Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4485

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
Awb 14/652
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen besluit gemeente Deventer. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 14/652

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

1.

[eiser], eiser

en

2.

[eiseres], eiseres

beiden wonende te [woonplaats], tezamen eisers,

gemachtigde: mr. R. Wilschut,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2013 heeft verweerder eisers op straffe van een dwangsom gelast uiterlijk voor 1 september 2013 van het perceel aan de [adres] te [plaats] een zeecontainer, aanhangwagens en trailers en zes lichtmasten te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede het aantal paarden terug te brengen tot vier en de verhuur van paardenboxen en het geven van rijlessen te staken.

Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij brief van 23 augustus 2013 de begunstigingstermijn gewijzigd en nader vastgesteld op 13 oktober 2013.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 27 september 2013 de door eisers verzochte voorlopige voorziening toegewezen, voor zover dat ziet op het bedrijfsmatig houden van paarden en de last tot het terugbrengen van het aantal te stallen en te berijden paarden tot maximaal vier eigen paarden, tot het beëindigen van de verhuur van paardenboxen aan derden en tot het geven van rijlessen geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening voor het overige afgewezen.

Verweerder heeft bij brief van 11 oktober 2013 de begunstigingstermijn voor wat betreft de last met betrekking tot het verwijderen en verwijderd houden van de lichtmasten gewijzigd en vastgesteld op uiterlijk zes weken na de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 5 februari 2014 is het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat eisers maximaal acht eigen paarden mogen houden, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 2 juni 2014 behandeld. Eiser sub 1 is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.I. Duivenvoorde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eisers zijn woonachtig op het perceel aan de [adres] en houden paarden. De paarden worden gestald in een schuur, waarvoor verweerder bij besluiten van 11 januari 2001 en 8 november 2001 vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend. Op het perceel bevindt zich een paardenbak, waarin de paarden worden bereden. Deze paardenbak is omgeven door zes lichtmasten.

2.

Bij brief aan eiser van 11 januari 2012 heeft verweerder de constateringen vastgelegd, zoals deze op 2 en 3 januari 2012 naar aanleiding van een melding van de politie zijn gedaan. Op 2 januari 2012 is geconstateerd dat eiser een schuur heeft met daarin acht paardenboxen, dat verder op het perceel een zeecontainer is geplaatst voor het schuilen van paarden, dat nog verder op het perceel een mestopslag is aangelegd en dat op eisers perceel een groot aantal aanhangers staat gestald. Administratief onderzoek bij de Kamer van Koophandel heeft geleerd dat op het adres van eiser [bedrijf], een bedrijf in verhuur en verkoop van aanhangers, is gevestigd. Aan eiser is aangegeven dat de omvang van eisers paardenhouderij dermate groot is dat deze activiteiten worden gezien als bedrijfsmatige, of in een omvang als ware zij bedrijfsmatig.

Uit de brief van verweerder van 21 juni 2013 volgt dat de toezichthouder bouwen en wonen van de gemeente Deventer op 23 april 2013 in het bijzijn van eiser de situatie opnieuw heeft opgenomen. Geconstateerd is dat geen sprake meer is van een mestopslag in het weiland, dat de schuilgelegenheid voor de paarden nog niet is verwijderd, dat er bedrijfsmatig paarden worden gehouden, dat er handel en verhuur van trailers plaatsvindt en dat de paardenbak is voorzien van een lichtinstallatie.

3.

Bij besluit van 2 augustus 2013 heeft verweerder verzoeker op straffe van een dwangsom gelast om uiterlijk voor 1 september 2013 (brief 23 augustus 2013: 13 oktober 2013):

1.

de geplaatste schuilgelegenheid in de vorm van een zeecontainer te verwijderen en verwijderd te houden. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op

€ 2.500,-- per maand of een gedeelte daarvan met een maximum van € 10.000,--;

2.

de bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot het houden van paarden te staken en gestaakt te houden. Dit betekent dat alleen het stallen en berijden van maximaal vier eigen paarden is toegestaan. Verhuur van paardenboxen aan derden voor de stalling van paarden en ook het geven van rijlessen is niet toegestaan. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 3.750,-- per maand of een gedeelte daarvan met een maximum van € 15.000,--;

3.

de bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot de handel, reparatie en verhuur van trailers te staken en gestaakt te houden. Verzoeker moet de aanwezige aanhangwagens en trailers verwijderen en verwijderd houden. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 3.750,-- per maand of een gedeelte daarvan met een maximum van € 15.000,--;

4.

de zes lichtmasten rondom de paardenbak te verwijderen en verwijderd te houden. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 2.000,--.

4.

In de beslissing op het bezwaar heeft verweerder ten aanzien van de last om de zeecontainer te verwijderen en verwijderd te houden overwogen dat de zeecontainer inmiddels is verwijderd, maar dat de last wel terecht is opgelegd.

Ten aanzien van de last om bedrijfsmatige activiteiten omtrent verhuur en reparatie van trailers te staken en de aanwezige trailers en aanhangwagens te verwijderen, heeft verweerder overwogen dat sprake is van overtreding van wettelijke voorschriften, dat eiser het bedrijf inmiddels heeft beëindigd en dat ook deze last terecht is opgelegd.

Ten aanzien van de last om de lichtmasten te verwijderen en verwijderd te houden heeft verweerder aangegeven dat eiser hiervoor een vergunning heeft aangevraagd en dat in afwachting van de te verlenen vergunning de begunstigingstermijn is verlengd. De last is echter wel terecht opgelegd.

Ten aanzien van de last om de bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot het houden van paarden te staken en gestaakt te houden heeft verweerder overwogen dat alle activiteiten en omstandigheden die zich ten tijde van het besluit van 2 augustus 2013 voordeden tot de conclusie leiden dat sprake was van bedrijfsmatige activiteiten. Naast het houden van eigen paarden was sprake van detailhandel in trailers, het stallen van pensionpaarden, het geven van rijlessen en illegale opslag van mest. Al deze activiteiten maken dat sprake was van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer (Wm). Indien eiser echter voldoet aan de last om geen boxen te verhuren en geen rijlessen te geven, is met de enkele aanwezigheid van meer dan vijf eigen paarden geen sprake van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm. Er is geen sprake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik indien in de vergunde acht paardenboxen acht eigen paarden gestald worden. In zoverre wordt de last herroepen dat eiser maximaal acht eigen paarden mag stallen en berijden.

Ten aanzien van de hoogte van de dwangsommen heeft verweerder onder verwijzing naar de Leidraad handhaving en begunstigingstermijnen overwogen dat de hoogte van de dwangsommen in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang.

5.

Voor het toetsingskader verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4 van voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 september 2013.

6.

Een bestuursorgaan is bevoegd om handhavend op te treden middels het opleggen van een last onder dwangsom indien er sprake is van een overtreding, zijnde een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 125 van de Gemeentewet gelezen in samenhang met de artikelen 5:4 en 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7.

De rechtbank stelt voor de goede orde vast dat blijkens het verhandelde ter zitting tussen partijen niet langer in geschil is dat de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

8.

Ter beantwoording ligt de vraag voor of verweerder bij het thans bestreden besluit heeft kunnen concluderen dat hij zijn besluit van 2 augustus 2013 op goede gronden heeft genomen.

Zeecontainer

9.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC6428) is de rechtbank in navolging van de voorzieningenrechter van oordeel dat de zeecontainer als gebouw dient te worden aangemerkt, en daarmee als een vergunningplichtig bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Vaststaat dat eiser niet beschikte over een bouwvergunning voor de zeecontainer, zodat verweerder bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

Ter plekke van de zeecontainer gold de bestemming “Groen-Landelijk groen”. Ingevolge artikel 7.2.1 van de planvoorschriften zijn ter plekke geen gebouwen toegestaan. Niet is gebleken dat eisers alsnog een legaliserende omgevingsvergunning hadden aangevraagd. Daarmee was van concreet zicht op legalisatie geen sprake. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van deze bevoegdheid.

Blijkens het proces-verbaal van de toezichthouder bouwen en wonen team toezicht van de gemeente Deventer is op 14 oktober 2013 geconstateerd dat de zeecontainer is verplaatst en thans binnen de begrenzing van de bestemming “Wonen-2” is geplaatst. De rechtbank stelt vast dat verweerder thans van mening is dat eisers daarmee hebben voldaan aan het handhavingsbesluit.

Lichtmasten

10.

Vaststaat, en niet in geschil is, dat verzoeker naast de paardenbak, ter plekke van de bestemming “Groen-Landelijk groen” 6 lichtmasten met een hoogte van 5 meter heeft geplaatst zonder de daarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo benodigde vergunning. Daaruit volgt dat verweerder bevoegd was tot het nemen van een handhavingsbesluit. Nu voorts is gebleken dat ten tijde in geding geen aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend, was van concreet zicht op legalisatie geen sprake. Niet kan dan ook worden gezegd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De rechtbank is gebleken dat eisers nadien alsnog een omgevingsvergunning hebben aangevraagd die vervolgens in december 2013 een omgevingsvergunning is verleend.

Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot aanhangwagens en trailers

11.

Uit de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser ten tijde van het besluit in primo op internet, via de website van zijn eenmanszaak [bedrijf], paardentrailers en aanhangers te koop en te huur aanbood aan particulieren. Deze voertuigen stalde hij met dat doel op het in geding zijnde perceel op gronden met de bestemming “Wonen-2”. In navolging van de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat eiser zich, gelet op deze bedrijfsactiviteiten, ten tijde van het besluit in primo bezig hield met detailhandel als bedoeld in het bestemmingsplan, zodat het perceel door hem in strijd daarmee werd gebruikt.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom tot beëindiging van de verkoop en verhuur van aanhangwagens en trailers vanaf in het geding zijnde perceel. Niet gebleken is dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid.

Blijkens het proces-verbaal van de toezichthouder bouwen en wonen team toezicht van de gemeente Deventer is op 14 oktober 2013 geconstateerd dat de bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot handel, reparatie en verhuur van trailers zijn gestaakt. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat eiser in zoverre aan de last heeft voldaan.

Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot het houden van paarden

12.

Verweerder heeft in het besluit in primo overwogen dat sprake is van het bedrijfsmatig houden van dieren, nu er in de stal meer dan vier paarden worden gestald, waaronder drie pensionpaarden. Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ontstaat bij het houden van ten minste vijf paarden een inrichting die meldingsplichtig is. Vanaf het houden van vijf paarden wordt de omvang gezien als ware het bedrijfsmatig. Naast het verhuren van stalboxen aan derden en het fokken van een veulen wordt in de paardenbak paardrijles gegeven. Door deze activiteiten is volgens verweerder sprake van een inrichting met een meldingsplicht. Eiser heeft een dergelijke melding niet gedaan, waardoor sprake is van een overtreding. Legalisatie is niet mogelijk, omdat bijvoorbeeld niet wordt voldaan aan de vaste afstanden van de inrichting tot de omliggende woningen.

Bovendien is het bedrijfsmatig houden van dieren in strijd met de vigerende bestemming. Wijziging van de bestemming in ”Agrarisch” of “Recreatie-manege” is niet mogelijk omdat het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen teveel zou worden aangetast.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat alle activiteiten en omstandigheden die zich ten tijde van het besluit in primo van 2 augustus 2013 voordeden tot de conclusie leiden dat sprake was van bedrijfsmatige activiteiten. Naast het houden van eigen paarden was sprake van detailhandel in trailers, het stallen van pensionpaarden, het geven van rijlessen en illegale opslag van mest. Al deze activiteiten maken dat sprake was van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer (Wm). Indien eiser echter voldoet aan de last om geen boxen te verhuren en geen rijlessen te geven, is met de enkele aanwezigheid van meer dan vijf eigen paarden geen sprake van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm. Er is geen sprake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik indien in de vergunde acht paardenboxen acht eigen paarden gestald worden. In zoverre wordt de last herroepen dat eiser maximaal acht eigen paarden mag stallen en berijden.

13.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het samenstel van het verhuren van paardenboxen aan derden en het geven van rijlessen maakt dat sprake is van bedrijfsmatige activiteiten.

Voor wat betreft het geven van rijlessen stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat na voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de vorm waarin en de schaal waarop de lessen zouden worden gegeven. De enkele omstandigheid dat eiser de berijders van zijn paarden en de berijders van de pensionpaarden op verzoek incidenteel aanwijzingen geeft, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat daarmee sprake is van een bedrijfsmatige of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid. Het bestreden besluit ontbeert in dat opzicht een deugdelijke motivering.

Met betrekking tot de paardenboxen heeft eiser ter zitting erkend dat paardenboxen aan derden worden verhuurd en dat hij daar een tegemoetkoming voor ontvangt.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat door de verhuur van drie van de acht paardenboxen (in combinatie met de rijlessen) sprake is van een bedrijfsmatige of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid. Verweerder heeft echter nagelaten te motiveren waarom bij verhuur van drie van de acht paardenboxen sprake is van een bedrijfsmatig karakter. Verweerder zal dat nader dienen te motiveren. Verweerder dient daarbij de vraag te betrekken of het enkele verhuren van paardenboxen reeds voldoende is voor het aannemen van een bedrijfsmatige activiteit en waarom zulks niet als een activiteit van ondergeschikt belang zou kunnen worden aangemerkt. In dit verband wijst de rechtbank er op dat verweerder het standpunt heeft ingenomen dat alle activiteiten in combinatie met elkaar verweerder hebben geleid tot de conclusie dat er sprake is van een bedrijfsmatige activiteit.

Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard en verweerder zal worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

14.

Ten slotte hebben eisers zich terecht op het standpunt gesteld dat verweerder de proceskostenvergoeding in bezwaar op een te laag bedrag hebben vastgesteld. Nu de beslissing op het bezwaar dateert van 5 februari 2014, had verweerder het met ingang van

1 januari 2014 geldende bedrag van € 487,-- per proceshandeling dienen toe te kennen.

Ook op dit punt is het beroep gegrond. De rechtbank zal de proceskostenvergoeding in bezwaar vaststellen zoals hierna in r.o. 16 aangegeven. Voor zover verweerder ter uitvoering van de beslissing op het bezwaar al een bedrag aan proceskostenvergoeding aan eiser heeft voldaan, strekt dat bedrag in mindering op het bedrag aan proceskostenvergoeding zoals hieronder vermeld.

15.

Het beroep is gegrond.

16.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt

€ 487,--; wegingsfactor 1). De door eiser opgegeven reiskosten komen tot een bedrag van

€ 11,80 (Deventer-Zwolle v.v. per openbaar vervoer tweede klasse) voor vergoeding in aanmerking. Omdat eiser de door hem opgegeven verletkosten ad € 320,-- niet heeft gespecificeerd, zal de rechtbank de vergoeding met inachtneming van het laagste tarief zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb vaststellen op € 28,-- (4 uren à € 7,--). De totale proceskosten worden aldus begroot op € 1.987,80.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 5 februari 2014;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een totaal bedrag van

  • -

    € 1.987,80.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

H. Blekkenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op