevraagd om de karren (ook) te voorzien van twee bokwielen, die niet zwenken.


2.4.9. Getuige [6]: dat hij als ’teamleider facilitaire dienst’ werkzaam was en is bij SVVE; dat de regenereerwagens erg onbetrouwbaar waren; dat het regenereren niet werkte; dat eindgebruikers merkten dat voedsel niet was verwarmd of was verbrand; dat deze klachten afkomstig waren van telkens andere afdelingen of bewoners; dat de klacht vooral was dat het eten niet warm was of soms verbrand was; dat dit telkens een andere kar betrof; dat er in 2009 andere wagens in gebruik zijn genomen; dat die betrouwbaar zijn; dat toen pas echt opviel hoeveel extra zorgen werk, problemen en klachten we hadden ondervonden van de wagens van ECH; dat die nieuwe wagens nog steeds in gebruik zijn (in maart 2012) en er nog vrijwel als nieuw uitzien.

2.4.10.

Getuige [9]: dat zij manager is van het facilitaire bedrijf van SVVE; dat de karren vanaf het begin niet goed waren; dat ze vanaf het moment van aflevering niet behoorlijk functioneerden, hoewel ze op dat moment nog onbeschadigd waren; dat zij niet weet hoe de karren in de vrachtauto’s werden vastgezet, maar wel dat het personeel op dat punt veel instructies heeft gekregen; dat voor het transport van de karren speciaal vrachtauto’s waren aangeschaft die daarvoor waren ingericht; dat, voor zover zij weet, nooit huurauto’s zijn gebruikt.

2.4.11.

Getuige [10]: dat hij leiding geeft aan de keuken van SVVE; dat hij ook inviel als chauffeur als dat nodig was; dat hij betrokken is geweest bij de onderhandelingen met ECH; dat hij voorafgaand aan de koop het materiaal eerst heeft getest; dat SVVE echter een ander product geleverd heeft gekregen; dat hij dit onmiddellijk aan de heer [naam] van ECH heeft doorgegeven; dat [naam] antwoordde dat dit product een verbeterde versie was; dat de karren te laat werden geleverd en daarom onmiddellijk in gebruik moesten worden genomen zodat ze niet meer konden worden getest;
dat de karren vanaf een laadperron bij de centrale keuken rechtstreeks de vrachtauto’s in konden worden gereden en dan in aaneengesloten rijen tegen de voorwand van de laadruimte werden gezet; dat elke kar vervolgens eerst op zijn eigen rem werden gezet en dan werden vastgezet met verticale sperstangen, die vastzitten aan het plafond en de vloer van de laadruimte; dat ze daarnaast ook werden vastgezet met horizontale spanbanden tussen een railsysteem aan de linker- en aan de rechterzijkant van de laadruimte; dat aanvankelijk slechts één spanband werd gebruikt; dat later bleek dat de karren regelmatig van de rem schoten doordat de voetpedalen uitstaken en daardoor in aanraking kwamen met wielen van andere karren; dat dan alle krachten van de door het vervoer veroorzaakte bewegingen terecht kwam op de spanbanden en de sperstangen; dat de sperstangen daardoor verbogen en de spanbanden stuk gingen; dat na een paar maanden de wielen van de karren stuk gingen, bijvoorbeeld doordat de zwenkwielen niet goed meer wilden draaien, met als gevolg dat de karren slechter bestuurbaar werden; dat de wagens niet waterdicht waren en na verloop van tijd allemaal doorbrandden; dat de stopcontacten op de karren ook stuk gingen, doordat ze niet goed tegen het wassen konden; dat je dat kon zien doordat het PVC verkleurde en er stukken afbraken; dat je, als een monteur dan het stopcontact openmaakte, het water eruit zag lopen; dat die stopcontacten een door een veer bediend deksel hadden, zodat je ze niet met de hand hoefde te sluiten; dat een aantal maanden nadat het nieuwe systeem in gebruik was genomen de Voedsel- en Waren Autoriteit constateerde dat de maaltijden niet op de juiste temperatuur waren; dat (bij het koelen) de wagens niet op tijd koud waren; dat SVVE toen een waarschuwing kreeg, waarna noodmaatregelen zijn genomen (zoals gescheiden vervoer van warme en koude gerechten).

2.4.12.

Getuige [11]: dat hij manager is bij SVVE (De Meander); dat hij vanaf het allereerste begin betrokken is geweest bij de aanschaf van de karren; dat eerst een selectie is gemaakt van de regenereerwagens die op de markt waren; dat vervolgens de producten van twee leveranciers op de locaties van SVVE werden getest; dat op basis van die test werd gekozen voor ECH; dat de testwagen de maaltijden goed verwarmde; dat ECH vervolgens aangaf dat de testwagen niet meer geleverd kon worden, omdat er een verbeterde versie was; dat ECH andere wagens leverde dan SVVE had getest; dat ECH karren zou leveren een maand voordat ze daadwerkelijk in gebruik zouden moeten worden genomen; dat de karren echter zijn geleverd op de zaterdag vóór de maandag waarop ze moesten worden gebruikt; dat snel na ingebruikneming bleek dat de wagens niet goed werkten; dat de temperaturen vaak niet goed waren; dat de wagens niet bestand waren tegen machinaal wassen; dat er vocht in de wagens kwam; dat de Voedsel- en Waren Autoriteit heeft vastgesteld dat de maaltijden niet de juiste temperaturen hadden (koude maaltijden onder 7 graden Celsius en warme maaltijden boven 60 graden); dat de VWA toen een waarschuwing heeft gegeven; dat SVVE geen gebruiksaanwijzing van ECH heeft gekregen.

2.5.

Op grond van de hiervoor geciteerde getuigenverklaringen acht de rechtbank ECH niet geslaagd in enig onderdeel van de bewijsopdracht. Hetgeen de getuigen [2], [3], [4], [12], [5] en [8] hebben verklaard over gebreken aan het koelsysteem en/of over verkeerd gebruik van de karren door personeel SVVE, dat zich niet zou hebben gehouden aan (al dan niet schriftelijke) gebruiksinstructies, is op alle relevante onderdelen in overwegende mate overtuigend tegengesproken door de getuigen [1], [7], [6], [9], [10] en [11].

2.6.

Aldus is niet aangetoond dat de ondervonden temperatuurproblemen kunnen, of zelfs moeten, worden toegeschreven aan de door GFDS geleverde koelinstallatie. Op grond van de de verklaringen in contra-enquête acht de rechtbank zeer aannemelijk dat aanvankelijke problemen met die installatie door GFDS werden opgelost, maar dat dit de temperatuurproblemen, bestaande in te warme en/of te koude maaltijden in de wagens, niet heeft verholpen.

2.7.

Evenmin is bewezen dat de wagens op onjuiste wijze werden gebruikt of vervoerd. Indien zij niet precies zijn behandeld volgens een door ECH in het geding gebrachte en in de Franse taal gestelde gebruiksaanwijzing kan ECH dat niet baten, nu zij tegenover de desbetreffende betwisting van SVVE niet gemotiveerd heeft gesteld dat die gebruiksaanwijzing tijdig en in een Nederlandse vertaling aan SVVE dan wel haar personeel ter beschikking is gesteld. Uit de verklaringen van de door SVVE voorgebrachte getuigen blijkt geenszins, dat SVVE enige schriftelijke instructie heeft ontvangen met betrekking tot het gebruik en het vervoer van de wagens.

2.8.

Op grond van het voorgaande, en van hetgeen reeds in de tussenvonnissen werd overwogen en beslist, stelt de rechtbank vast dat de door ECH aan SVVE geleverde wagens kennelijk niet beschikten over de eigenschappen, die SVVE op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten (namelijk: dat de wagens de maaltijden op de gespecificeerde temperaturen zouden brengen dan wel houden, dat zij bestand zouden zijn tegen geautomatiseerd wassen in een wasstraat, en dat ze degelijk genoeg zouden zijn voor dagelijks en normaal gebruik), terwijl geenszins is aangetoond, dat dit falen kan worden toegeschreven aan een oorzaak, die voor rekening voor SVVE behoort te komen.

2.9.

SVVE heeft de koopovereenkomst op 22 mei 2007 dus niet ten onrechte ontbonden. Die ontbinding houdt in rechte stand. Daaruit volgt, dat de in conventie gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden, en de daarop gebaseerde eis tot terugbetaling van het betaalde gedeelte van de koopprijs met de wettelijke rente daarover vanaf de dag na de ontbinding, voor toewijzing gereed liggen terwijl de reconventionele eis tot betaling van het nog niet voldane gedeelte van de prijs moet worden afgewezen.

2.10.

Hiermee is echter nog niet beslist over de door SVVE ook gevorderde vergoeding van de door haar gestelde schade. Bij dagvaarding werd aanspraak gemaakt op vergoeding van schade, op te maken bij staat. Na eiswijziging bij repliek vordert SVVE een in die conclusie gespecificeerd bedrag van € 1.431.478,95 (exclusief BTW), te vermeerderen met rente en kosten. Tegen alle onderdelen van die vordering heeft ECH bij conclusie van dupliek gemotiveerd verweer gevoerd.

2.11.

In de procedure was vervolgens eerst bewijslevering inzake de door SVVE gestelde wanprestatie aan de orde. Nu dat geschilpunt in dit vonnis wordt afgedaan, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om daarna het debat over de schade voort te zetten. De rechtbank zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol voor nadere conclusies over de door SVVE gevorderde en door ECH betwiste schadevergoeding, waarbij het in de rede ligt dat SVVE als eisende partij als eerste concludeert.

2.12.

De onderling samenhangende beslissingen over de proceskosten in conventie en in reconventie zal de rechtbank aanhouden tot het eindvonnis, waarbij in conventie ook over de schadevergoeding zal worden beslist.

in de vrijwaring:

De vordering:

2.13.

ECH vordert in vrijwaring om bij het vonnis in de hoofdzaak gelijktijdig EAS te veroordelen om aan ECH te betalen al datgene waartoe ECH als gedaagde bij dat vonnis mocht worden veroordeeld, te vermeerderen met rente en kosten.

2.14.

ECH heeft aan die eis de volgende stellingen ten grondslag gelegd. ECH heeft in 2006 van EAS regenereerwagens gekocht en ontvangen. Op dat koopcontract zijn de algemene voorwaarden van EAS niet van toepassing, omdat partijen dit niet zijn overeengekomen. ECH heeft nooit een exemplaar van die algemene voorwaarden van EAS ontvangen en zij is daarmee ook nooit akkoord gegaan. Ook de opdrachtbevestiging met betrekking tot de onderhavige overeenkomst heeft ECH nooit gekregen, en bovendien staan de voorwaarden daarop ook niet afgedrukt. Een enkele verwijzing op facturen naar algemene voorwaarden leidt krachtens vaste rechtspraak niet tot toepasselijkheid daarvan.

2.15.

ECH heeft die regenereerwagens ongewijzigd en op dezelfde condities doorverkocht aan SVVE. SVVE heeft ECH vervolgens aangesproken tot terugbetaling van het door haar aan ECH betaalde gedeelte van de koopprijs en tot betaling van schadevergoeding, een en ander te vermeerderen met rente en kosten. ECH heeft daartegen verweer gevoerd op grond van het standpunt dat (zeer kort samengevat) de regenereerwagens beantwoordden aan de overeenkomst en dat daarom eventueel slecht functioneren van de wagens voor rekening van SVVE behoort te blijven omdat zij deze op onjuiste wijze en in strijd met de zijdens ECH verstrekte gebruiksinstructies is gaan gebruiken.

2.16.

Als in de hoofdzaak komt vast te staan dat sprake is van gebrekkige regenereerwagens, dan is EAS jegens ECH toerekenbaar tekortgeschoten. Uit hoofde daarvan is EAS jegens ECH aansprakelijk voor de daardoor voor ECH veroorzaakte schade. Ingevolge
artikel 5 lid 1 sub a en b en van artikel 6 lid 2 EEX is de rechtbank Overijssel bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Het verweer:

2.17.

EAS heeft de vordering betwist op de volgende gronden. ECH is sinds jaar en dag afnemer van regenereerwagens van EAS. De algemene voorwaarden van EAS zijn van toepassing op haar onderhavige contract met ECH, omdat die voorwaarden van toepassing zijn (geweest) op alle overeenkomsten, die in de loop der jaren tussen partijen zijn gesloten. De voorwaarden staan standaard afgedrukt op de achterkant van alle door EAS aan ECH verzonden opdrachtbevestigingen en facturen.

2.18. Artikel 6 van die voorwaarden heeft betrekking op de door EAS te verlenen garantie en houdt onder meer in, dat bij aangebrachte wijzigingen (aan het gekochte) en/of bij onoordeelkundig gebruik iedere aanspraak op de garantie komt te vervallen, en tevens dat (eventuele) aansprakelijkheid van EAS beperkt blijft tot reparatie of vervanging, waarbij enige schadevergoeding uitdrukkelijk is uitgesloten.

2.19.

ECH, dan wel SVVE, heeft al in een vroeg stadium andere wielen op de wagens gezet en daarvoor verkeerde schroeven gebruikt. Na deze eigenmachtige modificatie kan ECH ingevolge de algemene voorwaarden van EAS op de garantie geen beroep (meer) doen.
2.20. Voor zover SVVE gegronde klachten over de geleverde wagens had en deze binnen de garantietermijn heeft gemeld, zijn deze verholpen, dan wel is er alles aan gedaan wat van EAS als fabrikant van de wagens in redelijkheid kon worden verlangd, en heeft zij zelfs meer service geboden dan waartoe zij verplicht was. Zo heeft zij alle wagens teruggehaald naar de fabriek en gereviseerd.

2.21.

Andere problemen, aldus EAS, waren het gevolg van onzorgvuldig gebruik van de wagens. SVVE heeft wagens onoordeelkundig gebruikt door ze met een verkeerd wasmiddel te behandelen, door de wagens na het wassen niet open te zetten (zodat ze niet goed konden drogen) en door er veel te ruw mee om te springen, waardoor ze al snel beschadigd en vervormd raakten.

2.22.

Als de wagens niet goed gefunctioneerd hebben, is dat bovendien mede veroorzaakt door de slechte werking van het koelsysteem, dat niet door EAS, maar door een ander bedrijf (GFDS) was geleverd. Gezien het voorgaande heeft SVVE haar overeenkomst met ECH in strijd met de redelijkheid en de billijkheid ontbonden.


De beoordeling:


2.23. De rechtbank beoordeelt de vordering en de daartegen gerichte verweren als volgt. De algemene voorwaarden van EAS zijn van toepassing op de tussen EAS en ECH gesloten koopovereenkomst, omdat EAS heeft gesteld en ECH niet heeft betwist dat die voorwaarden van toepassing zijn (geweest) op alle overeenkomsten, die in de loop der jaren tussen partijen zijn gesloten, aangezien de voorwaarden steeds waren afgedrukt op de achterkant van alle door EAS aan ECH verzonden opdrachtbevestigingen en facturen.

2.24.

Omdat, zoals EAS onbetwist heeft gesteld, partijen al jaren zaken met elkaar hebben gedaan en EAS daarbij op al haar opdrachtbevestigingen en op al haar facturen heeft verwezen naar haar algemene voorwaarden, mocht EAS er op vertrouwen dat, toen de onderhavige overeenkomst werd gesloten, ECH haar algemene voorwaarden had geaccepteerd. Terhandstelling van die voorwaarden was daarom niet nodig. De voorwaarden van EAS maken dus deel uit van het onderhavige koopcontract tussen EAS en ECH.

2.25.

De eis van ECH in vrijwaring strekt tot veroordeling van EAS tot betaling van al datgene waartoe ECH als gedaagde bij dat vonnis mocht worden veroordeeld, dat wil dus zeggen tot (terug-)betaling van het reeds door SVVE voldane gedeelte van de koopprijs en tot betaling van schadevergoeding.

2.26.

Deze vordering stuit af op artikel 6 van de ten deze toepasselijke algemene voorwaarden van EAS, voor zover die inhouden dat bij een geslaagd beroep van een koper op de garantie de aansprakelijkheid van EAS beperkt blijft tot reparatie en/of vervanging (van het gekochte), waarbij enige schadevergoeding uitdrukkelijk is uitgesloten.

2.27.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van ECH moet worden afgewezen, met veroordeling van ECH in de kosten van de procedure in vrijwaring.

3 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak:

in conventie:


I. Verklaart voor recht dat SVVE de overeenkomst met ECH op 22 mei 2007 terecht en op juiste gronden heeft ontbonden.

II. Verklaart voor recht dat ECH aansprakelijk is voor de schade die SVVE als gevolg van de wanprestatie van ECH en als gevolg van de ontbinding heeft geleden.

III. Veroordeelt ECH om aan SVVE terug te betalen het door SVVE reeds betaalde bedrag van € 641.244,59, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, met ingang van de dag na ontbinding van de overeenkomst, derhalve met ingang van

23 mei 2007.

IV. Verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

V. Verwijst de zaak naar de civiele rolzitting van woensdag 10 september 2014 voor het nemen van een nadere conclusie door SVVE.



in reconventie:

VI. Wijst de vordering af.



VII. Houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in conventie.

in de vrijwaring:


VIII. Wijst de vordering af.

IX. Veroordeelt ECH in de kosten van de procedure in vrijwaring, aan de zijde van EAS tot deze uitspraak begroot op € 4.951,- voor verschotten (griffierecht) en op € 5.160,- (tarief VII, twee punten) voor salaris van haar advocaat.

X. Verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Hangelbroek, Vermeulen en Van Houten, en op woensdag 13 augustus 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.